is toegevoegd aan uw favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 34, 1939, no 1244, 19-07-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE INTERNATIONALE ORDE

IV

door Mr. E. Afbarda-van der Veen

Samenvoeging

We herinneren ons, dat we tot de gevolgtrekking zijn gekomen, dat er voor de ordening in de samenleving drie voorwaarden te vervullen zijn:

le: het vastgelegde recht,

2e: een rechter,

3e: een politiemacht.

Gelden deze voorwaarden nu steeds — of verliezen zij haar waarde naarmate de groepen van „samenlevenden" groter worden? Dit is natuurlijk een uitermate belangrijk punt. En hoe zullen we het moeten aanleggen om op deze vraag een goed antwoord te vinden?

Wat kunnen we hiervoor beter doen dan de geschiedenis maar weer te bekijken — we hebben daarin de prachtigste voorbeelden, die ons behulpzaam kunnen zijn om tot een bevredigende oplossing te komen. Daar zien we hoe in de alleroudste tijden de kleinste eenheden (de familie's) zich langzamerhand samenvoegen tot wat grotere groepen, soms om bij elkaar bescherming te zoeken voor de gevaren van buitenaf, soms alleen al, omdat de omstandigheden op een bepaalde plaats zeer gunstig waren voor de voorziening in hun levensbehoeften, zoals we vroeger al zagen. Ook deze groepen, die we nu niet veel meer dan gehuchten zouden noemen, hebben zich op verschillende plaatsen sterk uitgebreid, en zo zien we door de eeuwen heen de dorpen en steden ontstaan, later nog de provincie's.

Hoe is het toch gekomen, dat de groepen steeds groter zijn geworden? Waarom zijn we niet rustig in heel kleine groepjes blijven wonen, ieder onafhankelijk van een ander? Ik geloof, dat deze groei volkmen samenhangt met het karakter van den mens. Wij zijn nu eenmaal niet tevreden als we een bepaalde toestand bereikt hebben en we willen steeds iets verder komen. We streven steeds naar voortgang, naar uitbreiding van dat,

wat we al hebben bereikt. En al blijkt deze voortgang achteraf niet altijd een vooruitgang te zijn geweest, de beweging in onze ontwikkeling bevredigt ons reeds voor Sen deel. We kunnen deze drang in den mens alle dagen om ons heen vaststellen, en het duidelijkst misschien nog in ons zelf. Als we na lang streven eindelijk een doel bereikt hebben, zijn we voor een tijdje tevreden en rustig, maar dan begint er in ons weer iets te wringen en te wroeten, dat ons dwingt een nieuw doel te zoeken en dit te bereiken.

Hierdoor komt het, dat vanuit de kleine groepen steeds mensen wegtrokken om te onderzoeken, wat er buiten hun eigen plekje nog meer bestond. Ze ontmoetten op hun zwerftochten andere groepjes, die andere gebruiken en andere gebruiksvoorwerpen hadden. Al dit nieuws viel op, en dikwijls vertelden ze erover als ze weer thuis waren, of namen voorwerpen mee om ze te laten zien. Zo leerde men toch van elkaar en zodra bepaalde vreemde voorwerpen onmisbaar werden .maakten hiervan mensen gebruik om hun voordeel daarmede te doen en zo zien we de handel ontstaan, die de verschillende kleine groepjes ging binden. Naarmate het verkeer makkelijker werd, doordat er langzamerhand wegen ontstonden, kon men makkelijker grotere afstanden afleggen, en zo groeien de kringen, die handel met elkaar drijven en dus van elkaar afhankelijk gaan worden, steeds meer en meer uit. Later maakte men hoe langer hoe snellere voertuigen, zodat men in eenzelfde tijd weer veel verder kon komen dan vroeger en dikwijls

op een veel makkelijker manier. Dus de kringen breiden zich weer meer uit.

Om nu op onze eerste vraag terug te komen — of de gevonden voorwaarden steeds gelden blijven, ook al worden de kringen groter— tot nog toe is in ae geschiedenis steeds gebleken, hoe we pas dan in iedere nieuwe kring weer orde hadden, als er voldaan was aan de voorwaarden, die we gevonden hebben.

