is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 10, 1939, no 1, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afgetreden secretaris Mr. van Dullemen, en deelt nog mede, dat een propaganda-commissie gevormd is, waardoor de beginselen van het Comité in breeder kring zullen worden bekend gemaakt.

De Presidente deelt mede, dat op verzoek van het H.B. Mr. Kappeyne een motie van protest tegen het Wetsontwerp-Goseling heeft opgesteld, waarvan de tekst aan de aanwezigen wordt uitgedeeld en door Mr. Kappeyne wordt toegelicht Deze merkt in de eerste plaats op dat de motie door tijdsgebrek nog niet in het H.B. behandeld kon worden. Het is onmogelijk een uitgebreid request, zooals het Comité voor een gemeensch. Actie tot Hervorming onzer Huwelijkswetgeving aan de Tweede Kamer zond, als motie te zenden. Ons protest moet beperkt zijn, want naar aanleiding van het wetsontwerp-Goseling kan niet voor verruiming van echtscheidingsgronden gepleit worden. Het protest kan dus alleen hier tegen gaan, dat het resultaat groote a-moreele tendenties wakker zou roepen.

De motie wordt urgent verklaard en in behandeling genomen. Bij de discussie blijkt, dat sommigen zich een motie hadden voorgesteld, waarin juist wel op een verbetering van de echtscheidings-wetgeving werd aangedrongen, terwijl anderen meer eenvoudige en populaire bewoordingen zouden wenschen, vooral met het oog op de publiceering in de pers.

De motie wordt aangenomen met enkele kleine redactie-wijzigingen, zooals door de vergadering aangegeven.

Wij laten hieronder de gewijzigde tekst volgen:

De Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap in jaarvergadering te Arnhem bijeen;

Overwegende; dat bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal een wetsontwerp aanhangig is tot wijziging van de wetsartikelen uit het Burgerlijk Wetboek, betrekking hebbende op de echtscheiding; dat dit wetsontwerp uitgaat van de gewraakte praktijk van het echtscheidingsproces, waarbij de regel, dat echtscheiding niet door onderling goedvinden kan worden verkregen, wordt ontdoken doordat één der partijen niet ten processe verschijnt en aldus het door de eischende partij gestelde bij gebrek aan tegenspraak als juist door den rechter wordt erkend; dat dit wetsontwerp deze praktijk tracht tegen te gaan door partijen, zoo de rechter zulks noodig oordeelt, te gelasten tot het geven van persoonlijke inlichtingen en eventueel ook tot bewijsvoering;

dat, bij de zeer beperkte gronden, op welke krachtens onze wetgeving echtscheiding kan

worden verkregen, het opwerpen van deze belemmeringen bij den veelal onwrikbaren wil van patijen tot echtscheiding, aanleiding moet geven tot leugenachtige procesvoering op veel ruimer en geraffineerder schaal dan thans, immers tot in bijzonderheden; dat mitsdien genoemd wetsontwerp, tot wet verheven, zijn doel voorbijstreeft, immers „in stede van verdere ontwrichting der christelijke grondslagen van ons volksleven te voorkomen", verdere aantasting der moraliteit zal stimuleeren;

Besluit mitsdien de Tweede Kamer der StatenGeneraal te verzoeken aan genoemd wetsontwerp hare goedkeuring te onthouden; En gaat over tot de orde van den dag.

Daar thans de verkiezingen voor het H.B. aan de orde zijn, wordt een commissie voor stemopname gevormd, bestaande uit Mr. Kappeyne v. d. Copello, Mevr. v. d. Molen-de Baan en Mej. Mr. Goedhart.

Na eenige discussies wordt het aantal H.B.leden met 94 tegen 56 stemmen vastgesteld op 12.

De stemming voor de H.B.-verkiezing had het volgende resultaat:

Mr. M. H. de Boer 148 stemmen

Mr. B. C. Goudsmit 148

Mej. Mr. N. S. Corrie Tendeloo 117 ,, Mevr. Mr. M. Witholt-Broese

v. Groenau 104 ,,

Mevr. Dr. W. H. Posthumus-

van der Goot 100

Mevr. L. Reneman-Scheers 93

Mevr. F. J. van Gelder-Droste 92

Mej. Dr. G. Andreae 57

Mevr. J. W. Huizenga-Huisman 29 „

Mr. Kappeyne deelt mede, dat, daar 7 candidaten een gewone meerderheid van stemmen behaalden en er slechts 6 plaatsen zijn een herstemming moet plaats vinden tusschen mevr. van Gelder-Droste en mevr. Reneman-Scheers. Bij de herstemming werd mevr. van GelderDroste gekozen met 92 tegen 56 stemmen.

Mej. Piepers, overgaande tot de verkiezing eener presidente, deelt mede, dat, waar tot haar spijt de afd. Eindhoven een brief tot alle afdeelingen heeft gericht ter aanbeveling van een candidate, zij thans ook de afd. Den Haag gelegenheid moet geven haar zienswijze tot uiting te brengen.

Mevr. v. d. Molen-de Baan leest de brief van de afdeeling Eindhoven voor, die in hoofdzaak tegen de verplaatsing van het Bureau gericht is. Mevr. Gorter (Den Haag) leest een brief voor, die wegens tijdsgebrek niet meer aan de afdeelingen verzonden had kunnen worden,