is toegevoegd aan je favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 20, 1925, no 2, 28-03-1925

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

damsche haven was in die maand meer dan het dubbele van dien in dezelfde maand van het vorige jaar. De inklaring van het 10 000ste schip op Rotterdam in het laatst van December is eene aanwijzing, dat het verkeer op die haven weder op het peil van vóór den oorlog begint te komen. Er dient echter rekening mede te worden gehouden, dat vele schepen leeg aankomen, om repaiatiekolen te halen en dat er minder stukgoed wordt aangevoerd; ook de ertsaanvoer is nog niet op het peil van 1913 teruggekomen.

In de Amsterdamsche haven deed zich wel eene belangrijke vermeerdei mg van aantal en tonnenmaat der aangekomen en vertrokken Rijnschepen voor. maar de ontwikkeling van de zeescheepvaart, welke te Amsterdam meer op het Mijnbedrijf is aangewezen, was in vergelijking van het vorige jaar, tenminste wat het aantal ingekomen schepen betreft, minder bevredigend.

De in- en uitklaringen te Lobith ondergingen uit den aard der zaak in sterke mate den invloed van de opleving in de Rijnvaart als gevolg van de opheffing der Roerbezetting: de inhoud der geladen schepen steeg bij de inklaringen van 6,1 millioen ton in 1923 tot 22,3 millioen in 1924 (in het vierde kwartaal dezer jaren van 2,2 millioen tot 5,9 millioen ton) en bij de uitklaringen ontstond eene vermeerdering van 8,5 millioen ton tot 13,9 millioen ton (in het vierde kwartaal van 2,4 tot 4,5 millioen ton).

In het vorige overzicht werd reeds melding gemaakt van de verlevendiging in de zeescheepvaart als gevolg- van de belangrijke graanverschepingen van de Anierikaansche havens naar Europa. Hierop is echter eene reactie gevolgd, toen de Anierikaansche voorraden ten gevolge van dien uitvoer belangrijk verminderd waren, de graanprijzen sterk stegen en aan de meest dringende vraag ^ an de Europeesche landen was voldaan. Terwijl de Amerikaansche vaart dus weder ongunstiger vooruitzichten opleverde, trok die op Australië, waar een overvloedige oogst werd verkregen, weder meer de aandacht.

Het nog steeds de vrachtprijzen drukkende teveel aan tonnage werd nog ongunstig beïnvloed, doordat tijdens de periode van verlevendiging tal van opgelegde schepen in de vaart zijn gekomen. Voor ons land bedroeg het aantal opgelegde zeeschepen, bij berekening van een gemiddelde uit de cijfers betreffende den lsten van elk der in het jaar (resp. kwartaal) voorkomende maanden, over het jaar 1923 54 met een bruto-inhoud van 254 000 registertonnen en over het jaar 1924 16 metende (bruto) 90 000 registertonnen, terwijl in het laatste kwartaal dezer jaren gemiddeld resp. 49 en 8 opgelegde schepen (bruto-inhoud resp. 271000 en 37 000 registertonnen) werden geteld.

In de spoorwegontvangsten trad in liet 4e kwartaal 1924 (totaalopbreiig'st } 39,5 millioen w.o. aan goederen enz. f 20,3 millioen tegenover f 39,3 millioen 111 het 4e kwartaal 1923, w.o. aan goederen enz. f 19,4 millioen) geen noemenswaardige verbetering' in. Ook de geheele jaarperiode 1924 komt met een totale opbrengst van f 166,8 millioen (w.o. aan goederen f 77,5 millioen) slechts weinig' boven de voorgaande (in 1923 totale opbrengst f 162,1 millioen, w.o. aan goederen enz. f 74 millioen) uit. .

Wat liet luchtverkeer betreft, mag niet onvermeld blijven de Holland-In die \ 'ht, nieuwe perspectieven voor het snelverkeer met den Indisehen

Archipel heeft geopend.

De Staatscommissie, ingesteld bij Koninklijk Besluit van 7 Januari 1921 in zake den aanleg van een verbeterden scheepvaartweg van Amsterdam naai den Boven-Rijn bracht Verslag uit. De Commissie kwam daarbij tot de collusie, dat de waterverbinding met het zoo belangrijke Duitsche achterland ^ eel te wensclien overlaat. Zij was van oordeel, dat de aanleg van een kanaal, ■oopende van Amsterdam over Utrecht en Wijk-bij-Duurstede naar Tiel de este wijze was, waarop een verbeterde scheepvaartweg van Amsterdam naai

11 Boven-Rijn zoo spoedig doenlijk kon worden tot stand gebracht. Daarnaast, derhalve als aanvullend werk, beval de Commissie aan de uitvoering van de nadere normaliseering van den Neder-Rijn en de Lek.

v oorts is verschenen het eerste verslag van de Staatscommissie voor het vervoer-vraagstuk, welke tot opdracht had te onderzoeken, of en in hoever maatregelen noodig zijn om te bevorderen, dat de land- en waterwegen en de sPoor- en intercommunale tramwegen op de meest economische wijze dienstbaar -worden gemaakt aan liet vervoer van reizigers en goederen. Aangezien nkele onderdeelen van het vervoervraagstuk zeer actueel zijn en eene spoedige nsschenkomst van den wetgever vereischen, heeft de Commissie eerst haie a<mdaph£ aati die onderdeelen gewijd en daarover thans reeds een afzonderlijk