is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 24, 1943, no 3, 1943

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

E. Wafervoorzienitiff 22. Elke woning moet zijn voorzien van een inrichting voor watervoorziening, waardoor deugdelijk drink- en huishoudwater in voldoende mate kan worden verschaft. De bewoners moeten daarvan steeds gebruik kunnen maken. De in het vorige lid genoemde inrichting voor watervoorziening moet bestaan in een aansluiting op de drinkwaterleiding, indien eenig deel van de woning niet meer dan 40 m is verwijderd van de hoofdleiding of van de as van den weg, waarin ter plaatse een zoodanige leiding aanwezig is. |

Indien deze afstand meer dan 40 m doch minder dan ICO m bedraagt, bestaat eveneens de verplichting tot aansluiting aan de drinkwaterleiding, mits den eigenaar van de woning niet meer in rekening wordt gebracht dan de kosten van aansluiting, berekend voor een afstand van ten hoogste 40 m. De in het vorige lid bedoelde afstand wordt gemeten over den kortsten weg, langs welken een aansluiting zonder overwegende bezwaren kan worden gemaakt.

F. Voorkoming van vochtigheid

23. Alle uit de fundeering opgaande muren en kolommen moeten over de volle dikte en ter hoogte van ten minste 0,60 m zijn voorzien van een tras- óf cementraam, hetwelk moet reiken van ongeveer 0,30 m beneden tot ongeveer 0,30 m boven den gemiddelden grondslag van bet bij bet gebouw aansluitende terrein.

G. Verankering van houten balken en van kozijnen

24. Alle omtrekmuren van een gebouw moeten aan de constructie der daarop rustende of daartegen aansluitende vloeren met uitzondering van den beganen grondvloer, voorzoover daaronder geen kelderruimte aanwezig is en, bij topgevels, ook aan de constructie der daarop rustende of daartegen aansluitende dakvlakken, op stevige wijze worden verankerd. In geen geval mag de afstand tusscben twee opvolgende verankeringen meer dan 2,25 m bedragen. De verankering van bouten balklagen met de muren moet geschieden met stalen ankers van ten minste 320 doorsnede. Strijkankers moeten doorloopen tot achter den tweeden balk, uit den te verankeren muur gerekend.

25. Van bouten kozijnen moet elke stijl in bet muurwerk worden verankerd met ten minste twee scbroefdraadankers, welke een middellijn van ten minste 8 mm moeten hebben. De afstand tusscben twee opvolgende ankers mag ten hoogste 1,00 m bedragen. Van andere dan bouten kozijnen moet elke stijl in bet muurwerk worden verankerd met ten minste twee ankers als genoemd in bet vorige lid. dan wel met band- of staafstaalankers met een doorsnede van ten minste 3 mm X 20 mpi.

H. Balklagen met houten vloeren

26. De dikte van een houten vloer op een balklaag moet ten minste 0,022 m bedragen. De binten van een balklaag mogen, tenzij de vloerdifcte meer dan 0,022 m bedraagt, op niet grooteren afstand dan 0,75 m, hart op hart, uit elkander worden gelegd.

I. Dakbeschot 27. De dikte van de houten delen van het dakbeschot moet ten minste 0,018 m bedragen.

K. Lichttoetreding 28. In ieder vertrek moet boven een hoogte van ten minste O',Bo m boven den vloer het glasoppervlak ten minste van het vloeroppervlak bedragen, indien het licht tot het laagste punt van dat glasoppervlak kan toetreden onder een hoek van ten hoogste 30 ° met het horizontale vlak; doch ten minste Vr van het vloeroppervlak, indien het licht tot het genoemde punt kan toetreden onder een hoek van ten hoogste 45 ° met het horizontale vlak. Het licht moet tot het volle verplichte glasoppervlak kunnen toetreden onder een hoek van ten hoogste 45 ° met het horizontale vlak. Voor zoldervertrekken moet het glasoppervlak ten minste van het vloeroppervlak_bedragen. |

Ten aanzien van ket kunnen nadere'eischen worden gesteld, indien de lichttoetreding tot het raam uit zijwaartsche of bovenwaartsche richting aanzienlijk wordt belemmerd. De in het eerste en tweede lid genoemde hoeken worden gemeten in een verticaal vlak, loodrecht op het raamvlak. Van het bepaalde in het tweede lid kan vrijstelling worden verleend voor onder toegangsgalerijen van woongebouwen gelegen vertrekken, niet zijnde vertrekken als bedoeld onder a 3b. In deze gevallen kan de in het tweede lid genoemde hoek worden verminderd tot 30 ° en het daarin genoemde oppervlak tot de helft van het verplichte glasoppervlak.

L. Schoocsteenen 29. Rookkanalen moeten over de geheele lengte een zooveel mogelijk gelijke doorsnede verkrijgen: de binnenafmetingen moeten overal ten minste 0,15 m bedragen, tenzij de rookgeleiding geschiedt via ingeleide pijpen, in welk geval met binnenafmetingen van ten minste 0,11 m kan worden volstaan.

