is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 7, 1912, no 1, 01-01-1912

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderscheiden naar de bedrijfsklassen en de voornaamste beroepen der leden, terwijl in tabel XII gedetailleerde gegevens over de vrouwelijke georganiseerden worden aangetroffen. Een schematisch overzicht geeft in groote trekken een beeld van den omvang der vakbeweging in hare diverse schakeeringen.

Uit een en ander blijkt onder meer dat op 1 Januari 1911 2 359 vakvereenigingen bestonden, te zamen 153 689 leden tellende, tegen 2 253 vakvereenigingen met 143 850 leden op 1 Januari 1910. Hierbij dient evenwel in aanmerking genomen te worden dat twee vakbonden die verleden jaar ook reeds bestonden, thans voor de eerste maal in deze statistiek zijn opgenomen, zoodat de werkelijke stijging geringer is dan uit bovenstaande cijfers zou volgen. Feitelijk is het aantal organisaties gestegen met 56 en het totale ledental met 6 993. De 126 vakbonden omvatten, in 1 895 afdeelingen, 122 283 georganiseerden (79,57 pCt. van het totaal aantal georganiseerden), terwijl de 464 zelfstandige plaatselijke vakvereenigingen te zamen 31 406 leden (als voren 20,43 pCt.) telden.

Het totale ledental der confessioneele organisaties steeg van 33 938 op 1 Januari 1910 tot 36055 op 1 Januari 1911, derhalve met 2 117, maar procentsgewijs daalde het van 23,59 pCt. van het totaal aantal georganiseerden in het 'Rijk tot 23,46 pCt., terwijl het totaal aantal leden der overige organisaties in genoemd tijdvak toenam van 109 912 (als voren 76,41 pCt.) tot 117 634 (als voren 76,54 pCt.), derhalve met 7 722. De stijging is echter geringer, daar de beide vakbonden, waarvan hierboven sprake was, tot deze groep behoorden.

Het gemiddeld ledental per vakvereeniging steeg sinds het vorig jaar over het geheele Rijk gerekend van 63,85 tot 65,15. Het aantal georganiseerden te Amsterdam wordt in verhouding tot het totale aantal in het Rijk steeds grooter (op 1 |anuari 1911 24,88 pCt. tegen 24,49 pCt. op 1 Januari 1910). Ditzelfde geldt voor 's-Gravenhage en Utrecht. Daarentegen daalt het voor Rotterdam gedurende de laatste jaren regelmatig, n.1. van 9,71 pCt. op 1 Januari 1910 tot 8,87 pCt. op 1 Januari' 1911, terwijl dit percentage aan het begin van 1908 nog 13,05 bedroeg.

Een totaal van 10 000 georganiseerden werd ook nu nog in geen enkel beroep bereikt. Bovenaan stonden op 1 Januari 1911 de diamantbewerkers met 9 769 leden in 5 vakvereenigingen en de textielarbeiders met 9 767 leden in 67 organisaties. Daarop volgen de gemeentewerklieden met 9089 leden in 67 vereenigingen, het spoor- en tramwegpersoneel met 9 075 leden in 206 organisaties en de politie met 8 743 georganiseerden in niet meer dan 44 vakvereenigingen.

Het aantal vrouwelijke georganiseerden bedraagt 7 126 (4,64 pCt. van het totaal aantal georganiseerden in het Rijk), waarvan alleen in de diamantindustrie 1 347 en in de textielnijverheid 1 805.

Ten einde in staat te stellen eenigermate na te gaan, welk deel van de vakbeweging feitelijk valt buiten de organisatie van werklieden in engeren zin, vestigt het Bureau de aandacht op een aantal organisaties, te zamen 792 met 46 756 leden. Hierbij dient ten aanzien van de onder dit aantal begrepen groep spoor- en tramwegpersoneel in het oog te worden gehouden, dat de voornaamste vakbonden in dezen tak van het verkeerswezen alle categorieën van het personeel organiseeren, beambten en ambtenaren zoowel als arbeiders, zoodat een deel van het laatstgenoemde aantal georganiseerden gerekend moet worden tot de werklieden in engeren zin. Voorts omvat de groep rijkswerklieden in 23 vakvereenigingen 3 498 georganiseerden, die der gemeentewerklieden 9 089 leden in 67 organisaties.

Statistiek van den loop der bevolking in Nederland over 1910. ')

(Statistique du mouvement de la population des Pays-Bas en 1910.)

Op het einde van 1910 bedroeg de bevolking 5 945 155 zielen, waarvan 2 944 079 of 49,52 pCt. mannen en 3 001 076 of 50,48 pCt. vrouwen. De toeneming moet, blijkens de constante verhouding tusschen de aantallen mannen en vrouwen, bij de beide geslachten zoo goed als even groot zijn geweest (in 1910 1,49 pCt.) Toch wordt over een lang tijdperk eene vermindering van het aantal vrouwen ten opzichte van dat der mannen waargenomen. Kwamen in 1830 nog 1 045 vrouwen op 1 000 mannen voor, dit aantal verminderde regelmatig en was in 1910 tot 1019 gedaald. Door meer geboorte dan sterfte zou de toeneming

i) Zie voor 1909 afl. 1, 1911, blz. 45.