is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad van de Nederlandsch-Indische vereeniging voor vrouwenbelangen en gelijk staatsburgerschap, jrg 10, 1938, no 5, 01-05-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ONTWIKKELING VAN DEN ARBEID DER GEHUWDE VROUW

De wetsvoorstellen van Minister Romme betreffende den arbeid der gehuwde vrouw, hebben heel wat pennen in beweging gebracht en heel wat stof doen opwaaien in Nederland.

In „Vrije Geluiden" vinden wij onder bovenstaanden titel: „De ontwikkeling van den arbeid der gehuwde vrouw", een artikel van Mejuffrouw Mr. N. S. Corry Tendeloo, waaraan wij het volgende ontleenen, dat duidelijk aantoont hoe in den ouden tijd door de gehuwde vrouw reeds veel loonarbeid buitenshuis verricht werd en dit geen verschijnsel is van de laatste tijden, zooals men weieens wil doen voorkomen, maar dat wel van dezen tijd is, dat men om economische redenen zelfs de vrouw de kleine, slecht betaalde baantjes, waar vroeger in beter tijden de man geen prijs op stelde, wil ontnemen, om ze te geven aan den man.

„Wij allen kennen, zoo schrijft zij, uit de historie vrouwen, wier namen wegens bijzondere gaven en prestaties naast die van vooraanstaande mannen zijn bewaard gebleven, zooals die van Aspasia en Cleopatra, die deelnamen aan de binnen- en buitenlandsche politiek ; van Anna Maria Schuurma.i. die op verzoek van Prof. Voet te Utrecht zijn colleges volgde, geleerde theologische verhandelingen schreef en behalve Latijn en Grieksch, Hebreeuwsch, Syrisch en Arabisch kende; van Roemer Visscher en Tesschelschadle, de dames uit den Muiderkring en van vele anderen meer.

Wij kennen daarnaast niet de namen van al die millioenen vrouwen die gearbeid hebben in haar huis en hof, in het bedrijf van haren echtgenoot. Honderden millioenen van zwijgende figuiren, die niéttemin haap* aandeel hebben bijgedragen aan den opbouw van onze maatschappij.

Tegen dit soort arbeid is nimmer bezwaar gemaakt; men noemde dit niet vrouwenarbeid, hoe zwaar die soms ook moge zijn geweest, xiic-.ar : „de natuurlijke taak van de vrouw in haar gezin".

Maar ook buiten het gezin hebben vrouwen altijd gearbeid, zoowel in de Middeleeuwen als in den lateren tijd.

Ter gelegenheid van de Tentoonstel¬

ling „De Vrouw 1813 — 1913" is door het sub-comité voor handel en industrie een boekje samengesteld : „Vrouwenarbeid voor 100 jaar", waarin gegevens gepubliceerd zijn omtrent den vrouwenarbeid in de periode 1790 — 1820.

Daaruit blijkt, dat in Leiden in het jaar 1795 reeds ongeveer 1000 vrouwen loonarbeid verrichtten, waarvan ongeveer 80 weduwen en gehuwde vrouwen waren.

In vrijwel alle beroepen vindt men ze: zelfs ook als schoenmaakster, goudsmeedster, loodgietster, schoorsteenveegster, bestelster, baardscheerster en apotheekster; ook zeer zware beroepen werden door vrouwen uitgeoefend. Hoe zouden wij op het oogenblik staan tegenover een steenbikstcr, pakkendraagster, scheepmaakster, pannebakster, straatveegster, reederes en vrouwelijke smid ?

Verreweg het grootste deel is koopvrouw in alles en nog wat, van leer en haring af tot mosterd en behangselpapier toe.

Ook in Rotterdam, Utrecht, Haarlem, Leeuwarden en Groningen werd in dat jaar een telling gehouden, die een totaal opleverde van bijna 12000 werkende vrouwen. Uit deze telling blijkt, dat behalve in de fabrieksstad Leiden, het meerendeel der vrouwen werkte in handel en verkeer.

In Leiden werd reeds in 1585 zco'n telling gehouden, waaruit bleek dat op elke 2 mannen 1 vrouw werkte, zoodat daar toen reeds een derde deel der arbeidende bevolking uit vrouwen bestond.

Blijkens de laatste volkstelling van 1930 is dat gedeelte nu 24% of een kwart!!!

Men ziet, dat degene, die denkt een stijgende lijn te zien in de getallen der werkende vrouwen en beweert, dat de vrouwenarbeid is toegenomen, een greep uit de lucht doet.

Zeer vele vrouwen vonden ook werk in de bleekerijen, die vooral bloeiden rondom Haarlem. Dr. S. C. Regtdoorzee Greup vertelt in haar dissertatie „Geschiedenis der Haarlemmer Bleekerijen", Amsterdam 1936, dat op een normale lijnwaadbleekerij in de 15de eeuw 40 meiden tegenover 10 knechts noodig waren. Bij de techniek van het garenbleeken waren echter meer knechts dan meiden.