is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 15, 1934, no 7-8, 1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gekroonde te vergelijken, of den invloed vast te stellen, dien het rapport van de jury heeft gehad, kan dit plan leggen naast deze der prijsgekroonde. Het loont de moeite! Alleen van de ontwerpen van Fahrenkamp c.s. en Reichow c.s. is er iets overgebleven in de behandeling van de twee groote uitvalswegen en de groene middenzone. Invloeden van andere ontwerpen zijn uiterst miniem. En ook maar gelukkig! Al het radikale, het opvallend goede der beide Duitsche plannen, is echter moeten wijken om plaats te maken voor meer gewone, zoo niet verouderde en soms kinderachtige indeelingen en details van straatverloop, pleinschikking, situeering van openbare gebouwen en derg. De wel wat al te Sitte-aansch gebroken laan in het noorden, uitmondend in het kerkhof, is trouwens reeds op het.variant-plan recht getrokken.

Afgezien echter van deze grappen, die met ernstigen stedebouw weinig uitstaande meer hebben, maar dan ook later wel betrekkelijk gemakkelijk weggewerkt zouden kunnen worden, zijn er meerdere heel goede dingen in dit ontwerp. Op de oriënteering der bouwblokken is weinig aan te merken. De middenpartij, tusschen de hoofdverkeerswegen, kan een zeer aangenaam woongebied vormen. Van het punt, waar de weelen behouden blijven, doorloopend van Zuid naar Noord, tot aan den verbindingsweg van het pompstation (tusschen gasthuis en kerkhof) naar station en sportterrein, is er een mooi woongebied voor burgerwoningen, terwijl de zone, doorsneden door den fameuzen A-B-weg, wel als geschikt voor arbeiderswoningen in aanmerking kan komen.

Het gasthuis op het Noorden is mogelijk niet al te gelukkig, maar de kritiek op deze situeering is niet zeer ernstig. De ernstigste kritiek, die we hier meenen te mogen vermelden, is het afsnoeren tegen de Schelde van de groene middenpartij, en vooral, het gemis aan eenige aanduiding, hoe een derde verbinding met den rechteroever op deze zijde zal aansluiten. Want het is onmogelijk aan te nemen dat een stad met een plattegrond als deze, nog slechts door de op dit oogenblik bestaande tunnels met den rechteroever in verbinding blijven kan.

Een tunnel, die van het Marnixplein (het aangeduide plein op den rechteroever) af zou uitmonden in de richting van den gestippelden weg op den linkeroever? Is dit soms de reden van deze perspectief op het verschrikkelijk monument der Marnixplaats ? Dit alles is niet ernstig; maar een brug verder in het zuiden is later misschien onmogelijk nog goed te verbinden met de nieuwe stad. En ze moet er komen!

Ondanks een en ander, kan dit plan, tusschen al de bekroonden in, met uitzondering dan der twee, van dewelke het ontleent, best de vergelijking doorstaan. Naast de ontwegen van Cols en De Roeck, Gutton, Girard c.s. etc. is het zalig te prijzen! Theoretisch blijft het ver beneden meerdere der niet bekroonde b.v. der jonge Belgische urbanisten, en ook wel beneden datgene, wat wenschelijk ware. Afgezien van sommige wegen zal voorloopig nog wel niet heel veel definitief worden. Zoo kan de tijd dan weer leeren. Wat er ondertusschen zou gebouwd moeten worden, kan misschien heel goed worden. Van Averbeke is een goed architekt.

Antwerpen, Mei 1934

Jean van de Voort

DE TER VISIE LEGGING VAN PLANNEN VAN UITBREIDING

Art. 37 van de Woningwet 1931 behelst de formaliteiten, dié ter zake van een uitbreidingsplan moeten worden vervuld en die, zooals we lezen in „De Woningwet” van Mr. Lietaert Peerbolte, alle ten doel hebben de gelegenheid te geven, dat belanghebbenden bezwaren kunnen inbrengen.

Deze formaliteiten zijn de volgende. De plannen van uitbreiding, alsmede de plannen tot herziening en een besluit tot intrekking van een plan van uitbreiding zijn aan de goedkeuring van Ged. Staten onderworpen. Ged. Staten hoeren, alvorens te beslissen, den Inspecteur.

