is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 8, 1913, no 9, 30-09-1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

u

De Regeering oordeelt het hare roeping ook in de koloniën de volkswelvaart te verheffen en aan te kweeken het besef van saamhoorigheid van Moederland en koloniën en van al de bewoners dezer gebiedsdeelen. Zy zal haar dool nastreven door bevordering der volksopvoeding, zich aanpassende aan de behoefte der verschillonde groepen waaruit de bevolking in Nederlandsch-Indië bestaat en opwekkende tot verdraagzaamheid op het gebiod van den godsdienst en onderlinge waardeering der rassen.

Uit de BTota betreffende den toestand van '« land* financiën.

Na een uiteenzetting der redenen waarom de toestand van 'slands financiën verre van rooskleurig is te noemen, merkt de Minister van Financiën het volgende op met betrekking tot de sociale plannen der Regeering:

Dit alles in aanmerking nemende, zal moeten worden erkend, dat de meest mogelijke zuinigheid zal moeten worden betracht en dat onafhankelijk van de sociale hervormingen, welke in de Troonrede zyn aangekondigd, reeds dadelijk maatregelen moeten worden beraamd om tot een herstel van het flnantieel evenwicht te geraken.

Is derhalve om deze reden versterking der middelen reeds een onafwijsbare eisch, de noodzakelijkheid daarvan wordt nog grooter in verband met de kosten, welke de sociale hervormingen zullen medebrengen. De minder gunstige financieele toestand mag toch geen reden zijn om de invoering dier zoo hoog noodige maatregelen op te schorten.

Het behoeft intusschen geen betoog, dat het nog niet mogelijk is geweest meer dan een zeer voorloopige raming te maken van de vermoedelijke kosten, welke de voornemens der Regeering op het gebied der ouderdomsverzorging en dat der sociale verzekering met zich zullen brengen. De daaromtrent voorloopig opgemaakte cijfers kunnen dus alleen met een zeer groote reserve worden aanvaard.

Het scheen evenwel noodig reeds bij het optreden van het Kabinet in zoover eene raming te maken van de vermoedelijke kosten der voorgenomen maatregelen op dit gebied, dat men gegronde hoop mocht hebben geene verwachtingen op te wekken, welke later om financieele redenen zouden blijken niet in vervulling te kunnen gaan.

De kosten van de in de Troonrede aangekondigde ouderdomsrente, met inbegrip van de renten, welke krachtens artt. 369 en 370 van de Invaliditeitswet zullen worden verleend, worden op omstreeks 9 millioen gulden begroot. Daartegenover stelt de Regeering zich voor de Invaliditeitsverzekering niet alleen te vereenvoudigen, maar ook eene regeling te treffen, waardoor de invaliditeitsrenten, rekening houdende met den leeftijd, zich tot een noodzakelijk minimum, dat verband houdt met de ouderdomsrente, zullen bepalen.

Hetgeen boven dit minimum noodig zal zijn, moet volgens de plannen der Regeering door vrijwillige verzekering worden gevonden. Met voorstellen tot aanmoediging daarvan meent zij intusschen te moeten wachten totdat de voorgenomen herziening der Invaliditeitswet zal zijn tot stand gekomen.

Door de bovenvermelde herziening van de Invaliditeitswet en de vermindering der administratiekosten, alsmede door de kosten der verleende ouderdomsrenten jaarlijks op de begrooting te brengen, vertrouwt men, dat de Rijksbijdrage van art. 20 der Invaliditeitswet tot omstreeks de helft zal kunnen worden verminderd. Volgens deze zeer voorloopige ramingen zal voor ouderdoms-, invaliditeitsrenten en administratiekosten vermoedelijk ongeveer 14 millioen gulden noodig zijn. x

Welk deel hiervan reeds op de begrooting voor 1914 zal drukken, is uit den aaid der zaak thans nog niet bij benadering te bepalen.

Met de door de vorige Regeering geraamde kosten van artt. 369 en 370 der Invaliditeitswet is, zooals vanzelf spreekt, bij de opmaking der begrooting reeds rekening gehouden.

Tweede Kamer.

(Chambre des Députés.)

Invaliditeitswet. (Loi sur l'assurance contre l'invalidite.) Bij Koninklijke Boodschap van 19 Augustus 1913 is een wetsontwerp ingediend tot aanvulling van het 10de hoofdstuk der Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1913 (Uitvoering van de artt. 369 en 370 der Invaliditeitswet). Uitgetrokken wordt f 210.000 voor uitkeering aan de Rijksverzekeringsbank, ter bestrijding van de kosten van renten als bedoeld in de genoemde artikelen en f 100.000 voor kosten van voorbereiding en uitvoering der beslissingen op verzoeken om rente.

Spoorwegpersoneel (1'ensiociiregeling van het). (Re'ylementation des pensions du personnel des chemins de fer.) Bij Koninklijke Boodschap van 23 Augustus 1913 is een wetsontwerp ingediend, houdende machtiging tot het aangaan van overeenkomsten met de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen en met de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij inzake de pensioenregeling van haar personeel, voor zoover betreft de pensioenen der nagelaten betrekkingen. Met do bij het wetsontwerp gevoegde ontwerpovereenkomsten — tot wijziging der overeenkomsten bekrachtigd bi) de wet van 15 Juli 1912 (Stbl. no. 251) i) —, hebben beide maatschappijen zich vereenigd en zich tevens verbonden in hare perisioenfondsreglementen de wijzigingen aan te brengen welke in de bijlagen der overeenkomsten zijn aangegeven. Terwijl volgens de tot dusver geldende bepalingen alle nagelaten betrekkingen tezamen een pensioen ontvangen ten bedrage van '/120 van de gemiddelde bezoldiging door den overleden deelgenoot in de laatste 5 jaren genoten, vermeerderd met 1/120 voor elk dienstjaar door dien deelgenoot volbracht, zal voortaan het pensioen der weduwe ten minste i-Vso dier gemiddelde bezoldiging bedragen, vermeerderd met 1/30 voor elk dienstjaar boven de 10. Het aldus berekende weduwe-pensioen zal voorts worden verhoogd met i/6 van het pensioensbedrag voor elk kind

i) Zie afl. 9, 1912, blz. k.