is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 4, 1909, no 11, 30-11-1909

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarin van hunne werkkrachten het meest wordt gevofderd, worden de plaatselijk hoogste loonen verdiend. Deze verdiensten zijn voor het gezin nog belangrijker, wanneer meer leden daarvan aan het werk deelnemen, zooals b.v. geschiedt bij de eikschillers. Loonarbeid in Duitschland wordt naar den aard van het werk verschillend betaald. De Belgen, die gedurende den drukken tijd in vrij grooten getale in de zuidelijke grensprovinciën alsmede in Zuid-en Noord-Holland komen arbeiden, verdienen de plaatselijke loonen. Het dagloon van landarbeiders op de suikerfabrieken bedraagt van f 1,20 tot f3,30; in de aardappelmeelfabrieken van f 1,10 tot f250. Op de steenfabrieken verdienen zij van f 1 tot 2,50, op de cichoreifabrieken van f2 tot f2,50 daags. Het uurloon wisselt van f0,07 tot f 0,21. Met het stroo- en hooipersen kan tot f 2 per dag verdiend worden. Het dagloon van dijkwerkers wisselt van f 1 tot f2,50 a f 3, en dat van havenarbeiders van f 1 tot f 3, zelfs f 5. De fabrieksarbeid wordt gewoonlijk hooger betaald dan de landarbeid.

Vrijwel zonder uitzondering zijn de loonen in de laatste jaren gestegen. Deze stijging is meestal voorafgegaan door een daling, welke intrad met de laatste landbouwcrisis. De opgaven van de loonen vóór deze crisis zijn soms zóó gebrekkig, dat voor het geheele land een vergelijkend overzicht niet is te maken. Evenwel blijkt uit de opgaven, dat de grootste loonsverschillen zijn voorgekomen in de bouwstreken, die het meest van de crisis te lijden hebben gehad, en dat in de streken, waar zij minder werd gevoeld, een geringere en meer geleidelijke daling en rijzing der loonen heeft plaats gehad Dit laatste heeft zich voornamelijk voorgedaan in de veehouderij- en zandstreken. De stijging is vooral in de laatste vijf jaren het sterkst geweest en heeft de voorafgaande daling overtroffen, zoodat de loonen over het algemeen thans hooger zijn dan bij den aanvang der crisis. Als algemeene oorzaken der rijzing worden opgegeven : 1. vermindering van het aanbod van werkkrachten door de toeneming van het eigen bedrijf der arbeiders, door den trek naar de steden, de fabrieken en het buitenland en door het wegblijven der Duitsche arbeiders; 2. vermeerdering van de vraag naar werkkrachten door de toenemende intensiteit en rentabiliteit van het bedrijf en de uitbreiding der ontginning van woeste gronden. Ook worden nog als oorzaken der loonstijging genoemd : de toeneming van het grondgebruik der arbeiders in verband met de versterking hunner economische positie, waardoor zij hun eischen meer kunnen doen gelden, alsmede in sommige streken de organisatie der arbeiders. Het sterkst zijn de loonen der mannelijke en vrouwelijke inwonende dienstboden verhoogd.

Omtrent de andere inkomsten der landbouwers dan loonen bevat het verslag de volgende algemeene opmerkingen. Het verschijnsel, dat de arbeiders voor eigen rekening het land- of tuinbouwbedrijf uitoefenen, doet zich over het geheele land in meerdere of mindere mate voor. Van geringe beteekenis is het o.a. in de Greidstreek van Friesland en in het Westland. Ten opzichte van de uitoefening van het landbouwbedrijf treden in hoofdzaak drie typen op den voorgrond : 1". de arbeiders, die een betrekkelijk klein stukje tuingrond voor eigen gebruik betelen; 2°. in sommige klei- en tuinbouwstreken wordt door arbeiders vrij veelvuldig bouwland gepacht, om daarop hoofdzakelijk enkele handelsgewassen voor de markt te telen ; 3°. in de zandstreken vooral hebben zeer vele arbeiders een meer volledig landbouwbedrijfje, waar allerlei gewassen worden geteelt en allerlei soorten van vee worden gehouden. Bij deze bedrijven treedt naast de voortbrenging voor eigen gebruik ook die voor den verkoop, inzonderheid der dierlijke producten, op den voorgrond. Door de oprichting der zuivelfabrieken is de arbeider, die één of meer koeien heeft, in staat meer geld van de melk te maken en bovendien de producten, die hem worden teruggegeven, te gebruiken.

De inkomsten, verkregen uit huisnijverheid en uit anderen hoofde, zijn van zeer weinig beteekenis en worden in den regel slechts door enkele personen plaatselijk getrokken. Vroeger was de huisnijverheid een belangrijke bron van bestaan in verschillende streken, vooral Drenthe, Twenthe, den achterhoek van Gelderland, de Veluwe, maar tegenwoordig is zij ook daar van weinig belang. Als oorzaken van dezen achteruitgang moeten genoemd worden: a. de concurrentie met de grootindustrie, waardoor de verdiensten steeds dalen; b. de grootere welvaart op het platteland, die in het leven geroepen wordt door minder werkloosheid en stijging der loonen. Het eigen bedrijfje geeft den arbeider en ook vrouw en kinderen veel werk. Men wil zich met de lage inkomsten, die door huisindustrie worden verkregen, niet meer tevreden stellen. Met klompen- en mandenmaken kan nog een vrij goed daggeld worden verdiend. Men doet het bijna uitsluitend in tijden van werkloosheid. In sommige streken der provincie Utrecht worden boomgaarden