De plannen moeten, vóór de vaststelling door den raad, ten minste vier weken voor een ieder ter inzage liggen, gedurende welken termijn belanghebbenden bij den gemeenteraad bezwaren kunnen inbrengen.

Daarna stelt de raad het plan vast. Na deze vaststelling wordt het plan opnieuw twee weken ter inzage gelegd, gedurende welken tijd en binnen Zes weken na afloop van dien termijn de belanghebbenden, die bij den raad bezwaren hebben ingediend, bij Ged. Staten bezwaren tegen het plan kunnen indienen.

Deze tweede tervisielegging heeft, vergissen wij ons niet, geen andere beteekenis dan aan hen, die reeds bij den gemeenteraad bezwaren hebben ingediend, gelegenheid te geven om na te gaan, in hoeverre met hun bezwaren is rekening gehouden, en, indien zij over de mate, waarin dit geschiedde, niet tevreden zijn, de gelegenheid te geven nauwkeurig te doen nagaan, in hoeverre wel aan hun wenschen is tegemoet gekomen en zich voor het overige met bezwaren te wenden tot Ged. Staten.

Hierbij is echter geen rekening gehouden met de mogelijkheid, dat bij de eerste tervisielegging geen bezwaren werden ingebracht, zooals o.a. dezer dagen geschiedde met een plan van uitbreiding voor de gemeente Zuilen. Dit plan omvatte straataanleg en bouwrijp maken van gronden voor ruim 200 woningen, doch in een deel der gemeente, dat geheel eigendom is van de gemeente.

Het plan van uitbreiding werd ter visie gelegd, doch tegen dit plan is geen enkel bezwaar bij den gemeenteraad ingediend. In genoemd art. 37 der Woningwet wordt nadrukkelijk bepaald dat bij Ged. Staten alleen bezwaren kunnen worden ingediend door hen, die ook reeds bij den raad bezwaren indienden. Dit is een bepaling, die bij de wijziging der wet in 1931 is aangebracht.

Voorzoover dit niet geschiedde, kunnen er dus bij Ged. Staten geen bezwaren meer worden ingediend, die ook eenig gevolg met zich brengen.

Ondanks dat, is in de Woningwet imperatief voorgeschreven dat ook de tweede tervisielegging moet geschieden.... om de mogelijkheid tot het indienen van bezwaren te geven,.... die toch niet bestaat

Het is min of meer onverklaarbaar dat men hierbij niet heeft gevolgd den gedachtengang, neergelegd in art. 10 der Woningwet met betrekking tot de rooilijnbesluiten.

Bij de wijziging der wet in 1931 is als een der hoofdpunten aangebracht de omschrijving van het begrip rooilijn en wat te dien opzichte moet worden verricht. Art. 10 heeft betrekking op de bizondere voorschriften ter bepaling van voor- en achtergevelrooilijnen.

Voordat de rooilijnbesluiten ter goedkeuring aan Ged. Staten worden toegezonden, moeten deze ter visie worden gelegd. Maar, en nu komt het verschil, in het derde lid Van dat artikel is omschreven, dat de tervisielegging en de mededeeling daarvan in een of meer bladen achterwege kan worden gelaten, indien en voorzoover de eigenaren, op wier eigendommen de voorschriften betrekking hebben, en de hypotheekhouders schriftelijk verklaard hebben, tegen die voorschriften geen bezwaar te hebben, of de voorschriften betrekking hebben op eigendommen van de gemeente.

In dit artikel is dus rekening gehouden met de mogelijkheid, dat toch geen bezwaren zullen worden ingediend en dat dus de terinzagelegging overbodig is.

Nu zouden we niet gaarne bepleiten om art. 37 in denzelfden geest te wijzigen als art. 10 is opgesteld. Belanghebbenden bij de vaststelling van een uitbreidingsplan zijn niet alleen de eigenaren of hypotheekhouders van in de uitbreiding betrokken gronden. Bij het vaststellen van een uitbreidingsplan kunnen ook anderen dan deze overwegende bezwaren hebben of meenen te hebben.

Doch wel zouden we willen bepleiten dat, als de eerste ter inzagelegging heeft plaats gehad en er geen bezwaren bij den gemeente-