is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 19, 1938, no 12, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Binnenland

Rijksbegrooting 1938 ')

Hoofdstuk V (Binnenlandsche Zaken, Voorloopig Verslag)

Afdeeling VI, Volkshuisvesting

Staatscommissie tot herziening van de Woningwet

Gevraagd werd naar den stand van de werkzaamheden der Staatscommissie tot herziening van de Woningwet. Een dergelijke herziening werd door verscheidene leden zeer gewenscht geacht, o.a. ter wille van een betere regeling voor de streekplannen en het tegengaan van ongeordende bebouwing buiten de uitbreidingsplannen. Aangezien een lange weg moet worden afgelegd, voordat een ontwerp tot herziening wet zal zijn geworden, achtte men het wenschelijk, dat met de herziening van de Woningwet van het eerste stadium af spoed zal worden betracht.

Volkshuisvesting in het algemeen

(Hier beoogden vele leden dat op dit terrein nog veel te doen valt, waarbij zij wezen op de werkloosheid in de bouwvakken en de geringe activiteit ten plattelande. Zij drongen aan op krachtige medewerking van het Rijk, en waar noodig op initiatief van dien kant). Ten slotte vroegen de hier aan het woord zijnde leden, of de Minister een overzicht wil geven van hetgeen in den laatsten tijd ten behoeve van den bouw van volkswoningen is gedaan.

(Volgt een opmerking over den woningbouw voor groote gezinnen, welke door de ministerieele circulaire van 10 November 1.1. achterhaald is).

(Andere leden achtten het tempo van krotopruiming, saneering en aanbouw voor groote gezinnen, rekening houdend met s Rijks geldmiddelen, snel genoeg).

Men meende te weten, dat de Minister aan enkele colleges van Gedeputeerde Staten heeft verzocht een onderzoek te doen instellen naar de woningtoestanden in een aantal gemeenten. Gaarne zou men over de uitkomst van dat onderzoek worden ingelicht. (Verscheidene leden meenden, dat in vele gemeenten, met name op het platteland, geen gebruik van de voorschotregeling wordt gemaakt, omdat de daarbij voorgeschreven minimale afmetingen niet voldoende zijn).

Verscheidene leden hadden met genoegen kennis genomen van het rondschrijven van den Minister van 23 Juni 1938 aan de gemeentebesturen in zake verbetering van arbeiderswoningen en kleine woningen.

Andere leden sloten zich hierbij aan. Zij achtten echter de voor dit doel beschikbaar gestelde bedragen te gering en meenden, dat de daaraan verbonden voorwaarden een belemmering zijn voor het welslagen van dezen maatregel. Zij vonden in het bijzonder de voor verbouwing en herstelling vastgestelde bedragen veel te laag. Gaarne zouden zij vernemen, wat de uitwerking is geweest van dit rondschrijven en hoeveel gegadigden zich hebben aangemeld.

ruiiui>cillljvcn Cii Jiucvcci y Verscheidene leden meenden te weten, dat verschillende gemeentebesturen ernstige bezwaren hebben tegen deze regeling, omdat het gevolg daarvan zou kunnen zijn, dat juist die huiseigenaren, die hun woningen niet voldoende hebben onderhouden, daarvan zouden profiteeren door hun woningen met subsidie van Rijk en gemeente te verbeteren. Voorwaarden omtrent de huren zijn niet gesteld, zoodat men er machteloos tegenover staat, als de huiseigenaren aanstonds de huren opslaan.

Overigens zouden deze leden het beter achten, indien, zooals hierboven reeds is gezegd, straffer werd opgetreden bij de opruiming van krotten en de Regeering den nieuwbouw ook in verband met de werkverruiming onder de bouwvakarbeiders . krachtiger bevorderde.

Sommige leden waren bovendien van meening, dat deze aanschrijving slechts beteekenis kan hebben voor de kleine gezinnen, en het gevaar niet denkbeeldig is, dat nieuwbouw daardoor achterwege blijft.

Gaarne zou men vernemen, aan welke eischen de verbeterde woningen moeten voldoen. Hoeveel kamers moeten ze hebben? Hoe groot moet elk der kamers ten minste zijn? Welke eischen gelden

De groote omvang van deze stukken heeft het in verband met de beperkte plaatsruimte noodzakelijk gemaakt eenige bekortingen aan te brengen, die ter onderscheiding tusschen haakjes zijn geplaatst.

voor den aanleg van sanitaire inrichtingen, waterleiding en electriciteit? Houdt de Minister bij dit alles voldoende de belangen van de groote gezinnen voor oogen?

