is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 16, 1935, no 2, 1935

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niet vergeten moet worden een hoeveelheid grond te reserveeren voor pachtland, zoodat de kolonisten na verkregen succes, gelegenheid vinden, meer grond in bewerking te nemen. Dit pachtland mag niet meer dan 20 minuten gaans van de eigen erven liggen. Voorloopig kan deze grond worden bestemd voor den verbouw van aardappels of veevoeder. Het is echter ook gewenscht reeds aanstonds een bescheiden centrum te ontwerpen, waar kleine winkels kunnen worden gevestigd en terrein wordt gereserveerd voor kerk en school, eventueel ook voor sport- en speelveld.

Terwijl volgens de gebruikelijke normen de kosten van wegaanleg en verdere algemeene voorzieningen van een woonwijk 20 a 25 % kunnen bedragen van de kosten van grondaankoop en bebouwing samen, zouden deze in de half landelijke kolonie niet meer dan 10 % mogen zijn. In de Berlijnsche kolonies varieert het percentage van den grond bestemd ten openbaren nutte (verkeersruimte en groen) van 16 tot 36,5 % van het totaal. Het eerstgenoemde percentage is ongetwijfeld te laag. . . . , ,

Rioleering blijft uit beginsel achterwege, daar de afvalstoffen dienen te worden bestemd voor bemesting. Watervoorziening is uiteraard essentieel, mede voor de besproeiing van den tuingrond. Een pomp voor twee perceelen is het minimum. Waterleiding kan nochtans voordeeliger zijn, c.q. een leiding voor bedrijfswater alleen. Daar deze laatste ’s winters buiten bedrijf gesteld en leeggeblazen wordt, behoeft zij slechts 25 cm onder het maaiveld te liggen. Van gasleiding zal rnen in de meeste gevallen afzien, daar de kosten der huisinstallaties te hoog zijn. Electriciteit kan worden toegevoerd in een bovengrondsche leiding.

De bebouwing verkrijgt den vorm van enkele of dubbele vrijstaande woningen. De bebouwde oppervlakte kan varieeren van 42 tot 5o Voor kinderrijke families kan zij tot 8o stijgen. De woonkeuken vormt een kenmerkend bestanddeel van het huis. Een tweede kamer op den beganen grond dient als slaapkamer der ouders. Een voorhuis of spoelkeuken (al naar men wil) dient o.m. voor het doen van de wasch en het koken van veevoeder. Een kelder van 435 ook vereischt wordt, kan eventueel als kelderkast gebouwd zijn. Aanbevolen wordt toepassing van een turfkloset, waarin de faecaliën worden vermengd met turfmolm. Voorts luidt het eenstemmig oordeel, dat een kap te verkiezen is boven een platte afdekking, daar zij, behalve °erp ruimte, gelegenheid biedt tot het aanbrengen van dakkamers, wanneer de behoefte hieraan wordt gevoeld.

Zal men komen tot de bevinding, dat de half landelijke nederzetting bij de industriestad ook in Nederland aanbeveling verdient en door de overheid behoort te worden bevorderd, dan zal de in Duitschland opgedane ervaring van groot nut kunnen zijn en zullen verschnlende van de hierboven aangeduide normen met vrucht kunnen worden gevolgd. Het is duidelijk dat een aanleg als hier geschetst, slechts mogelijk is met afwijking van de eischen, die thans voor stads- en dorpsuitleg plegen te worden gesteld. Waar de kolonisten echter in de landelijke omgeving op velerlei gebied betere levensvoorwaarden vinden dan in de stedelijke lijken deze afwijkingen gerechtvaardigd. Zonder dat de thans geldende normen voor den juisten uitleg van

bestaande bevolkingskernen zouden moeten worden losgelaten, zou voor dezen bizonderen vorm van vestiging een afzonderlijke maatstaf kunnen gelden. In Duitschland kent men fondsen, die, reeds bij den aanvang gesticht, moeten dienen voor de latere vervolmaking van de geheele toerusting der kolonies (Bauspai kassen en Pflasteikassen). Ook dit instituut zou ten onzent navolging kunnen verdienen.

OVERHEIDSMAATREGELEN MET BETREKKING TOT DE BINNENKOLONISATIE

Hieronder zal nog worden teruggekomen op de eerste aan praeadviseurs gestelde vraag. Met betrekking tot de tweede zal niet kunnen worden verwacht dat een compleet programma wordt geformuleerd. Enkele algemeene gezichtspunten mogen intusschen als volgt worden ontwikkeld.

Het lijkt onwaarschijnlijk dat de regelingen, noodig voor binnenkolonisatie, kunnen uitgaan van de gemeentelijke instanties. Vooreerst valt het vraagstuk als zoodanig buiten den gezichtskring, waarbinnen deze overheid zich beweegt. Er is sprake van een belang van de vaderlandsche bevolking in haar geheel. Bij de keuze van de geëigende plaatsen voor de kolonies moet men zich laten leiden door overwegingen, ruimer dan die van het zuiver gemeentelijk belang; evenzoo bij het bepalen van de normen voor hun aanleg. In de kleinere gemeenten, die toch veelal voor de stichting van de onderhavige nederzettingen in aanmerking zullen komen, laat reeds de regeling van den nu gangbaren uitleg der bebouwing vaak veel te wenschen over, terwijl ook voor gemeenten van middelbare grootte niet zelden hetzelfde geldt. Kleinere gemeenten beschikken in den regel niet over een voldoend geoutilleerd bouwtoezicht, laat staan over diensten in staat de kolonisatie in kwestie te leiden. Het zou slechts verwarrend werken, zoo deze gemeenten op eigen hand een tweeledig stelsel van regeling moesten toepassen: één voor de eigenlijke dorpsontwikkeling, een voor landelijke arbeiderskolonies. Ook zullen slechts weinig gemeenten eigener beweging op deze kolonies gesteld zijn. u j

Een aantal grootere gemeenten is weliswaar voldoenoe geoutilleerd voor de doeltreffende uitwerking van het vraagstuk, maar beschikt niet over de noodige, goedkoope, geëigende gronden. Waar zij deze gronden tendeels buiten het eigen gebied moeten zoeken, zal het gemeentelijk uitbreidingsplan voor het doel te kort schieten. Intensieve samenwerking met andere, landehike gemeenten, zooals deze zou zijn vereischt, zal in de praktijk zeer bezwaarlijk worden verkregen, althans wanneer men daarbij slechts op de bestaande wettelijke middelen zou zijn aangewezen. Onevenredig zwaar als op de groote gemeenten reeds de werkloopnuitkeeringen drukken, ontbreekt haar ten eenenmale de geldelijke mogelijkheid, zich toe te leggen op de indirecte besnijding der werkloosheid door middel van kolonisatie. Ook al zal het dan somtijds in theorie mogelijk zijn een, „Stadtrandsiedlung” in een uitbreidingsplan te ontwerpen, uitzicht op verwezenlijking is nauwelijks ooit. aarwezig.

Zonder eenigen twijfel is de binnenkolonisatie een zaak, die de streekplangedachte raakt In gewesteli)k verband zo\x het vraagstuk reeds ten deele tot oplossing