is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 26, 1945, no 4, 1945

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een hoofdmoment in de zorg voor dit alles in Engeland is nog steeds de stedebouwwet van 1932, die de mogelijkheid opende èn de binnenstad èn het landelijk gebied onder ~planning control” te brengen.

Nieuw was ook dat het uiterlijk voorkomen van de bebouwing in de wet genoemd werd als een onderwerp van overheidsbemoeiing. Bezien uit een oogpunt van de bestemming van den grond was de kern van de nieuwe wet misschien de bepaling, die de overheid in staat stelt, bouw te verbieden op bepaalde terreinen, totdat aangetoond wordt dat geen gevaar of schade voor de gezondheid zal ontstaan wegans het ontbreken van rioleering, wegen, watervoorziening of andere openbare diensten en dat de aanleg van een en ander niet voorbarig of bizonder kostbaar zou zijn of het aspect ter plaatse ernstig schade zou ondervinden.

In de jaren, die op het totstandkomen van de wet volgen, vertoont de ontwikkeling enkele opmerkelijke trekken. Het graafschap wint aan beteekenis als verband, waarin de leiding over de ruimtelijke ontwikkeling wordt samengevat. Het streekplanwerk wint veld, maar de uitkomsten stellen teleur: de wettelijke plannen blijven in aantal, inhoud en beteekenis ver achter bij de serie streekplanrapporten. En de bestemming voor landelijke doeleinden vormt een onderwerp, dat slechts moeizaam en ten deele langs den weinig bevredigenden omweg van de bestemming voor bebouwing met een geringe, d.w.z. een prohibitieve dichtheid, benaderd kan worden.

Is het niet treffend dat in al deze opzichten Engeland en Nederland zch langs evenwijdige lijnen bewegen? Het deelnemen van de provincie aan het stedebouwkundig werk, de moeilijkheid om met het streekplanwerk los te komen uit de fase van het-beschrijvende rapport, en de beruchte landelijke doeleinden Heerlen en Haarlem beheerschen ook onzen stedebouw in het decennium van 1930 tot 1940.

In de laatste jaren voor den oorlog werkte de Engelsche Regeering een krachtiger bescherming van het landelijk gebied in de hand: een circulaire van den Minister, in 1938 uitgezonden, suggereerde de toepassing van zeer restrictieve bestemmingen, voor landelijke gebieden en voor kuststrooken. Er is op groote schaal van gebruik gemaakt, en dit met instemming van de grondbezitters, bij p’annen voor North Riding (Yorkshire). Daar is over een oppervlakte van 964.000 acres, behoorende tot 19 gemeenten, het grootste deel van het territoir voor landelijke doeleinden aangewezen. Deze ■—■ gemeenschappelijke plannen zijn nog in een ander opzicht merkwaardig. Er is voor elk van deze een gemeenschappelijk lichaam gevormd, dat de bepalingen van het plan zal handhaven en tot uitvoering brengen, met enkele uitzonderingen wegen, benzine-stations en reclames die door den graafschapsraad zul’en worden behartigd. Ook dit is een vraagpunt, dat in de recente historie van onze stedebouwwetgeving niet onbekend is en dat met name bij de herziening van de Woningwet in 1931 in ongunstigen zin is beslist. De toenmalige minister achtte de taak van een streekplancommissie met de vaststelling van het plan afgeloopen. Weinig vooruitgang wordt gemeld inzake de plannen voor de bestaande bebouwing. De vrees voor schadevergoeding weerhield hier van krachtiger ingrijpen.

Ook het Nationaal plan was in Engeland in de jaren vlak voor het uitbreken van den oorlog binnen den gezichtskring gekomen en niet anders dan bij ons was het een particulier lichaam, dat hiertoe den stoot gaf. Een commissie, ingesteld door den Raad van het Town Planning Institute bracht er in 1938 rapport over uit.