(Volgt tweeërlei betoog over de rol van de particuliere bouwnijverheid. Eenerzijds werd aangevoerd dat de particuliere woningen duurder zijn en dat de belangen van de bewoners en van de stadsuitbreiding. met name in de groote steden, gelijkelijk door den massalen bouw door de woningbouwvereenigingen worden gediend. De leden hier aan het woord, betreurden het dat de Minister te vaak aanvragen om voorschotten niet inwilligt. Andererzijds werd volgehouden dat de particulieren onder gelijke omstandigheden het best aan de woningbehoefte kunnen voldoen en werd aangedrongen op stimuleering van hun initiatief door bouwpremies.)

Gevraagd werd, welke maatstaf geldt bij de beslissingen over de toelating van een woningvereeniging.

Woningcommissies

Opnieuw werd aangedrongen op nakoming van de door een ambtsvoorganger van den Minister gedane toezegging in zake de instelling van woningcommissies, die een deel van de taak der opgeheven gezondheidscommissies zouden kunnen overnemen. Men achtte de instelling van woningcommissies vooral voor het platteland dfingend gewenscht.

Samenwoning van gezinnen

Eenige leden meenden te weten, dat het euvel van samenwoning van rneer dan één gezin in eengezinswoningen meer en meer toeneemt. Gaarne zouden zij hieromtrent van den Minister nadere gegevens ontvangen.

Woonwagens en woonschepen

Teil vorigen jare heeft de Minister, naar eenige leden opmerkten, vragen in verband met woonwagens en woonschepen verwezen naar de begrooting van Justitie. Het betreft hier intusschen niet alleen de uitvoering van de wet betreffende woonwagens en woonschepen, die inderdaad onder ’s Ministers ambtgenoot van Justitie ressorteert, maar een belangrijke vraag van volkshuisvesting. Op groote schaal zijn gezinnen, die niet ambulant zijn, gehuisvest in woonschepen en woonwagens onder verhoudingen, die in krotwoningen niet meer zouden worden geduld, terwijl aan de hand van de wet daartegen niet voldoende kan worden opgetreden. Is de Minister niet van oordeel, zoo vroegen deze leden, dat het ter wille van de woninghygiëne noodzakelijk is, dat hierin verandering komt ?

Algemeene onkosten voor woningwetwoningen

Blijkens het rondschrijven van den Minister van 7 October 1937 zijn de bedragen, welke voor algemeene onkosten mogen worden besteed bij de exploitatie van woningwetwoningen, met ingang van 1 Januari 1938 teruggebracht en zullen zij op op 1 Januari a.s. opnieuw een verlaging moeten ondergaan. Eenige leden gaven uiting aan hun verwondering, dat de Minister tot dezen maatregel is overgegaan, daar het gevolg daarvan zal zijn, dat voor een groot deel der gevallen een verschuiving van lasten zal plaats hebben van het Rijk naar de gemeenten. Gevraagd werd, of de Minister bereid is, in afwachting van het bekend worden van de uitkomsten van dezen maatregel over 1938, de verdere met ingang van 1 Januari 1939 voorgenomen verlaging voorloopig op te schorten.

Bijdragen voor huurverlaging

Opgemerkt werd, dat de Minister bij rondschrijven van 9 Mei 1935 aan de gemeentebesturen heeft medegedeeld, dat de Regeering bereid is, indien de renteverlaging tot 4 pet. niet voldoende is om tot huurverlaging over te gaan, de bijdragen te verhoogen of een nieuwe bijdrage toe te kennen. In den loop van het jaar is evenwel gebleken, dat de Minister zich op het standpunt stelt, dat deze bijdragen eerst kunnen worden verleend, indien het gemeenschappe lijk fonds, bedoeld in de overgangsbepalingen der wet van 14 Juni 1934, Staatsb'ad no. 316, niet toereikend is om de huurverlaging te financieren. Deze gedragslijn heeft, aldus werd opgemerkt, ten gevolge, dat de bestaande gemeenschappelijke fondsen onevenredig worden bezwaard en in een of twee jaren zullen zijn uitgeput, zoodat zij de hun in de wet toegedacbte taak niet kunnen vervullen. Ten einde dit te voorkomen, achtte men bet gewenscht, dat de gevolgen van de huurverlagingen slechts in zeer bijzondere gevallen ten laste van de fondsen worden gebracht, doch dat eerst ten volle uitvoering wordt gegeven aan het rondschrijven van 9 Mei 1935 door het verleenen van bijdragen.