is toegevoegd aan je favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 20, 1925, no 1, 28-02-1925

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1924 de Directie voor Sociale Zaken liaar meening geuit, welke in hoofdzaak op het volgende neerkomt.

In afwijking van het advies der commissie wil de Directie het beginsel van gelijk loon voor gelijken arbeid ook in de uit te betalen salarissen in praktijk brengen. De redenen, welke door de commissie daartegen werden aangevoerd (ziekte en mindere werkkracht der vrouwen), wil de Directie krachteloos maken door strengere regels bij de aanstelling der ambtenaren toe te passen, wat niet slechts niet het oog op de vrouwelijke ambtenaren -maar in het algemeen gewenscht is. Na een proeftijd zouden de minder geschikte krachten ontslagen moeten worden, wat thans slechts bij uitzondering geschiedt. Betaling zou moeten plaats vinden naar den aard van het werk en de prestatie. Op die manier wordt het mogelijk de meest geschikte en daardoor op den duur de goedkoopste arbeidskrachten in dienst te krijgen, hetzij man of vrouw, kostwinner of niet-kostwinner. Bevordering van het familieleven door kinder-toeslagen zou volgens de Directie liever moeten geschieden op een wijze, welke aan het gehoele volk ten goede komt en niet speciaal bij de salarieering der ambtenaren moeten worden betracht. Bij de bevordering zou rekening gehouden kunnen worden met het aantal ziektedagen — dat mogelijk bij de vrouwen grooter is dan bij de mannen — volgens de gezonde principes der vrije concurrentie. Werden vrouwen voor denzelfden arbeid lager bezoldigd, dan zou spoedig in hoofdzaak tot aanstelling van vrouwelijke ambtenaren worden overgegaan, uitsluitend om het financieele voordeel, wat niet in het werkelijk belang van den Staatsdienst is.

Met het voorstel der commissie om voorloopig — totdat omtrent het arbeidsvermogen van vrouwen op gevorderden leeftijd meer gegevens beschikbaar zijn — den pensioengerechtigden leeftijd voor vrouwelijke ambtenaren vast te stellen op 64 jaar (mannelijke 67 jaar), gaat de Directie accoord, hoewel op den duur waarschijnlijk wenschelijk zal blijken bij de pensionneering rekening te houden met den aard van het werk en de "•czondheid van het individu zonder een algemeene regeling voor allen toe te passen.

In een bijlage wijs^t de Directie er op, dat te weinig materiaal beschikbaar is betreffende ziekte en arbeidsprestatie van mannen en vrouwen om een gegronde gevolgtrekking te maken. Zij geeft een overzicht van de arbeidsprestatie van mannelijke en vrouwelijke leerlingen in een school voor machineschrijven en stenographie te Stockholm, waaruit blijkt, dat van mindere arbeidsprestatie der vrouwelijke leerlingen nauwelijks sprake kan zijn. Voorts wordt een vergelijking gemaakt tusschen de loonen op de vrije arbeidsmarkt verdiend door mannen en door vrouwen, waaruit blijkt, dat vrouwen bij routine-arbeid ± 3U, bij meer verantwoordelijk werk ± /3 van het loo-n der mannen krijgen en dat het toonverschil met het stijgen van den leeftijd daalt. De Directie wijst er op. dat het verschil vooral ontstaat, doordat aan vrouwen veelal minder verantwoordelijk werk wordt opgedragen, zoodat haar de gelegenheid ontbreekt om te toonen wat zij zouden kunnen presteeren. Ten slotte wordt een overzicht gegeven van de pensioengerechtigde leeftijden voor mannelijk en vrouwelijk personeel bij verschillende groote banken en verzekeringsmaatschappijen.

Arbeidersbescherming

(Protection ouvrière.)

Zuid-Slavië.

(Le Royaame des Serbes, Croathes et Slovènes.)

De arbeidsduur.

(La durée du travail.)

Door de onlangs afgetreden Regeering van Zuid-Slavië werd op 14 October 1924 een viertal verordeningen afgekondigd, tot regeling van den arbeidsduur in liandelsen nijverheidsondernemingen en in bedrijven, waar geen machinale arbeid verricht wordt. Tot het treffen van deze en dergelijke maatregelen is de Minister van Sociale Zaken bevoegd, hetzij op grond van de wet van 28 Februari 1922 waarin de beschciming der arbeiders geregeld is en als norm is aangenomen een 8-urige arbeidsdag ot 48-urige arbeidsweek voor industrieele ondernemingen en de mijnen en een 8 10-urigo arbeidsdag voor andere ondernemingen en bedrijven — of krachtens de op grond van deze wet gegeven algemeene voorschriften. Bovengenoemde vier verordeningen komen

op het volgende neer.

a. De arbeidsduur in niet machinaal voortbewogen bedrijven zal ten hoogste 1U uur per dag of 60 uur per week bedragen, behalve o.m. in smederijen, drukkerijen, waarvoor aan een norm van 48 uur per week is vastgehouden, bedrijven voor houtbewerking enz., waar per week hoogstens 54 uur en per dag hoogstens 9 uur arbeid verricht mag worden.

b. In de tweede verordening worden voorschriften gegeven, op welke uren gedurende de werkdagen de winkels geopend mogen zijn, terwijl tevens bepaald is, dat deze op aangegeven vacantie- en feestdagen gesloten moeten blijven.

I) The Mini9try of Labour Gazette, Ducember 1924.