is toegevoegd aan je favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 9, 1938-1939, no 8, 15-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aldus wordt het belang van de staatsdienst achtergesteld bij de bestrijding van de werkeloosheid en wordt de afgestudeerde of gediplomeerde meisjes onrecht aangedaan, want onrecht lijden is het, bevoegd en bekwaam te zijn en zijn sollicitatie niet eens in behandeling te zien nemen, alleen omdat men meisje is.

De circulaire geeft aan, dat de verwijdering van meisjes, die ambtelijk aangesteld zijn, geleidelijk moet geschieden, maar dat men de arbeidscontractanten er wel direct uit kan zetten; aangezien de Staat de laatste jaren veel werkt met arbeidscontractanten, zou men denken, dat voormelde politiek, reeds bijna vijf jaren voortgezet, belangrijke resultaten heeft gehad en de regering de mannenwerkeloosheid op deze wijze flink bestreden heeft. Wat blijkt nu echter? Dat de Post de laatste tijd meer meisjes in dienst genomen heeft dan ooit te voren! Voor telegrafist neemt men meer meisjes in dienst dan vroeger en bij de giro is het aantal meisjes — zowel volstrekt als in verhouding — tot het aantal mannen sinds de beperking geweldig gestegen.

Hoe valt dit nu te rijmen met voormelde politiek? Dat komt doordat het hier betreft de specifiek vrouwelijke beroepen, zegt de minister. Hoe men specifiek vrouwelijk werk heeft kunnen zien in het zitten te telegraferen in de ongezellige ruimten van een groot postkantoor of afgebeuld te worden aan de reken- en boekhoudmachines bij de giro, is niet aanstonds duidelijk en er waren dan ook Kamerleden, die dat niet begrepen hadden en die vroegen, hoe het nu toch stond met de bestrijding van de werkeloosheid, aangezien er toch zeker ook werkeloosheid was onder kantoorbedienden en telegrafisten, althans onder jongens die in aanmerking kwamen daarvoor te worden opgeleid. Daarop heeft de minister geantwoord, dat het belang van het P.T.T. bedrijf vooropstaat en dat bij dat belang werkeloosheidsbestrijding op de achtergrond komt.

Dit is tenminste duidelijke taal, als de Staat als werkgever zijn voordeel ziet in het gebruik maken van de arbeidskracht van meisjes, dan is werkeloosheid van manlijke kantoorbedienden zo belangrijk niet meer, maar wanneer een meisje een beter betaalde en een maatschappelijk hogere betrekking verlangt, dan wordt dat verhinderd. Hierbij valt te bedenken, dat het aantal personen in de lagere betrekkingen het grootst is, zodat, wilde men werkelijk de mannenwerkloosheid bestrijden door de meisjes uit te sluiten, men dan juist zou moeten beginnen met de volkrijke lage rangen, want de enkele hogere baantjes zetten numeriek geen zoden aan de dijk.

Zo worden dus sinds 1934 de dochters van notarissen, burgemeesters, dominé's enz., die ge¬

studeerd hebben, uitgesloten van het werk, waarvoor ze bevoegd en bekwaam zijn, maar gaat de Staat in vermeld tempo voort met het aanstellen van meisjes in de lagere functies van zijn bedrijf, omdat hij daar geldelijk voordeel in ziet.

Onrecht jegens de vrouw en voor de Staat onwaardig opportunisme!

Het onrecht, door voormelde politiek teweeggebracht is hiermee nog niet volledig vermeld. De circulaire wordt behalve tegen de aanstelling ook gehanteerd tegen de bevordering van meisjes. Dit is natuurlijk helemaal grievend onrecht, want zo het al onrecht is, niet aangesteld te worden, als men de beste sollicitant is, veel erger en verdrietiger is het, als men een betrekking heeft en deze trouw en eerlijk vervult, niet bevorderd te worden bij voorkomende promoties en gepasseerd te worden door een man, die men als gelijke zelfs als mindere gehad heeft en die bij de promotie voorgetrokken is alleen maar omdat hij een man is. Met de bestrijding van de mannenwerkeloosheid heeft dit onrecht bovendien niets te maken, want het aantal meisjes, dat men in dienst heeft vermindert niet door het feit, dat men ze niet bevordert. In voormelde circulaire staat dan ook geenszins, dat deze ook de promotie wil verhinderen. Toch huldigt men op alle Departementen de opvatting, dat de bedoeling is: je mag zoveel meisjes aanstellen als je nodig hebt, als het maar in de lagere rangen is en als je maar zorgt, dat ze nimmer doordringen tot een bestuurlijke functie. Dit alles berust niet alleen op niets, maar het is volkomen in strijd met het positieve recht. De promotie van ambtenaren is immers geregeld in verschillende wetten, koninklijke besluiten en regelingen in het Georganiseerd Overleg tot stand gebracht. In deze bepalingen, waar een minister niet bij bevel of circulaire verandering in kan brengen, staat nergens, dat dit alles alleen geldt voor mannen.

Tot dusver was deze achterstelling bij promotie weliswaar bekend en tekende het Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid ook eenvoudig en openlijk in de Beknopte Leidraad bij Beroepskeuze voor meisjes bij verschillende functies aan, dat ook de opklimming voor meisjes ongunstig beïnvloed wordt door de circulaire, met zoveel woorden had de regering echter nog nooit gezegd, dat de gewone criteria voor promotie, te weten anciënniteit, bekwaamheid en ijver, niet golden voor meisjes. Thans echter heeft de Minister dit uitgesproken. In de Memorie van Antwoord richt hij zich tegen degenen, die van mening waren, dat de regering niet genoeg deed tegen de arbeid van meisjes, en die geklaagd hadden over het grote aantal meisjes bij de giro en hiertegen zegt de minister nu: heus heren, ik werk wel in die richting,