is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Nederlandsch-Indië, jrg 1, 1927, no 10, 01-09-1927

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Hollandsch-Inlandsche Scholen en had daarom het Nederlandsch als voertaal. Het schoolgeld voor de meisjes van die scholen was hoog. Raden Dewi stichtte geheel uit eigen middelen schooltjes voor Inlandsche meisjes, waar de landstaal, de voertaal was, en waar de leerlingen onderwijs kregen in lezen, schrijven en rekenen. Het schoolgeld was zeer gering. Het waren kleine gebouwtjes van bilik en hout, temidden van de kampongs van Bandoeng. Deze schooltjes bleken in een groote behoefte te voorzien, vooral omdat er ook langzamerhand sterk de nadruk werd gelegd op onderwijs in huishoudvakken.

Inlandsche ouders zijn zeer sterk tegen co-educatie, vooral de ouders uit de midden-klasse. Omdat het Gouvernement uitsluitend gemengde 2de klasse scholen stichtte, waren er heel veel meisjes om voornoemde reden van onderwijs verstoken. Wel werden er in den loop der tijden de z.g. „kopscholen" voor meisjes opgericht. De vrouwelijke leerlingen van de gemengde 2de klasse scholen gingen na het 3de schooljaar naar de kopscholen, maar deze scholen namen onvoldoende op, daar er op de gemengde scholen te weinig meisjesleerlingen waren, door dezelfde bezwaren der ouders tegen co-educatie.

Gedurende de vele volgende jaren breidde het aantal 2de klasse scholen speciaal voor meisjes in West Java zich sterk uit (van Midden en Oost Java ben ik niet op de hoogte). In Bandoeng, Bantam, Buitenzorg en Weltevreden werden door particuliere vereenigingen, meisjesscholen gesticht, die een zesjarigen cursus hebben. Men volgt het programma van een 2de klasse Inlandsche lagere school, d.w.z. de meisjes leeren er lezen, schrijven en rekenen in zeer voldoende mate, en verder geeft men er les in de huishoudelijke vakken en in het Nederlandsch. Dit laatste gebeurt vooral op aandringen van de Inlandsche ouders zelf, en natuurlijk is dit onderwijs zeer elementair. De meisjes kunnen, als ze van deze scholen afkomen, naar de Centraal Burgerlijke Ziekeninrichtign (C. B. Z.) gaan en leerlingverpleegster worden of de normaalscholen voor Inlandsche onderwijzeressen volgen, b.v. de bekende Van Deventernormaalschool te Bandoeng. Zij zijn dus in staat gesteld door deze eenvoudige schooltjes, waar les gegeven wordt door goedkoope Inlandsche onderwijzeresjes in de meest practische vakken, om hun eigen brood te verdienen. En bovendien zullen de leerlingen zoo oneindig meer waard zijn in hun eigen omgeving. Ze leeren goed naaien en knippen, verder zindelijk koken, wasschen en keurig strijken. Te weinig wordt m.i. op deze scholen nog gedaan aan vakken als: kinderverzorging, hygiëne e.d. In de naaste toekomst wil men juist bij deze leerlingen trachten het begrip omtrent deze zoo nuttige en noodige vakken te vergrooten.

Waar vroeger dus een groot aantal leergierige meisjes analphabeet was, worden nu de klassen dier scholen gevuld, door een, hoewel percentsgewijs nog gering aantal jonge toekomstige vrouwen en moeders.

Als bewijs van den grooten toeloop, die deze scholen hebben, diene het volgende. Toen op 12 April j.1. door de Vereeniging Bataviasche Kartinischool een eerste klasse geopend werd van de 2de klasse Inlandsche meisjesschool op Senen, genaamd Kamadjoean Istri school, door het Gouvernement aan de Vereeniging afgestaan, was het aantal leerlingen voor die eerste klasse 80, waarvan natuurlijk 35 afgewezen moesten worden.

Ik kan niet nalaten te eindigen met het uiten van mijn hartgrondigen wensch dat er heel veel van deze nuttige, eenvoudige schooltjes zullen verrijzen, tot heil van onze mede-vrouwen in Indië.

C. S.

KINDERHUWELIJKEN

In de memorie van antwoord op het afdeelingsverslag van den Volksraad over de IVe af deeling der begrooting is verklaard: „De huwelijksregeling beoogt uitsluitend orde en regel in het familieleven te waarborgen en laat zich niet in met de leer van den Islam. Verband met den godsdienst houden de bestaande regelingen slechts in zooverre, dat de sluiting en ontbinding van huwelijken bij de Mohamedanen aan voorschriften zijn gebonden, welke uit godsdienstige bronnen zijn afgeleid. Het toezicht of de leiding, die de huwelijksluiters geven is geen inzegening; hun ambt heeft geen geestelijk karakter.

Het gaat nu om de kinderhuwelijken in de inlandsche maatschappij. Vaak worden kinderen van 8 jaar uitgehuwelijkt, en nu is het waar, dat zij dan nog in het ouderhuis blijven totdat zij volwassen" zijn, maar dat „volwassen worden" kan op het 9e, het 10e jaar plaats hebben, en ieder onzer weet, dat een kind dan nog niet rijp is om te huwen. Reeds lang heeft men op deze instelling het oog gevestigd, ook de Regeering, en juist dezer dagen staat ze midden in de belangstelling, omdat er bij het onderzoek naar de rijpheid dier kinderen de ergerlijkste misbruiken hebben plaats gehad, z.a. betastingen van het kind.

Ik weet niet, hoe onze vereeniging tegenover dit vraagstuk staat, maar als vrouw en als moeder voel ik mij verplicht, en zeker vele vrouwen met mij, om te protesteeren tegen het instandhouden van eene instelling, die menschonteerend is.

Toen een dertig jaar geleden van Deventer zijn Eereschuld schreef, ging er een trilling door het land: het ging toen om 40 millioen guldens — men was te kort geschoten, het publiek geweten werd wakker. - Nu, zoovele jaren later hebben wij, Nederlanders, een veel grootere Eercschuld af te doen aan Indië. Het gaat nu om een stuk beschaving: het gaat nu om al die jonge kinders, die misbruikt worden. Omdat godsdienst en adat zich niet rechtstreeks daartegen verzetten, is dat nog geen reden, dat kwaad te laten voortwoekeren. In deze ruim 40 a 50 jaren, dat wij bewust regeeren, d.w.z. dat wij ons bewust zijn van onze zedelijke verplichting om dit land te besturen ten bate van dit land, had het begrip gerijpt moeten zijn, dat, wat in ieder beschaafd land misdadig is, ook hier niet mag geduld worden.

Waarom verbiedt men den wilde zijn naaste te snellen of op te eten? Zijn opvattingen, al zijn ze heidensch, laten dat ook toe. Onze beschaving echter kon dat niet toelaten. Wij verboden het dus, èn ten rechte. Maar mogen, ja moeten wij dan niet verbieden, dat het kind verkracht wordt onder het mom van een door den godsdienst beschermd huwelijk? Heeft onze beschaving hier geen eereschidd af te doen? Waartoe dienen al de hoogescholen, die hier gesticht worden als ze toch maar uiterlijke beschaving brengen en het innerlijk daaraan zoo weinig deel heeft, dat gebruiken als deze maar gehandhaafd blijven ?

Wij, Nederlanders, hebben hier een taak, zoowel de mannen als de vrouwen. Door ons protest, zoo openlijk mogelijk te uiten, moeten wij toonen, dat wij niet mede wenschen te sanctionneeren hetgeen niet mag blijven bestaan.

M. STIBBE — KNOCH.