is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 26, 1945, no 1-2, 1945

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werk wordt gegaan. Samenwerking tusschen het College van Algemeene Commissarissen voor den Wederopbouw, de Inspectie der Volkshuisvesting, de Provinciale Planologische Diensten en de betrokken gemeentelijke diensten zal daartoe in de eerste plaats noodzakelijk zijn. Hierdoor kan worden bereikt, dat de beste krachten beschikbaar blijven voor de moeilijkste problemen. En ten tweede kan door deze coördinatie worden voorkomen dat ve.rtraging ontstaat door een teveel aan toezichthoudende en dirigeerende organen, waardoor het voor de eigenlijke ontwerpers en uitvoerders ondoenlijk wordt den weg te vinden in den dwaaltuin der ambtelijke hiërarchie.

Voorafgaand overleg met de provinciale planologische diensten (resp. met den dienst van het Nationale Plan) zal ook noodig zijn bij het ontwerp der plannen in al die gevallen dat bovengemeentelijke belangen zijn betrokken bij de bestemming der door verwoesting vrijgekomen terreinen. Vooral zal dit geval zich voordoen bij de aanwijzing van terreinen voor industrieele doeleinden: bij de beslissing van de vraag welke de meest in aanmerking komende plaatsen zijn voor bepaalde industrieën kunnen zoodanige economische, sociale en strategische belangen betrokken zijn, dat de beoordeeling daarvan niet ligt binnen den gezichtskring van den ontwerper van het gemeentelijk plan.

Ten slotte nog enkele opmerkingen betreffende de volkshuisvesting in engeren zin. Ik beperk mij daarbij tot enkele hoofdzaken.

Vooropgesteld kan daarbij worden, dat men zeer voorzichtig zal moeten zijn bij het hanteeren van statistische gegevens betreffende woningvoorraad en woningbehoefte, die vóór den oorlog verzameld zijn. Daargelaten nog, dat deze ook onder normale omstandigheden sterk verouderd zouden zijn alleen reeds door de sedert verloopen tijdsruimte, is onze bevolking tengevolge van evacuatie en deportatie grondig door elkaar geklutst. Tengevolge van moord, hongersnood en gevechtshandelingen is de sterfte abnormaal groot geweest, terwijl ook huwelijks-frequentie en geboorte door de oorlogsomstandigheden beinvloed zijn. Aan de cijfers uit de „rustige” jaren vóór 1940 valt dus weinig of geen waarde meer te hechten.

Heel erg is dat niet. Vooreerst zal er, mede tengevolge van materialengebrek geruime tijd gemoeid zijn met- het herstel der driehonderdduizend beschadigde- woningen. En wanneer die herstellingen gereed zijn, zijn er zoovele gemeenten waar in elk geval gebouwd moet worden en zoovele soorten woningen waaraan in elk geval behoefte bestaat, dat men met een gerust geweten op ruime schaal met den nieuwbouw kan aanvangen zonder dat vrees behoeft te bestaan, dat men woningen bouwt die niet dringend noodig zijn. In plaats van statistieken te hanteeren zal men voorloopig zonder meer zijn gezond verstand moeten gebruiken. En inmiddels kan voorbereid worden een woning- en gezinstelling op een daarvoor geschikt oogenblik.

Alle teekenen wijzen er op, dat er evenals 25 jaar geleden, maar alleen nog in sterkere mate een neiging zal bestaan om in de dringende woonbehoefte in de eerste plaats te voorzien door den bouw van noodwoningen. In het Zuiden werd de drang daartoe reeds dadelijk na de bevrijding merkbaar en na den óen Mei roept ook de rest van het land om noodwoningen. In verscheidene gemeenten zijn zij reeds in aanboüw of in voorbereiding. Een totaal aantal van 5000 is genoemd.

Vooropgesteld zij, dat er gevallen zijn, waarin noodwoningen helaas onvermijdelijk zijn. Indien een plaats zoo grondig is verwoest, dat er nog slechts een gering aantal woningen over is, is er geen andere weg om te voorzien in de nijpende behoefte aan huisvesting. Hetzelfde geval doet zich voor indien zich de noodzakelijkheid voordoet plotseling personeel onder te brengen van een vitaal bedrijf in een gemeente met acuut woninggebrek. En ten slotte kan gebrek aan normale

materialen voor den huizenbouw noodzaken tot het toepassen van nood-constructies (houtwolplaten, leemsteenen, vlechtwerk van teenen met leem bestreken, e.d.).

