is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 1, 1930, no 5, 15-11-1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten ging waardeeren, ze ging gebruiken, in diezelfde mate het gemis zoowel van het Staatsburgerschap als van Staatsburgerschapsrechten door de vrouw steeds pijnlijker werd gevoeld.

Hoe verrassend snel in de evolutie der tijden, na ruim drie eeuwen van langzamen groei, ten slotte het einddoel: de grondwettelijke gelijkstelling van allen zonder onderscheid, is benaderd om te worden bereikt bij de Grondwetsherziening van het jaar 1922, wordt wel best uit eigen herinnering beseft door de generatie van vrouwen, waartoe ik mij nog rekenen moet, welke in haren meisjestijd dweepten met het groote epos van den dichter Ten Kate, met diens Schepping en daaruit met zoo diepe overtuiging konden declameeren de verzen, waarin wordt bezongen wat toen gold als de ideale verhouding van man en vrouw:

Hij, — zelfstandig als de ceder, die op eigen wortel steunt; Zij, _ afhanklijk als de klimop, die zich aan zijn takken leunt. Zijn gebied is heel de Schepping en zijn arbeidsveld in het licht, Waar hij God vertegenwoordigt voor der Englen aangezicht. Maar op d'achtergrond van het leven is haar schouwtooneel In uw lieflijke scheemring, dienende bescheidenheid! (bereid,

en wat daar verder volgt maar dat ik u besparen zal want ik geloof niet, dat het aan u besteed is, om dan geestdriftig te besluiten met den climax:

Hem, — de waereld; haar, — het huis.

Wij dronken ons als een roes aan de zachte muziek dier dichtregels zonder al te veel na te denken over de beteekenis er van; en in zulk een sfeer, gedachtensfeer durf ik die niet noemen, waren de begrippen Staatsburgerschap en Staatsburgerschapsrechten voor de vrouw eenvoudig onbestaanbaar. Die termen waren toen voor de meesten onzer zinledige woorden, doof als wij nog bleven voor de vrouwenstemmen, die toch reeds van alle kanten begonnen op te gaan om ons toe te roepen, dat wij onze vrouwentaak, onze moedertaak niet mochten beperken tot den engen kring van het eigen huis, van het eigen gezin. Al mochten die steeds luider en luider klinkende vrouwenstemmen in den tijd reeds, waarin Ten Kate's lied verscheen, — denkt aan Elise van Calcar, aan Betsy Perk, aan Mina Kruseman, — meer en meer een geestdriftig gehoor vinden: al mocht de prediking van een Fredrika Bremer, dat men is in de eerste plaats mensch en dan in de tweede plaats man of vrouw, vrouw of man, met versnellende vaart veld winnen, de groote massa der vrouwen, die toen in hare opkomst waren en waartoe ik mij zelve rekenen moet, is toch pas lang na haren meisjestijd, pas toen zij de middaghoogte des levens had bereikt, dat wil zeggen pas in het begin dezer 20ste eeuw, — dus voor hoe kort nog, — gekomen tot het inzicht dier verbreeding onzer verantwoordelijkheid als vrouwen ook voor den gang van ons openbaar staatkundig volksleven, tot het besef der waarde van het Staatsburgerschap ook voor de vrouw, omdat het daarbij waarlijk niet gaat om zoogenaamde vrouwenrechten noch om specifieke vrouwenbelangen, — die mijns inziens ook niet bestaan, — maar omdat het bij de erkenning der vrouw als lid van het Nederlandsche Volk, als Staatsburgeres: bij haar bezit van Staatsburgerschapsrechten gaat om de uitoefening van het moederschap, die hoogste, alles overheerschende roeping van ieder onzer: om het moederschap, dat, overgebracht van den huislijken haard naar het openbare leven, zich daar ontplooit tot een vroeger ongedachte expansie, tot een moederschap in grooten stijl niet

enkel over een eigen kind maar over Het Kind, over al wat zwak en klein is en hulp behoeft.

