is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 23, 1942, no 10, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Overzicht van tijdschriften

Nederland

De 8 en Opbouw, No. 6, Juni 1942

Over baksteen en bouwen, door Ir. A. Plate. De tekst van een brochure van Ir. A. Plate. geschreven naar aanleiding van de tentoonstelling ..Nederland bouwt in baksteen” te Rotterdam, over de moderne architectuur in Nederland en haar perspectieven (met afb.).

Bouwbedrijl >en Openbare Werken, No. 13, 19 Juni 1942

Kleine woningen in Denemarken. Publicatie van enkele ontwerpen uit een Deensch tijdschrift. Zij betreffen een villatje en eenige landarbeiderswoningen (met afb.).

No. 18, 28 Augustus 1942

Lichtbeneming door geboomte op erven, door Mr. G. H. Arnhardt Jr. Een nieuwe bepaling in de Amsterdamsche bouwverordening, inhoudende dat als nadere eisch ten aanzien van erven kan worden gesteld dat geboomte wordt verwijderd, ingekort of gesnoeid ter verbetering van de lichttoetreding, werd door den Secretaris-Generaal van Binnenlandsche Zaken niet goedgekeurd, omdat de bestaande minder vergaande bepaling voldoende werd geacht, omdat er strijd is met de Woningwet art. 1. eerste lid dier wet spreekt niet van erven en omdat de materie reeds geregeld is in het Burgerlijk Ten aanzien van een overeenkomstige bepaling in de Haagsche bouwverordening werd korten tijd later geoordeeld, dat daarop ten onrechte de goedkeuring verzocht was. daar zij steunde op de Gemeentewet. Vernietiging van deze bepaling op de andere genoemde gronden is echter uitgebleven.

No. 20, 25 September 1942

Aanleg van woonstraten. door D. Oosterbaan. Schr. geeft eerst enkele historische bizonderheden en beschrijft daarna, op grond van de praktijk te Groningen, welke voorbereidende werkzaamheden moeten worden verricht voordat de aanleg van woonstraten kan geschieden. Met afbb. Wordt vervolgd.

Bouwkundig Weekblad, No. 26, 27 Juni 1942

Centrale verwarming van flatwoningen met gas. door Ir. D. Tinbergen. De eischen van beknoptheid en gering onderhoud brengen de gasverwarming op den voorgrond. De centrale verwarmingsketels voor gas zijn van geringe grootte, terwijl de gebruikelijke tarieven tot voor flatwoningen aannemelijke prijzen leiden (met afb.).

No. 27, 4 Juli 1942

De wederopbouw van de stad Wageningen. door G. J. Veenstra. Schrijver critiseert de wijze, waarop de wederopbouw in Wageningen verloopt. Vooral heeft schrijver critiek op de oplossing ten aanzien van de bebouwing rond de Gothische kerk. Dit kerkgebouw is geprojecteerd op een vrij groot open plein, waarvan de afmetingen niet in de juiste verhouding staan tot die van het kerkgebouw. De winkelpanden rond het plein zullen de rust verstoren. Ook over de uitvoering van den wederopbouw is schr. ontevreden. Er is geen overleg gepleegd met belanghebbenden en hun adviseurs. De gemeente-architect treedt dictatoriaal op. De vrije keuze van architecten is beperkt. De uitvoering bevestigt overigens de critiek van schr. op de vormgeving van het kerkplein (met afbb.).

No. 31, 1 Augustus 1942

Prijsvraag Hofplein en Blaak Rotterdam. Bespreking van de resultaten van deze prijsvraag.

No. 38, 19 September 1942

Het besluit van den Führer van 15 November 1940 ter voorbereiding van den Duitschen woningbouw na den oorlog, door Ir. A. F. Bakhoven. Schr. zet de doelstelling en den inhoud van het genoemde besluit uiteen en maakt een vergelijking tusschen de daarin vastgestelde minimum-afmetingen voor vertrekken, die van de Amsterdamsche bouwverordening en van het rapport van de Commissie voor de goedkoope woning. Het blijkt dat de nieuwe Duitsche normen belangrijk boven de genoemde Nederlandsche minima uitgaan. Ook de als uitvloeisel van het besluit van den Führer ontworpen woningtypen steken gunstig af bij de beste voorbeelden van arbeiderswoningen te Amsterdam. De nuttige woonruimte is eenerzijds 73.5 andererzijds 54 a 59 Andere voor Amsterdam ongunstige verschilpunten zijn de smalle gevelbreedte (lichttoetreding. pijpenladen) en de centrale ligging van het trappenhuis met als gevolgen de bekende kleine derde slaapkamer, de gehoorigheid. de trap met kwartslagen, de onvoldoende ventilatie, de gebrekkige verlichting van de trap. het brandgevaar en luchtgevaar. Bij de Duitsche woningtypen grenst het trappenhuis steeds over de volle breedte aan den buitenmuur. Met afbb. Wordt vervolgd.

•, No. 39, 26 September 1942

Het besluit van den Führer van 15 November 1942 ter voorbereiding van den Duitschen woningbouw na den oorlog, door Ir. A. F.

