is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 23, 1942, no 5, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in welke verhouding de huurwaarde van de niet-belaste woningen tot die der overige staat. De resultaten zijn met de uitkomsten van woningtellingen in verschillende gemeenten vergeleken, waarbij een bevredigende overeenstemming werd geconstateerd. Aangenomen is nu, zij het met eenig voorbehoud, dat de Amsterdamsche cijfers representatief zijn voor het geheele land.

Met minder recht kon deze methode worden volgehouden ten aanzien van een tweede correctie, die noodzakelijk is omdat de gegevens omtrent de personeele belasting ook betrekking hebben op winkels, kantoren, logementen enz. De aftrek, die dientengevolge aangebracht moet worden om een cijfer te verkrijgen, dat alleen voor de woningen geldt, kon slechts met behulp van verschillende veronderstellingen worden benaderd. Wel is voor Amsterdam het aantal winkels in 1925 dank zij de Woningtelling van dat jaar bekend, maar geraamd moest worden een zeker bedrag als huurwaarde voor hef winkelgedeelte van een winkel met woning. Verder moest het aantal kantoren worden geschat op grond van de resultaten der bedrijfstelling 1930, terwijl ook hier de gemiddelde huurwaarde van het woninggedeelte schattenderwijs moest worden bepaald. De totale huurwaarde van logementen, pensions e.d. kon slechts langs indirecten weg worden benaderd, door te vergelijken de resultaten van de woningtelling eenerzijds en de gegevens van de personeele belasting andererzijds. Het cijfer voor Amsterdam moest verder voor Nederland nog worden gewijzigd, aangezien het aantal winkels, kantoren en logementen te Amsterdam naar verhouding grooter is dan in het geheele land.

Aldus kon nu de totale huurwaarde der woningen en vervolgens uit dit cijfer en dat van het aantal woningen de gemiddelde woninghuur van jaar tot jaar berekend worden.

Vergelijking met enkele beschikbare huur-indexcijfers, met name dat voor arbeiders en meer-gegoeden te Amsterdam en ambtenaren te ’s Gravenhage, leert dat er een vrij groote mate van overeenstemming bestaat: echter is er tamelijk veel afwijking tusschen 1921 en 1928. Het berekende cijfer blijkt over dat tijdvak aan den lagen kant te zijn, wat te wijten is aan de lage correctie voor niet-belaste woningen. Met het oog hierop heeft de schrijver nog een correctie achteraf aangebracht.

Het indexcijfer wordt dan ten slotte als volgt

1921 70

1922 77 1923 81 1924 88

1925 90 1926 93 1927 94

1928 . 98 1929 98

1930 100 1931 101

1932 102 1933 101 1934 100

1935 98 1936 95

1937 92 1938 92

H. V. d. W.

Stedebouwkundige idealen van het einde der 15e tot het begin der 17e eeuw

door Ir. P. Bakker Schut

II (Slot)

4. Simon Stevin (1548—1620)

Evenals bij Dürer en Speckle houden de stedebouwkundige bespiegelingen van Simon Stevin direct verband met zijn vestingbouwkundige inzichten. Op laatstbedoeld gebied was hij bij uitstek deskundig en verrichtte hij baanbrekend werk. De vestingbouw na 1600 wordt langen tijd beheerscht door de denkbeelden van Stevin, zoowel in ons land als elders.

Een merkwaardige figuur, deze leermeester en later raadsman van Prins Maurits, wiens beeltenis hieronder is weergegeven, i) Een universeel geleerde, die zich bewoog op het gebied van de wiskunde, natuurkunde, mechanica, geografie, militaire wetenschap, burger-

') Een zeer lezenswaardige kenschetsing van zijn persoon en zijn werk vindt men in: J. en A. Romein Erflaters van onze beschaving. Ie deel (1938). Zie ook de inleiding van Dr. Annie Romein tot den herdruk (1939) van Stevin’s „Het Burgerlick Leven”.

Afb. 11. Simon Stevin. Portret van een onbekende (ontleend aan den herdruk in 1939 van Stevin's ~Het Burgerlick Leven” en uitgegeven door de N.Y> Wereldbibliotheek)