is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Nederlandsch-Indië, jrg 4, 1929-1930, no 4, 16-01-1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steunen waar dit noodig is, om te zorgen, dat haar belangen even goed behartigd werden als die van de mannen;

dan zou ik mij de moeite geven om eens na te gaan, waarom door die zwakkeren onder Gods schepselen over de geheele wereld zooveel leed, zooveel onrecht wordt geleden;

dan zou ik weldra ontdekt hebben, dat de wetten, zoowel de geschreven als de ongeschreven, daarvan de oorzaak waren;

dan zou ik bij eenig nadenken moeten toegeven, dat dit bezwaarlijk anders had kunnen zijn, omdat die wetten, ook die, welke ingrijpen in het leven van de vrouw en in het huisgezin, wat door alle eeuwen heen haar terrein was, zonder haar medewerking tot stand zijn gekomen, doch alleen door mannen werden

samengesteld en dus eenzijdig zijn.

Was het niet Mr. B. D. H. Teilegen, hoogleeraar te Groningen, die in zijn brochure „de Toekomst der vrouw" in 1870 schreef, dat ons B.W. inhield „een reeks van rechten voor den man, een reeks van plichten voor de vrouw".

En schreef Mr. Fokker in 1896 niet in zijn brochure „de Maatschappelijke en de rechtstoestand van de Vrouw", „dat die toestand inderdaad onhoudbaar is en een beschaafde natie onwaardig?"

En sedert is hij onveranderd gebleven.

Als ik een man was, dan zou ik, evenals deze autoriteiten op juridisch gebied, de onvolmaaktheid van dezen arbeid van de mannen -öar.rne erkennen en al het mogelijke doen om de fout te herstellen, door aan te dringen op wijziging der bestaande wetten en door aan de vrouw medezeggingschap te geven, opdat zijzelve daaraan kan medewerken en voorkomen, dat er nieuwe onbillijkheden tegen haar worden gepleegd.

Als ik een man was, dan zou ik me zonder twijfel afvragen, waarom niet alle mannen zooals ik ruiterlijk willen toegeven, dat het B.W. tal van grievende, vernederende en onbillijke bepalingen bevat ten opzichte van de vrouw en dat, indien zij aan de samenstelling daarvan een aandeel had gehad, het geheel anders en rechtvaardiger zou geweest zijn.

Geen enkele vrouw zou hebben medegewerkt aan de tot stand koming van een wet,

die haar in het huwelijk tot een volkomen onmondige maakt;

die haar alle rechten op haar kinderen ontneemt, om die te leggen in handen van den man;

die de vrouw in het huwelijk alle medezeggingschap over de goederen van de gemeenschap ontzegt, terwijl zij aan den man het recht geeft, om daarover geheel naar willekeur te beschikken, zoodat hij ze kan wegschenken, verpanden, verkoopen, verspeculeeren, enz., terwijl de vrouw slechts een schijntje krijgt voor de kinderen en de huishouding;

die de vrouw, zelfs indien ze met Huwelijksche voorwaarden getrouwd is en eigen beheer over haar vermogen heeft bedongen, de beschikking over dat vermogen alleen geeft als zij de machtiging daartoe van haar man heeft ontvangen;

die de gehuwde vrouw verbiedt eenige rechtsgeldige handeling te verrichten of een rechtsgeldige overeenkomst te sluiten zonder bijstand van haren man, al heeft ze vóór het huwelijk aan het hoofd gestaan van een bedrijf of zaak en getoond voor deze taak volkomen berekend te zijn;

die den man het recht geeft om, indien zijn vrouw betaalden arbeid verricht, haar loon in haar plaats van den werkgever op te eischen en ten zijnen bate te besteden; want de wet zegt immers, dat de vrouw niet gerechtigd is zonder machtiging van haar man betaling te ontvangen of daarvoor kwijting te geven;

die het onderzoek naar het vaderschap verbiedt, waardoor de man niet kan worden verplicht bij te dragen tot de opvoedingskosten van het door hem verwekte kind, zoodat de vrouw — de economisch zwakkere — daarvoor alleen te zorgen heeft.

Als ik een man was, dan zou ik het mij tot een verwijt maken, dat ik, de sterkere en de meest bevoorrechte, nooit één poging had gedaan om de vrouw uit haar afhankelijke positie te verlossen;

dat ik er nooit over gedacht heb, haar een waardiger plaats in de maatschappij toe te kennen dan die van de afhankelijke van den man;

dat ik nooit heb willen begrijpen, dat het geluk en de welvaart van de gemeenschap, dus ook van den Staat, nauw verband houdt met de welvaart en het geluk van het huisgezin;

dat dit weer beïnvloed wordt door de positie, die de vrouw daarin inneemt, de vrouw als opvoedster van den jongen mensch, den drager van de toekomst.

Maar dit alles eenmaal inziende, zou ik de vrouw dan ook een plaats willen geven naast den man, opdat zij samen kunnen arbeiden aan den bloei van onze i;og zoo onvolmaakte maatschappij, als twee gelijkberechtigde en gelijkwaardige menschen, beiden met evenveel verantwoordelijkheid.

Zóó zou ik doen, als ik een man was.

Een vrouw.

VROUWENKIESRECHT IN FRANKRIJK.

Een beroep op den premier.

Mevrouw Maria Vérone, de bekende presidente van den Franschen Bond voor het recht der vrouwen, heeft volgens de N. R. Crt. een open brief gericht tot Tardieu, den ministerpresident. Zij zegt daarin, dat Tardieu met de in de regeeringsverklaring gedane, toezeggingen op allerlei gebied getracht heeft het iedereen naar den zin te maken en erkent, dat Tardieu daarin voor een groot deel is geslaagd. Maar,