30. Indien een schoorsteen door een plat dak gaat, moet de uitmonding ten minste 1,00 m boven dit platte dak zijn gelegen; indien een schoorsteen door een schuin dak gaat, moet de uitmonding ten minste 1,00 m boven den nok van het dak zijn gelegen. |

Nadere eischen kunnen worden gesteld ten aanzien van de hoogte der uitmonding, indien de hoogte van bestaande of te verwachten belendende bebouwing daartoe aanleiding geeft. 31. Wanden en tongen van scboorsteenen moeten een dikte van ten minste een halve steen verkrijgen. |

B. faden in twee aangrenzende, || cjf niet tot dezelfde woning behoorende vertrekken de schoorsteenen tegen den gemeenschappelijken muur worden gebouwd, mogen deze schoorsteenen zoodanig worden geconstrueerd, dat van den scheidingsmuur een dikte van 0,11 m overblijft, mits de schoorsteenkanalen tegenover elkander zijn gelegen en gelijk i met de muren en in verband daarmede worden o—etrokken.

M. Bijzondere bepalingen

33. Ten aanzien van de toepassing en de keuring van materialen en de berekening van constructiedeelen gelden de desbetreffende normen, vastgesteld door de Hoofdcommissie voor de Normalisatie in Nederland, voor zoover deze normen op van kracht waren. I '

34. Indien in de bouwverordening een bepaald materiaal of een bepaalde wijze van constructie of uitvoering is voorgeschreven, kan de Burgemeester vrijstelling verleenen van de desbetreffende bepalingen en het gebruik van andere materialen of de toepassing van een andere wijze \’an constructie of uitvoering toestaan, mits de zekerheid aanwezig is, dat deugdelijk werk zal worden geleverd.

Toelichting

Inleiding Strekking. De in deze normaalbladen opgenomen bepalingen hebben uitsluitend betrekking op woningen. Voor de verschillende onderwerpen, welke gewoonlijk in gemeentelijke bouwverordeningen worden geregeld, zijn alleen die bepalingen opgenomen, welke van invloed zijn op de grootte van een woning, of waarin maten worden genoemd, welke van beteekenis zijn- bij het ontwerpen van een woning. Het essentiëele der onderhavige bepalingen wordt dus gevormd door de daarin voorkomende maten. Een uitzondering hierop maken de punten 6, 33 en 34, terwijl voor punt 3 bovendien essentieel is de opsomming van de elementen, welke een woning ten minste moet bevatten. Echter zijn niet alle bepalingen, welke onder bovenstaande omschrijving vallen, in deze normaalbladen opgenomen. Niet omdat deze bepalingen van minder belang zouden zijn, maar uit overweging eenerzijds, dat deze onderwerpen zich niet voor normalisatie leenen, aangezien allerlei plaatselijke omstandigheden zooals waterstaatkundige toestand, terrein- en bodemgesteldheid daarbij van invloed zijn (b.v. hoogteligging van vloeren, aanlegdiepte van fundeeringen) en anderzijds, dat deze onderwerpen zoo veelomvattend zijn, dat zij beter geheel afzonderlijk kunnen worden geregeld (b.v. dikte van muren). Uit de beperkte strekking volgt, dat de inhoud dezer normaalbladen niet als een volledig stel bepalingen voor den bouw van woningen kan worden beschouwd, |

IpMcfie van de bepalingen. Overeenkomstig hun strekking hadden de bepalingen den volgenden vorm kunnen verkrijgen: ~1. Indien de bouwverordening een bepaling bevat omtrent het minimum ~oppervlak van woningen, gemeten binnen de omtrekmuren, wordt voor ~dit oppervlak als norm gesteld: 37 Enz.” Weliswaar zou aldus de bedoeling telkens duidelijk zijn geweest, doch anderzijds zou de formuleering dikwijls zeer omslachtig zijn geworden en het geheel dus weinig overzichtelijk. Daarom is een andere weg gekozen en zijn de normen kortheid.shalve gegoten in den vorm van bepalingen. Bij het redigeeren van de bepalingen is getracht daaraan een zoodanigen vorm te geven, dat zij, rekening houdende met de verscheidenheid van eischen van grootere en kleinere gemeenten, zonder bezwaar in de overgroote meerderheid der gemeentelijke bouwverordeningen zouden kunnen worden overgenomen. Hierbij is uitgegaan van de overweging, dat de gemeentelijke bouwverordeningen in het algemeen middellijk of onmiddellijl zijn geïnspireerd op den „Leidraad voor het samenstellen van een bouw» verordening” door rar. L. Lietaert Peerbolte en ir. H. van der Kaa. Ob deze reden is de formuleering der bepalingen, zooals deze in genoemden Leidraad is geschied, in het algemeen aangehouden. |

Het zal duidelijk zijn. dat de bepalingen niet in ale gevallen letterlijk zul' len kunnen worden overgenomen. Voor de gemeenten, waar de bouw van meergezinswoningen is verboden, zullen die gedeelten der bepalingen, welke op den bouw van zoodanige woningen betrekking hebben, buiten beschouwing kunnen blijven. Ook in die verordeningen, welke wat indeeling en groepeering betreft, aanzienlijk van den Leidraad afwijken (dit zal in het algemeen voor de grootere gemeenten gelden) zal het niet mogelijk zijn, de bepalingen letterlijk over te nemen. Er bestaat dan geen bezwaar tegen, dat, voor zoover noodzakelijk, de gegeven redactie wordt omgewerkt, teneinde in de bestaande verordening te worden ingepast.

Vrijstelling en nadere eischen. De vraag kan worden gesteld, in hoeverre naast de bepalingen ruimte is voor afwijkende bepalingen, t.w. vrijstellingen en nadere eiscben. Ter vsjorkoming van misverstand zij in dit verband allereerst herinnerd aan hetgeen hierboven werd gezegd: de in deze normaalbladen opgenomen bepalingen hebben slechts een beperkte strekking.