Bakhoven. Vervolg. Schr. merkt op dat hij bij zijn vergelijking de zolderkamers buiten beschouwing heeft gelaten. Zijn conclusie is dat Duitschland na den oorlog een woningpeil zal bereiken dat belangrijk uitgaat boven hetgeen in Amsterdam werd gebouwd. Hier was de beslissende vraag hoeveel de arbeider verwonen kan. Toepassing van de Duitsche normen in Amsterdam zou tot een sterke vermindering van de bebouwingsdichtheid leiden, wat schr. nader door een becijfering aantoont. Er is geen reden te vreezen dat ons land hierdoor volgebouwd zou raken. Het besluit van den Führer loopt niet lichtvaardig over de kosten heen. maar wijst middelen aan om tot verlaging te komen. Wordt vervolgd.

Economisch-Statistische Berichten, No. 1376, 3 Juni 1942

Gezinsgrootte en Woningbehoefte, door Dr. Ir. H. G. van Beusekom. Aan de hand van eenige tabellen toont schrijver aan. dat reeds met vrij eenvoudige gegevens een inzicht kan worden verkregen in woningbehoefte, onderscheiden naar de ruimte.

No. 1386, 12 Augustus 1942

Bouwgrond voor woningbouw, door Dr. Ir. H. G. van Beusekom. Schrijver wijst erop dat het noodzakelijk is. dat direct na den oorlog, wanneer op groote schaal met den bouw van woningen begonnen zal worden, voldoende grond disponibel zal zijn. Hierop dient de gemeentepolitiek reeds thans gericht te zijn. Verschillende oorzaken, en vooral ook de vlucht in het onroerend goed in den laatsten tijd. hebben er toe geleid, dat er in verschillende gemeenten een tekort aan bouwgrond is ontstaan en de prijzen van bouwgrond aanzienlijk zijn opgeloopen. Het belang van de volkshuisvesting eischt. dat hierin voorzien zal worden. Voorkomen moet worden, dat de uitvoering van een grootsch bouwprogramma wordt gestagneerd en de huren van de te bouwen woningen hooger zouden worden dan noodig is. Te meer reden is er om te waken tegen te hooge grondprijzen, omdat te verwachten is. dat het bouwkostenpeil toch reeds aanzienlijk hooger zal liggen dan dat van 1936 of 1939.

No. 1388, 26 Augustus 1942

De prijsvorming van bouwgrond, door Dr. Ir. H. G. van Beusekom. In dit artikel bespreekt schr. de factoren, welke de waarde van bouwgrond bepalen en hoe de kosten van stadsuitbreiding gedekt dienen te worden. Wanneer de grond in de sfeer van bebouwing komt te liggen, treedt er een belangrijke prijsstijging op. welke in hoofdzaak veroorzaakt wordt door het hoogere rendement van de exploitatie van dien grond of de bebouwing. Hij wijst op de onbillijkheden welke waren gelegen in de vroegere regeling bij onteigening van gronden ten behoeve van stadsuitbreiding. Ofschoon in 1931 in de Woningwet hierin is voorzien, is de regeling, welke thans geldt, nog geenszins voldoende. Reeds lang wordt gezocht naar een regeling, welke de mogelijkheid opent, de groenvoorzieningen. aanleg van speel- en sportvelden en andere sociale voorzieningen. welke van een moderne stadsuitbreiding worden geëischt. te doen bekostigen door de exploitatie van de betreffende stadswijk en deze op een billijke wijze over de eigenaren der in het plan begrepen gronden om te slaan. Schr. wil deze kosten evenredig doen drukken in verhouding Sot de waarde van het grondbezit.

No. 1391, 16 September 1942

Prijsbeheersching van bouwgrond, door Dr. Ir. H. G. van Beusekom. Voor principieele bezwaren tegen het vastleggen van de grondprijzen op de agrarische waarde en het beletten van speculatieve stijging van die prijzen is geen plaats meer. sedert de fixeering der grondprijzen in onze wetgeving is geincorporeerd. De Duitsche regeling terzake gaat uit van een „stopprijs”. d.i. de prijs, die op 17 October 1936 bij verkoop van het perceel onder normale omstandigheden vermoedelijk zou zijn bedongen, terwijl voor bouwterrein slechts een bizondere prijs toelaatbaar is als het gaat om een terrein, waarvoor op den genoemden datum inderdaad binnen afzienbaren tijd op bebouwing kon worden gerekend. Voor Nederland zal na den oorlog het beginsel moeten blijven gelden dat niet de opneming van een terrein in eenig uitbreidingsplan aanspraak geeft op een hoogeren prijs, maar alleen het feit dat het in de sfeer der bebouwing ligt en dat daardoor voor 9 Mei 1940 terreinen ter plaatse voor hoogeren prijs zijn verkocht of bij vererving toebedeeld. Op den duur zal hierdoor de bouwterreinwaarde tot de agrarische waarde worden teruggebracht, wat de woningvoorziening zal vergemakkelijken.

Gemeentebedrijf en administratie. De gemeentefinan~ ciën, No. 16, 20 Augustus 1942

Gemeentelijke grondpolitiek in oorlogstijd, door J. P. de Looff. Schr. werpt de vraag op of in normale tijden de grondprijzen voor gemeentelijken- en vereenigingsbouw lager mogen zijn dan die voor particulieren bouw. Tekorten op de exploitatie van woningen behooren niet op den grond te drukken. In zooverre is er dus aanleiding om de beide genoemde vormen van exploitatie op gelijken voet te behandelen. Maar wel is het gemotiveerd onderscheid te maken tusschen den grondprijs voor arbeiderswoningbouw en voor duurdere woningen. Het is billijk dat de gemeenten zich tegen de risico’s ver-