is toegevoegd aan je favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 3, 1932-1933, no 5, 15-10-1932

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De „crisis van het huwelijk" is een logisch gevolg der tijden. Zij dankt haar ontstaan aan het drieledig karakter van het huwelijk. Dit toch bestaat uit een economische, een sexueele en een geestelijke factor. De beide laatste factoren vat men meestal in het begrip „liefde" te samen, doch een juist inzicht in het wezen der liefde, in de beide samenstellende factoren, is hierbij stellig van belang.

Veel te veel vergeten de voorstanders van het huwelijk in zijn bestaanden vorm, dat dit reeds om economische redenen zeer moeilijk is geworden. Tenzij man en vrouw beiden verdienen (met alle consequenties van dien, waarover we het thans niet zullen hebben) is het huwelijk voor den jongen man in de huidige omstandigheden uit economisch oogpunt al haast een onmogelijkheid geworden, althans een zeer moeilijk iets, waarvoor hij de verantwoordelijkheid nauwelijks aanvaarden kan. Daarbij komt, dat mocht het huwelijk scheef loopen, hij zich de zorg voor zijn gescheiden vrouw op den hals ziet geschoven, terwijl hij, gewend als hij eenmaal is aan het huwelijksleven, geneigd zal zijn een andere levenskameraad te zoeken en zich dus finantieel ten zeerste belemmerd zal voelen.

En hoeveel kansen tot mislukken biedt het huwelijk niet! Vroeger was dit anders, was het huwelijk in de eerste plaats een economische verbintenis en beteekende voor den jongen man de mogelijkheid om een zekere staat te voeren, voor het meisje een levenslange verzorging. Naar liefde werd weinig of niet gevraagd. „Die kwam wel vanzelf, als het huwelijk eenmaal gesloten was", zoo werd er geredeneerd. Een voor dien tijd stellig praktische oplossing, waarbij de wederzijdsche verzekering van een bepaalde positie de hoofdfactor was. Over het algemeen stelde men slechts aan de vrouw de eisch van het monogaam-zijn. Aan dit element voegde het romantische begin der 19de eeuw de factor „liefde" toe, zonder er zich van bewust te zijn, wat zij daar nu precies onder verstond. Zeer zeker was het erotische hierbij overwegend, al hechtte men reeds aan een zekere gelijkheid van inzicht. Dit laatste element ontwikkelde zich echter meer en meer in den loop der 19de eeuw en toen de feministen den nadruk legden op de gelijkwaardigheid van man en vrouw werd dit begrip overgebracht naar het huwelijk en ontstond het verlangen naar kameraadschap als derde élement om het huwelijk te volmaken.

En inderdaad, indien het huwelijk aan de drie hier genoemde factoren volkomen voldoet, kan men een dergelijke verbintenis niet hoog genoeg aanslaan. Maar in hoevele gevallen biedt het de volle honderd percent?

Nu zal men tegenwerpen, dat men ook wel met minder dan deze honderd procent kan volstaan, en zich maar wat moet zien te schikken naar elkaar. Het menschelijke hart is echter nu eenmaal zoo, dat het toch steeds de honderd percent verlangen blijft en zich anders te kort gedaan voelt. En uit dit gevoel van te kort gedaan worden ontstaat de wrevel en dan is de eerste schrede op het hellend vlak gezet. Mr. A. van Dullemen noemt het boek van het echtpaar Wibaut „gevaarlijk" voor het prestige onzer vereeniging, want hij meent, dat onze tegenstanders als gevolg van de sterke „ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid der vrouw" ons de crisis van het huwelijk zullen verwijten.

Ongetwijfeld zullen onze tegenstanders dit doen. Doch is dit zoo erg? Immers de sterke ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid der vrouw valt niet meer te stuiten en onze vereeniging is er voor om te zorgen dat dit inderdaad niet gebeurt.

Als consequenties dienen we dus „de crisis in het huwelijk" te aanvaarden en onze oogen voor dit feit te openen. Doch deze crisis dankt haar ontstaan aan zeer goede eigenschappen van den 20ste-eeuwschen mensch. Daar worden namelijk hoogere eischen gesteld, zoowel aan het geestelijke als aan het erotische element. Moeten wij dit soms niet toejuichen? Het wordt tijd dat onze vereeniging zich de voortschrijdende ontwikkelingsgang van het huwelijk bewust worde en zich stellig niet als tegenstandster hiervan verklaart.

Natuurlijk valt iedereen — en ook Mr. A. v. Dullemen — die het boek der Wibauts leest over „de vrije verloving" en de opvatting „dat in en tijdens het huwelijk een eventueele „derde" zal moeten worden geduld." Wat het eerste betreft, wanneer we in het oog houden, hoe moeilijk het huwlijk in de huidige omstandigheden geworden is voor jongelieden, die zich hun verantwoordelijkheid — ook jegens een eventueel kind — bewust zijn, dan zal men de oogen niet sluiten voor de „sexueele nood der jeugd". Een aantal schrijvers van naam hebben deze zaak onder de oogen gezien, wiji noemen hier slechts, naast de Wibauts, de Amerikaansche schrijvers Lindsey en Evans, die het proefhuwelijk voorstaan, waarbij, evenals bij de vrije verloving. aan de sexueele nood der jeugd tegemoet gekomen wordt, de mogelijkheid tot geestelijke kameraadschap wordt geschapen en geen economische verplichtingen nog op het jonge paar drukken.

De kwestie van de monogamie in het huwelijk is, evenals het begrip der gelijkwaardigheid, van jongen datum. Het is echter niet juist, dat het eene begrip het andere insluit. Tot voor kort nam men algemeen aan, dat de man polygaam, de vrouw monograam was aangelegd. Sinds dien is men deze zaken wel wat nader gaan beschouwen en heeft bevonden, dat de monogamie der vrouw een op traditie steunend verschijnsel, in wezen een economischen ondergrond heeft.

De man is niet geneigd te zorgen voor een vrouw, die hij niet ten volle de zijne kan noemen, of voor kinderen, aan wier vaderschap hij twijfelt. Het is usance geworden bij het goede huwelijk monogamie te veronderstellen. Men verlangt, dat eventueele polygame neigingen onderdrukt worden. Inderdaad is dit in sommige gevallen zeer goed mogelijk en in dat geval zal zulk een onderdrukking wellicht een gewin zijn voor het huwelijk. Stellig echter is dit niet altijd het geval. Wanneer door de onderdrukking wrevel of andere psychische (en physieke) complicaties ontstaan, kan men zeker niet van een gewin spreken. Niet juist is dan ook, wat Mr. v. Dullemen schrijft: „Waardeert de man zijn polygame neigingen hooger dan de geestelijk-lichamelijke eenheid, die hij met zijn vrouw heeft, overwinnen m.a.w. zijn polygame neigingen, dan breekt de eenheid en vervalt de grondslag van het huwelijk." Het huwelijk van geestelijk hoogstaande lieden biedt nog zeer goede kansen,