is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 20, 1925, no 2, 28-03-1925

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

invoer van goedkoopere Engelsche petten). Daarnaast stonden echter rapporten die over het algemeen vrijwel voldoende werk of zelfs iets meer dan dat aanwezen, behoudens tijdelijke inzinkingen in verband met het seizoen (b.v. in December hier en daar sterke achteruitgang).

Reiniging. De toestand der wasch- en strijkinrichtingen bleef nadeelig beïnvloed door verschillende factoren, waaronder, naast de bezuiniging van het publiek, vooral de scherpe concurrentie van de huisindustrie genoemd moet worden. Terwijl een deel der fabrieken, afgezien van seizoeninvloeden, over het geheel vrijwel voldoende werk had, was er daarentegen in menige andere onderneming (w.o. in de groote steden) niet genoeg werk voor de normale capaciteit. Te wijzen valt op een groote onderlinge concurrentie en een streven bij de patroons om door tariefsverlaging tot meer werk te komen. In de rapporten uit Amsterdam werd vooral ook geklaagd over de concurrentie van de z.g. buitenwasscherijen (welke minder bedrijfslasten hebben); voorts werd in deze plaats veel actie gevoerd tegen de Gemeentelijke waschinrichting aldaar.

Het niet zelden voorkomend gebrek aan geschoold of bruikbaar personeel (b.v. strijksters) heeft in de laatste jaren geleid tot zooveel mogelijke uitbreiding van den machinalen arbeid.

In de chemische wasscherijen en stof fenververijen trad zoowel de voorjaars- als de najaarsverlevendiging vroeger in dan gewoonlijk en ook was er overwegend meer werk dan verleden jaar. De seizoen(zomeren winter-) slapte o. a. gepaard gaande met inkorting van' arbeidsduur, was dan ook van minder beteekenis dan toenmaals. Intusschen werd gewezen op de vooral in den lateren tijd ondervonden concurrentie van inrichtingen, die zich chemische wasscherij noemen, zonder het feitelijk te zijn. Van geschoolde werkkrachten, welke steeds plaatsing konden vinden, was over het algemeen zoo goed als geen aanbod, mede door den terugkeer van vele Duitschers naar hun land.

Lederindustrie. In de opleving der schoenenindustrie, in de laatste helft van 1923 begonnen, kwam in het midden van 1924 een zekere kentering, welke grootendeels werd toegeschreven aan het vervallen der bepalingen tot beperking van den invoer, terwijl ook het seizoen van invloed was. In een aantal fajbrieken werd overgegaan tot inkorting van den werktijd. Voorts kwamen er, in het bijzonder in sommige plaatsen, ook wel geheel werkloozen, maar over het geheele bedrijf omgeslagen was hun aantal niet van veel beteekenis. Onder de in het afgeloopen jaar ontvangen rapporten waren er ook wel sommige, welke een zeker tekort aan geschoold personeel aanwezen. Wat overigens den bedrijfstoestand in de laatste maanden van het jaar betreft, luidden de berichten nogal uiteenloopend. Eenerzijds werd melding gemaakt van een vrij groote slapte wegens het traag inkomen van voorJaarsorders (in verband met het buiten werking stellen der bovenbedoelde bepalingen hoopten de winkeliers te zijner tijd op voordeelige wijze van het buitenland te betrekken), ofschoon dit niet heeft geleid tot een evenredige stijging der werkloosheid, doordat menige fabriek ook zonder voldoende orders '}are arbeiders aan den gang hield. Anderzijds werd medegedeeld, dat de voorjaarsorders buiten verwachting meevielen, dat de toestand vrijwel overeenkwam met dien gedurende dit seizoen in normalen tijd voorheen, waarbij dan jiog werd gewezen op den grooter geworden omvang van het bedrijf door uitleiding van zaken. De invoer van schoenen was in 1924 aanzienlijk kleiner, jje uitvoer niet onbelangrijk grooter dan in 1923. Toch was de eerste, om ons , er te bepalen tot schoenen enz. geheel of grootendeels van leer, in het afge°°pen jaar nog ruim driemaal zoo groot als de laatste.

Voor de leerlooierijen begon de afzet in het begin van het jaar wat vlotter te worden, waarop echter in het 2e kwartaal min of meer reactie volgde, aarna trad geleidelijk weder verbetering in (o.a. ook meer vraag uit Duitschand), zoodat de toestand zich aan het eind van het jaar, wat de hoeveelheid erk betreft, niet ongunstig liet aanzien. Evenwel waren de prijzen van het afgewerkte product, waarover geregeld klachten inkwamen, ook eind 1924 nog niet n overeenstemming met de huidenprijzen. Overigens zij nog opgemerkt dat er et geheele jaar door berichten waren volgens welke de overleerindustrie over et algemeen meer werk had dan de zoolleerindustrie, ofschoon ook voor aa genoemde branche, ondanks ongunstige omstandigheden (als het toegeorrien gebruik van rubberzolen), het afgeloopen jaar verbetering (o.a. meer