is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 21, 1940, no 2, 1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Febr. 1940

21e Jaargang No. 2

Maandblad

Tijdschrift voor Volkshuisvesting en Stedebouw

Orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en den Nationalen Woningraad, Algemeenen Bond van

Redactie: H. P. J. Bloemers, J. Bommer, Jhr. M. J. I. de Jonge van Ellemeet, Ir. L. S. F. Scheffer, Ir. F. Bakker Schut, Mr. J. Vink, Ir. J. M. A. Zoetmulder

Adres yoor Redactie en Abonnementen: Kloveniersburgwal 70, Amsterdam C, Telefoon 40588

Advertenties: Keizersgracht 188, Amsterdam C, Telefoon 49128

Het kritieke punt en de woningmarkt

door Ir. Chr. G. van Buuren, Directeur

Bouw- en Woningdienst Dordrecht

De gevolgen van de afneming van de gemiddelde vruchtbaarheid moeten plaatselijk worden bezien. Zij zijn niet te scheiden van die van andere factoren, als migratie en mortaliteit van zuigelingen en ouderen, die eveneens van plaats tot plaats uiteenloopen, zoowel in verband met de uiteenloopende hygiënische verzorging als met de geaardheid der bevolking en de daarmede samenhangende huwelijkszeden. Zal dus de uitwerking der te ontwikkelen gedachten een plaatselijk cachet moeten dragen, de methode is algemeen.

Het is duidelijk dat bij een constant gemiddeld kindertal van twee per echtpaar het menschelijk geslacht zal moeten uitsterven. Zoo zal het aantal jongens en meisjes niet gelijk zijn, wat tot ongehuwd blijven dwingt. Ook van het restant zal een deel niet huwen, voor of vroeg na het huwelijk overlijden, of steriel of in zeer beperkte mate vruchtbaar blijken te zijn. Omrekening van deze factoren leidt tot de conclusie, dat per huwelijk een gemiddelde van dz 2.55 kind noodzakelijk is om tot constantie der bevolking, en tevens tot die van het aantal gezinnen, te leiden, i)

Het getal 4.55 is dus kritiek voor het ongeschokt behoud der samenleving.

Dit cijfer heeft uitsluitend betrekking op het gezin, zooals dit bij den burgerlijken stand te boek staat. De volkshuisvester heeft bij dit cijfer alleen belang als uitgangspunt. Hij heeft immers niet te zorgen voor de huisvesting der individuen, en evenmin voor die der burgerlijkestands-gezinnen. Hij heeft te maken met de kleine cellen, zooals hij deze in de praktijk tegenkomt, en waarbij

') Bedoelde berekening luidt als volgt: Uitgangspunt één echtpaar

met levende kinderen 2.55 k door sterfte ( 12%) voor den gemiddelden huwelijksleeftijd, rest 2.24 k.

hiervan moet een deel ongetrouwd blijven door gebrek aan pariteit der sexen, rest 2.21 k. hiervan blijft ongehuwd stel ± 1%, rest 2.19 k. aantal resulteerende huwelijken 1.095 h.

hiervan onvruchtbaar ± 2.5%, rest 1.07 h. af voor sterfte tusschen 25 en 45 jaar ± 7%, rest I.— h. Het getal 2.55 is dus voor Dordrecht plausibel. Door afwijkende sterftecijfers . vooral van o^—2s jaar .—• is tamelijk groote divergentie mogelijk.

vaak één of meer leden van het gezin elders vertoeven. De vraag, met welke grootte van bewoningsgezin een trouwboekjecijfer van 4.55 gemiddeld overeenkomt, eischt dus beantwoording, en wel i.c. speciaal voor Dordrecht.

De gemiddelde sterfteleeftijd is hier 67 jaar, de gemiddelde huwelijksleeftijd is zeer nauwkeurig 25 jaar. Een gemiddeld gezin zal dus, volkomen geabstraheerd, gedurende 25 jaren uit 4.55, en gedurende 17 jaren uit 2 personen bestaan.

Een eenvoudige omrekening leert, dat 25 X 4.55 + 17X2 een som geeft groot 147.75. Deeling door 25 + 17 = 42, geeft het gemiddeld bewoningsgezin, groot 3.52, door mij voorzichtigheidshalve naar boven afgerond tot 3.55.

Natuurlijk geeft het bovenstaande slechts een benadering. Zoo heb ik b.v. verwaarloosd het niet gelijktijdig sterven der ouders, het thuis blijven wonen van een in decimalen verdund kind, en de mogelijkheid, dat kinderen het ouderlijk nest kunnen verlaten voor hun huwelijk. Erg belangrijk zijn deze factoren echter niet, het feit, dat zij elkander ten deele tegenwerken legt ook eenig gewicht in de schaal, en mijn afronding naar boven geeft ten slotte den doorslag.

In mijn grafiek speurt het oog drie lijnen, onderscheidenlijk:

A. die van het gemiddeld bewoningsgezin;

B. die van het totaal aantal gezinnen: en C. die van het totaal aantal inwoners.

Dat deze lijnen alleen bruikbaar zijn bij voldoende regelmaat vooral in de laatste jaren, spreekt vanzelf.

Punt van uitgang is lijn A (men vergeve dit zonderlinge Nederlandsch). Het gemiddeld bewoningsgezin daalt inderdaad zeer sterk, en wel van 4.7452 tot 3.7141, dus met 1.0311 of bijna 22 %, en dat in den loop van 22 jaar en 9 maanden. Wij naderen de critische horizontale van ± 3.55 met groote snelheid. Het bereiken van die lijn, is, gelet op het beloop van lijn A, een kwestie van zoo luttele jaren, dat een profetie niet te gewaagd is.

Wanneer wordt nu de critische lijn bereikt? Ten einde deze vraag te beantwoorden, heb ik drie rechten getrokken:

le. door begin en eindpunt;

2e. door hoogste berg en eindpunt; 3e. door diepste dal en eindpunt,

en die lijnen doorgetrokken tot de critische.