Dan komt de oorlog, waarvoor de nationale energie van Engeland op een ongeëvenaarde wijze zal worden gemobiliseerd. Het pleit des te meer voor de vitaliteit van het Engelsche volk en getuigt tegelijkertijd van het scherpe begrip voor de praktische beteekenis van den stedebouw, dat in de oorlogs-

]) Bij het volgende i.s vooral geput uit een overzicht van G. L. Pepler, afgedrukt in het Report van de Town and Country Planning Summer School 1943.

jaren uitermate belangrijk studie-werk tot voltooiing is kunnen komen. Enkele van de groote vraagstukken, die op den achtergrond van bijna alle plannen opdoemden en hun noodlottigen invloed deden gelden zijn vlak voor of tijdens den oorlog van Regeeringswege aan commissies voorgelegd. Om te beginnen dat van den trek van de industrie naar Londen en omgeving en de daaruit voortvloeiende samentrekking van de bevolking. Dit is het onderwerp van het Barlow-rapport. Het is niet mogelijk deze omvangrijke studie in kort bestek tot haar recht te doen komen.

De commissie, genaamd naar haar Voorzitter, had tot taak de oorzaken op te sporen van de huidige geografische verdeeling van de industrieele bevolking van Groot-Brittannië, de toekomstige ontwikkeling na te gaan, de sociale, economische en strategische nadeelen vast te stellen van de concentratie in de groote steden of in bepaalde streken en verslag uit te brengen over eventueel wenschelijke maatregelen tot ■herstel.

De commissie sprak als haar oordeel uit dat in vele, zoo niet de meeste industrieele concentraties de nadeelen strategisch, sociaal en economisch . een ernstige belemmering vormen en in sommige opzichten zelfs een gevaar voor leven en ontwikkeling van de natie. Zij stelde voor dat er een nieuwe centrale autoriteit in het leven zou worden geroepen, naast de bestaande departementen, met de taak op decentralisatie aan te sturen. Over de constructie van dit nieuwe lichaam was de commissie niet eenstemmig. De meerderheid dacht aan een k'eine commissie, van een Voorzitter met drie leden met een adviseerende, niet-uitvoerende taak, slechts voor het gebied, waar het vraagstuk het meest nijpt, Londen en de zoogenaamde Home Counties, aangevuld met een goedkeuringsrecht ten aanzien van de vestiging van nieuw'e industrieën. Een minderheid van de Commissie, waartoe de bekende stedebouwer Sir Patrick Abercrombie behoorde, kwam tot afwijkende voorstellen. Zij stelde zich de centrale autoriteit voor als een nieuw Ministerie, dat om te beginnen o.a. de bevoegdheden van het Ministerie van Volksgezondheid krachtens de stedebouwwet en die van het Ministerie van Verkeerswezen krachtens de lintbebouwingswet zou moeten overnemen en dat de controle zou krijgen over de vestiging van industrieën en de uitbreiding van bestaande door het geheele land. Er zouden nationale richtlijnen moeten komen, die de Minister zou kunnen opleggen aan gemeentelijke- en streekplannen.

De eenstemmigheid inzake de ontlasting van de volgepropte binnensteden bestond stellig niet alleen in den boezem van de Commissie. Nieuwe streekplanrapporten voor Londen hebben hieraan vorm gegeven.

De suggestie van de minderheid is niet geheel zonder gevolg gebleven. Het zelfstandige Ministerie voor Town and Country Planning is een feit geworden op 10 Februari 1943, met de opdracht samenhang en continuïteit te verzekeren in de vorming en uitvoering van een nationale politiek ten aanzien van het gebruik en de ontwikkeling van het land door geheel Engeland en Wales. Aan deze verheffing van den stedebouw ging een korte phase vooraf, gedurende welke een Ministerie van ~Works and Planning” heeft bestaan, nadat de materie langen tijd toevertrouwd was geweest aan het Departement van Volksgezondheid.

Laat ons hopen dat deze gang van zaken voor Nederland een voorteeken bevat.

Een tweede vraagstuk, dat commissoriaal is gemaakt en als uitkomst daarvan behandeling heeft gevonden in een rapport, is dat van de beheersching van de bebouwing ten plattelande met het oog op de handhaving van den landbouw en de vestiging van industrieën ten plattelande. Dit is het rapport van het Scott-committee. Zij komt tot een lange serie voorstellen van zeer uiteenloopend karakter en daardoor moeilijk te groepeeren en samen te vatten. Ik doe enkele grepen.

Verbetering van de huisvesting ten plattelande is een van de voornaamste maatregelen om het platteland te releveeren. Allerlei voorzieningen gas, electriciteit, waterleiding, rio-