Maar overigens kan niet sterk genoeg worden gewaarschuwd tegen de neiging om in de blijvende woon behoefte te voorzien door noodoplossingen. Ik heb in 1940 gemeend tegen den aandrang om noodwoningen te bouwen te moeten waarschuwen (zie Jaargang 1940, blz. 113) en ben sedertdien nog versterkt in de meening dat dit niet de juiste weg is.

Weliswaar is de wensch naar noodwoningen begrijpelijk; men bouwt die noodverblijven in korter tijd, met minder materialen en tegen lagere kosten dan behoorlijke definitieve woningen. Maar de zuinigheid bedriegt de wijsheid, ook in dit geval. Terwijl een goedgebouwde woning ten minste 50 a 60 jaar, maar vermoedelijk veel langer in stand gehouden zal nen worden, is de noodwoning na enkele jaren reeds in verval en moet dan afgebroken worden. Buitendien biedt de noodwoning èn doordat die; minder woonruimte bevat, èn omdat de constructie te wenschen overlaat, geen menschwaardig verblijf. De ondervinding gedurende en na den vorigen wereldoorlog met noodwoningen opgedaan, is dan ook zeer bepaald ongunstig, vooral uit sociaal oogpunt Behoorlijke gezinnen verlaten het noodverblijf, zoodra zij daartoe maar kans zien. En na korten tijd is het noodwoningencomplex de verzamelplaats van ongewenschte elementen en tevens een broedplaats van ongedierte.

Naarmate de noodwoning technisch beter verzorgd is, zal uiteraard de levensduur langer zijn en zullen de bezwaren uit een oogpunt van volksgezondheid minder klemmend zijn. Maar ook het verschil in kosten en het verschil in hoeveelheid materialen wordt in dezelfde evenredigheid geringer en hoe geringer dat verschil is, hoe minder aanleiding er bestaat woningen van tijdelijken aard te bouwen.

Van principieel belang is ook de vraag, of men den voorrang moet geven aan den bouw van woningen voor groote dan wel aan die voor kleine gezinnen.

Voor het eerste pleit de overweging, dat het juist de groote gezinnen zijn, voor wie het samenwonen in kleine overvulde woningen verreweg de grootste bezwaren oplevert. Ook het telt dat onder de oude woningen een relatief groot aantal bevindt, dat alleen voor kleine gezinnen voldoende ruimte biedt, wijst in de zelfde richting. Voor het verkenen van voorrang aan de kleine woningen (die ongetwijfeld ook noodig zijn) IS aangevoerd dat men met een bepaalde hoeveelheid materialen meer kleine dan groote woningen kan bouwen. Inderdaad zal de materialen-aanvoer gedurende de eerste jaren het tempo van den woningbouw bepalen. Toch schijnt het mij dat evenbedoeld argument meer theoretische dan praktische waarde heeft; het verschil wordt in hoofdzaak veroorzaakt door het aantal en de grootte der slaapkamers en is niet van doorslaand belang. Maar buitendien, indien men niet het aantal gezinnen, maar het aantal gehuisveste pei’sonen als maatstaf neemt, slaat de balans door naar de andere zijde; per ombouwde ruimte is het aantal gehuisveste personen ongetwijfeld grooter in de woningen voor groote gezinnen. Maar hoofdzaak is, dat gezinnen met kinderen, zooals hierboven reeds werd aangestipt, het meest lijden onder door woninggebrek veroorzaakte misstanden. Het zou daarom niet juist zijn voorloopig alleen woningen te bouwen, welke alleen geschikt zijn voor ouden van dagen of jonggehuwden.

Een derde belangrijk punt bij den woningbouw betreft de normalisatie. Men dient hierbij scherp te onderscheiden tusschen drieërlei :

a. normalisatie van woningonderdeelen;

b. normalisatie van woningtypen;

c. normalisatie der bouwverordeningen.

De normalisatie van de elementen, waaruit de woning wordt opgebouwd, kan slechts voordeel brengen èn uit een oogpunt van bespoediging van den bouw èn uit een oogpunt van kostenbesparing. Buitendien zal waarschijnlijk uit een dergelijke normalisatie per saldo een verbetering der kwaliteit