Het toenemend bewustzijn daarvan heeft sedert het midden der vorige eeuw geleid tot de oprichting van tal van Vrouwenverenigingen voor een verbeterde armenzorg, voor redding van gevallenen eerst; daarna voor vrijheid van opleiding voor het meisje en van arbeid voor de vrouw, vervolgens tot verhooging van het zedelijk bewustzijn en eindelijk voor de verbetering der maatschappelijke en rechtspositie van de vrouw, voor vrouweninvloed op de wetgeving, waarbij dit alles wordt geregeld, voor vrouwenkiesrecht.

Het is de glorie van het feminisme geweest, dat het, wel onderscheiden van de zoogenaamde emancipatie, die slechts in het vage de gelijkheid van man en vrouw voorstond, heeft begrepen, dat niet moest worden gesproken van gelijkheid van deze beiden maar van hun gelijkstelling als gelijkwaardigen en dat het voor aller streven heeft weten te formuleeren een gesamenlijk scherp belijnd program van actie: zedelijke, economische en staatkundige gelijkstelling van man en vrouw, korter nog gezegd: gelijkstelling van man en vrouw in wet en zede. Het nastreven, min of meer bewust, geheel of gedeeltelijk van dit concreete doel werd ingezet, zoo omstreeks 1870 met de oprichting der eerste Algemeene Nederlandsche Vrouwenverenigingen Arbeid Adelt en Tesselschade, voortgezet met de stichting van den Nederlandschen Vrouwenbond ter Verhooging van het Zedelijk Bewustzijn in 1882, van de Groningsche en Rotterdamsche Vrouwenbonden, van het Comité ter Verbetering van den maatschappelijken en rechtstoestand der Vrouw, van de Vrije Vrouwenvereeniging in 1889, — en is in 1894 bekroond met het tot stand komen der Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht. Ik noem u hier enkel de voornaamsten dier Vrouwenvereenigingen uit het einde der vorige eeuw en de namen der vrouwen, die er de herinnering aan haar persoon onverbrekelijk aan hebben verbonden, noem ik u in het geheel niet. Gij kent ze. Ten minste, gij behoort ze te kennen. Ze te noemen zoude mij ook al te lang ophouden. Zij waren zoo velen. Zij vormen een schare zoo talrijk, zoo rijk aan grootsche figuren, dat die doet denken aan den soortgelijken opbloei van vrouwelijke arbeidskracht, van vrouwelijk intellect, waarop Engeland met rechtmatigen trots pleegt te wijzen als op een der glories van de zoogenaamde eeuw van Koningin Victoria. Wij hebben ook onze Florence Nightingales, onze Josephine Butlers, onze Priscilla Brights gehad.

Een eerste machtige uiting van het collectief streven dier groote Wegbereidsters hier in Nederland is geweest de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid, hier te 's Gravenhage gehouden in het jaar 1898 met de bedoeling om aan Koningin Wilhelmina, die in dat jaar den troon besteeg, te geven een beeld van de vrouw in moederland en koloniën, waarover Hare Majesteit toen de regeering ging aanvaarden: die Tentoonstelling, waaraan alle reeds bestaande Vrouwenvereenigingen hebben ontleend vernieuwing van kracht en waaruit tallooze nieuwe vereenigingen zijn geboren: die Tentoonstelling, die met haar congressen als een openbaring is geweest voor de vrouwen van mijne generatie, die daar voor het eerst in persoonlijk verkeer kwamen met de groote leidsters, tot in de ziel werden getroffen door het in haar levende verantwoordelijkheids- en gemeenschapsgevoel, met eerbiedig ontzag opzagen naar de vrouwen welke zoo iets imposants hadden durven ondernemen en hadden weten tot stand te brengen en er voor goed door de tot volle kracht gekomen feministische actie werden gegrepen.