is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 19, 1924, no 8, 30-09-1924

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kleedingindustrie vertoonde in liaar vertakkingen een ongelijk Kieedingbeeld. Dooreengenomen stond het bedrijf er wel wat beter voor dan een jaar industrie, geleden, al kan dit geenszins voor elke branche op zich zelf gezegd worden. Uitteraard was — hier ju eer, daar minder — de invloed van de afgenomen koopkracht merkbaar, waartegenover als gunstige factor, v.n.1. in de confectie,

te wijzen valt op het goeddeels uitgeschakeld zijn van de abnormale buitenlandsehe concurrentie.

In de heerenkleedi n gindustrie (m aatwerk) is de seizoendr ukte over 't algemeen beneden normaal gebleven. Van een tekort aan werkkrachten,

zooals anders in dezen tijd van liet jaar pleegt voor te komen, viel maar uiterst weinig te bespeuren; uit enkele plaatsen werd opgemerkt, dat de patroons het meerdere werk zonder nieuw personeel trachtten af te doen. Aan het eind van het kwartaal, toen de werkzaamheden als gewoonlijk afnamen (werkloosheid voor zoover na te gaan in totaal nog niet groot), werd de toestand deels beter,

deels minder en overigens (in enkele verslagen) vrijwel dezelfde geacht als verleden jaar. Verreweg de meeste confectiefabrieken waren, in tegenstelling met 1923, van voldoende of ruimschoots werk voorzien (in verschillende een tekort aan geschoolde werkkrachten), hoewel de bedrijvigheid eind Juni gedeeltelijk wel wat afnam. Uit enkele rapporten omtrent de heerenkleeding bleek dat er v.n.1. vraag was naar de goedkoopere genres. Van de weinige verslagen, welke min of meer ongunstig luidden, rapporteerden enkele tevens werkloosheid. Tegenover verschillende lingeriefabrieken, die voldoende of druk werk hadden (deels te weinig aanbod van meisjes), stonden andere,

waar het bedrijf niet dan met moeite (ingekrompen werktijd en — of — personeel) gaande kon worden gehouden of waar de slapte zelf nog iets toenam. In de fabricage van boorden, overhemden, manchette n, e n z. was deels voldoende werk voor volle weken en zou het personeel met 50 a 100 arbeiders zijn uitgebreid indien zich genoeg geschikte hadden aangeboden. Enkele andere fabrieken werden echter, met liet oog op de onzekere toestanden, nog steeds niet in bedrijf gesteld. In de petten1 makerijen werd meerendeels slechts met beperkte capaciteit (korte werkweken of klein personeel) gewerkt;

een der rapporteer en de ondernemingen werd zelfs ten slotte tijdelijk stilgezet.

Overigens waren er ook wel betere rapporten, n.1. van voldoende werk of opleving in Juni (onvoldoende aanbod van meisjes).

Terwijl verscheidene w a s c h- e n s t r ij kinrichtinge n gewoon werk Reiniging, of eenige seizoen drukte hadden, bleek uit een aantal andere verslagen, dat er nog steeds niet genoeg werk was voor de normale capaciteit. Belialve aan den al gemeen en drang tot bezuiniging, schreef men de slapte o.a. ook toe aan concurrentie van de door de werkloosheid in de hand gewerkte huisindustrie en van de z.g. buitenwasscherijen. Voor zoover Amsterdam betreft, werd nog bij voortduring ook geklaagd over het onttrekken van werk aan het gewone bedriif door de gemeentelijke waschinrichting aldaar, welke voldoende werk hield.

Volgens verschillende rapporten was er te weinig aanbod van geschoold personeel (b.v. strijksters), hetgeen, naar een der berichtgevers opmei'kte, leidde tot uitbreiding van den machinalen arbeid.

In het meerendeel der chemische wasscherijen e 11 stofverver ij e n heeft, in afwijking met andere jaren, de seizoendrukte zich eind Juni nog kunnen handhaven. In een verslag omtrent een der ondernemingen, waar toen reeds seizoenslap te (inkorting van arbeidsduur) was ingetreden, werd de toestand niettemin eveneens gunstiger genoemd dan verleden jaar. Er was geen aanbod van geschoolde Nederlandsche werkkrachten; ook dat van Duitsche vaklieden was zoo goed als verdwenen.

Niettegenstaande er onder de verslagen nopens het leerlooiersbedrijf inLdeud^fj"e ook wel waren, welke den toestand wat beter achtten dan een jaar geleden,

bleek men over het algemeen met den gang van zaken niet ingenomen. Gewezen werd o.a. op weder toegenomen invoer van enkele ledersoorten en op verminderden uitvoer, een en ander grootendeels als terugslag van de finan('ieele moeilijkheden in Duitschland. Daarenboven waren door de daling der huidenprijzen (mede doordat Duitschland in mindere mate als kooper van inlandsche huiden op de veilingen hier te lande optreedt en ook op de wereldmarkten afzijdig blijft) ook de leerprijzen aan het afbrokkelen. Voor de zoolleerlooierijen werd ook nu weder over het geheel meer slapte gerapporteerd dan voor de overleerlooierijen. Intusschen was in deze laatste in het begin van het kwartaal dooreeugenomen meer bedrijvigheid dan aan het eind. Dit blijkt