Ons eigen landje is een prachtig voorbeeld hiervan. Geen land haast is zo verdeeld geweest aJs het onze. Het is nog niet lang geleden, dat er verschillende provincie's waren, die het abooluut vertikten om met de andere samen te werken — ze dachten zich zelfstandig en lieten zich zogenaamd door geen ander iets opleggen; niet begrijpende dat er iets is, waaraan allen gehoorzamen moeten, namelijk de orde in de samenleving. Pas na heel veel ruzie en strijd hebben ze dit geleerd, zijn ze langzamerhand gedwongen geworden om te erkennen, dat er iets boven ons allen staat, wat voor naam we ook hebben, wat voor lichaam we ook zijn. Al is het een enkel mens, e^n gemeente, stad of provincie, steeds heeft deze zich neer te leggen bij het recht, bij de uitspraak van den rechter — en gebeurt dit niet, dan is er een macht, die ze hiertoe dwingen kan. Geen gemeente-bestuur bijvoorbeeld kan een daad van willekeur begaari, zonder onmiddellijk op de vingers getikt te worden, terwijl er toch een tijd is geweest, dat zo'n bestuur rustig zijn gang kon gaan.

In het volgende stukje zullen we zien, hoe het nu staat met de kring, waaraan we op het ogenblik toe zijn; de landen hebben in zichzelf een zekere mate van orde gevonden — hoe staat het nu met de verhouding van die landen ten opzichte van elkaar?

Het fascisme is cultureel gezien: de ontkenning van de gedachte der menselijke waardigheid. Die geschonden gedachte hooghouden, ondanks alles, en haar uitdragen, ondanks alles — zie daar ónze taak, óns politiek program, waarin wij, ondanks alle verschillen, alles wat ons scheidt zelfs, één kunnen, maar dan ook één moeten zijn. Prof. Dr. JAN ROMEIN.

en h&ar had de keizer lief boven allen. Die moest wel gelukkig zijn. Die werd bemind en had zeker door haar liefde een goede invloed op den keizer... Zij kwam en zag. Zij zag de schone begunstigde in de weelderige vertrekken van den keizer, en hij liefkoosde haar met dezelfde hand, waarmede hij zoeven het wrede doodvonnis van schuldigen en onschuldigen had ondertekend... Zal zij, gebruik makend van haar macht, nog genade vragen voor de rampzaligen, de schone lieveling des keizers?... Maar neen, daar woont geen medelijden in het paleis; daar was geen mededogen in het hart dezer schone vrouw, die den keizer, regeerde met een wenk van haar vinger. Mooi blijven en machtig, gevleid worden en met geschenken overladen; al haar grillen te zien ingewilligd door den machtigen beheerser van millioenen onderdanen. — dat was haar énige bekommernis...

Toen zocht de oude melaatse niet verder. Zij had gezien, dat haar ziel vol liefde in een melaats lichaam, kostelijker was dan een verkankerde ziel in een schoon lichaam. Zij keerde terug naar onze melaatsen-wijk, en bedelde haar onderhoud, totdat zij in¬

sliep voor altoos, en rust vond ginds, in de schaduw der hoge bomen vol geurige bloesems... Wij vereren haar als de goede genius onzer stad vol verschrikking, en nooit is haar graf zonder frisse bloemen.

Gij, blanke man, zijt goed geweest. Ge zijt gekomen tot onze ellende en hebt met en om ons geweend. De herinnering aan de goede genius der leprozenstad, van wie gij nu de geschiedenis kent, zal u voor uw liefde lonen, — later, als ook tot u het lijden komt.

En de stad der verschrikking verlatend, heb ik dit verhaal van wijsheid medegenomen als een helende balsem... En ik wens, dat het als balsem wezen zal voor velen, die in droefheid peinzen'over de raadselen en verschrikkingen des levens.

Vrij naar het Frans van JEAN HESS.

Overgenomen uit de VolksKinderbibliotheek van Nellie, nr 47 „Chmeesche Schimmen." Uitgave Van Gorcum en Comp. N.V.'te Assen.