is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 28, 1947, no 6, 1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de woningbouw stagnatie ondervindt doordat geen bouwrijpe grond ter beschikking staat. Daarom is het noodzakelijk, dat de gemeentebesturen, die hiervoor verantwoordelijk zijn, op korte termijn zodanige maatregelen nemen, dat de vaak niet te vermijden onteigeningsprocedure tijdig afgewikkeld is. Zoals bekend heeft de Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting te kennen gegeven, de versnelde onteigeningsmogelijkheden die in het K. B. F 67 zijn vastgelegd, in het algemeen niet te willen toepassen voor de jaren 1948 en later.

Voorts is het gewenst, dat de gemeentelijke instanties overgaan tot het vormen van een voorraad bouwplannen, waaruit dan, indien de arbeidersen materiaalvoorziening dit toelaten, geput kan worden. Het is noodzakelijk en ook niet gewenst met het maken en het inzenden van deze bouwplannen te wachten tot zekerheid bestaat, dat onmiddellijk met de bouw begonnen kan worden."

Grootte van de nieuwe woningen

Een persbericht van de Afdeling Voorlichting van het Ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting luidt als volgt:

~In het woningbouwprogramma, dat de Centrale Directie van de Volkshuisvesting zo hoog mogelijk poogt op te voeren, is niet alleen het totaal aantal woningen van belang, maar ook de grootte van elke woning afzonderlijk. Er moet uiteraard rekening worden gehouden met de gevarieerde gezinssamenstelling van de bevolking, waardoor niet alleen kleine en middelmatige, maar ook grote gezinnen de voor hen geschikte woningen kunnen betrekken.

Er bestaat een schatting voor geheel Nederland . ook hier moet de volkstelling meer zekerheid brengen . waarbij 10% van het aantal te bouwen woningen voor zeer kleine en 20% voor kleine gezinnen nodig zijn. De grootte van deze woningen varieert voor het eerste geval van 125 tot 160 m 3 en voor het tweede geval van 160 tot 200 m 3. Het aantal woningen voor gezinnen van gemiddelde samenstelling zal ongeveer 60% van het totaal uitmaken. De omvang van deze woning, die het meest gevraagd wordt, loopt van 225 tot 290 m 3 (gem. 260 m 3). Tenslotte zijn er nog woningen nodig voor grote en zeer grote gezinnen met een inhoud variërende van 290 tot 350 m 3 en 360 tot 410 m 3. Deze woningen zullen volgens de globale schatting over geheel Nederland rond 10% van het totaal uitmaken.

Het is dus niet zo, dat zoals ten dnrechte in enkele bladen werd vermeld de regering van plan is alle nieuw te bouwen woningen tot een inhoud van 250 m 3 te beperken. Wel degelijk wordt bij de uitvoering van het woningbouwprogramma rekening gehouden met de bestaande behoefte van alle delen van het Nederlandse volk.

Gezegd kan worden, dat door toepassing van de hier genoemde normen het gemiddelde woonpeil thans tenminste 5 % hoger ligt dan in de jaren 1938 tot 1942.”

De betekenis van deze mededeling ligt, behalve in de uitdrukkelijke handhaving van het in de bekende voorlopige wenken opgesloten woningpeil, hierin, dat blijkbaar het voornemen bestaat de differentiatie in de grootte van de woningen overeenkomstig die van de gezinnen bij de huidige woningbouw ten volle in praktijk te brengen, dus niet, zoals ook wel gesuggereerd is, alleen woningen te bouwen voor kleine gezinnen, met de gedachte, dat door opschuiving met een minimum aan kosten, toch ook de grote gezinnen geholpen worden, en ook niet juist woningen voor grote gezinnen te bouwen, die dan voorlopig in tweeën bewoond zouden kunnen worden.

Huisvesting voor ouden van dagen

De Afdeling Voorlichting van het Ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting verstrekt hierover het volgende persbericht.

De Voorlopige Raad van de Volkshuisvesting heeft zich met een verzoek om inlichtingen betreffende de huisvesting van bejaarden en alleenwonenden gewend tot de Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting. Het Ministerie heeft hierop verklaard het als alleszins mogelijk te beschouwen, dat een deel van het per gemeente voor woningbouw toegekende volume gebruikt wordt voor de bouw van een tehuis voor ouden van dagen.

Voorwaarde hierbij is echter, dat op deze wijze een groter aantal woningen beschikbaar komt dan men met het uitgetrokken deel van het toegewezen bouwvolume had kunnen bouwen. Het wordt zelfs wenselijk geacht om, zodra de mogelijkheid tot bouwen groter wordt, ieder jaar een deel der contingenten voor dergelijke tehuizen te bestemmen, daar op deze wijze meer gezinnen kunnen worden geholpen dan thans het geval is.

De financiering van de houw dezer tehuizen kan, evenals in het verleden, geschieden met voorschotten en bijdragen ingevolge de Woningwet, evenwel met de bepaling, dat deze bouwwerken grotendeels huisvesting zullen bieden en niet het karakter gaan dragen van een verpleeginrichting.”

Woningbouwplannen Amsterdam

Opnieuw zijn in Amsterdam enkele raadsvoordrachten voor woningbouw verschenen. Wij zullen in het algemeen van dergelijke voordrachten geen melding meer maken, tenzij er bizondere aanleiding toe bestaat.

Wij vinden deze aanleiding, voor wat betreft het plan voor de bouw van 483 gemeentewoningen o.a. op terreinen tussen de bekende tuindorpen Nieuwendam en Buiksloot hierin, dat bij een deel van de hierin begrepen eengezinshuizen met vier kamers de keuken van zodanige afmetingen is ontworpen, dat hierin tevens de maaltijden gebruikt kunnen worden. Aanleiding tot deze afwijking van de tot nog toe gevolgde wijze van inrichting van de woningen, zo merkt de voordracht op, is het streven om de indeling aan te passen bij het huiselijke leven. Het maken van een woonkamer en een eetkamer of vergroting van de woonkamer met een zg. eethoek kost meer ruimte dan een woonkamer en een vergrote Keuken vragen. De laatste oplossing verdient derhalve in het algemeen de voorkeur, aldus de voordracht.

Woningen vQor a-sociale gezinnen Utrecht

B. en W. van Utrecht stellen aan de gemeenteraad voor 40 woningen voor a-sociale gezinnen te bouwen, waarvoor voorschot en bijdrage op de voet van de Woningwet zal worden aangevraagd.

Rijksdienst voor de Monumentenzorg

Men verzoekt ons plaatsing van het volgende bericht over de reorganisatie van deze dienst.

De Rijksdienst omvat het Rijksbureau voor de Monumentenzorg, de afdeling Beschrijving, de afdeling Bescherming tegen Oorlogsgevaren en de afdeling Algemene Zaken.

Het Rijksbureau voor de Monumentenzorg heeft tot taak de zorg voor de instandhouding en het behoud van de onroerende monumenten van geschiedenis en kunst, het beoordeelt de aan het bureau voorgelegde restauratieplannen en houdt toezicht op de uitvoering van de restauratiewerken.

De afdeling Beschrijving heeft tot taak het controleren en herzien van de Voorlopige Lijsten van monumenten van geschiedenis en kunst en het samenstellen of doen samenstellen van een geïllustreerde beschrijving van de monumenten van geschiedenis en kunst in Nederland en eventueel van andere wetenschappelijke publicaties.

De afdeling Bescherming tegen Oorlogsgevaren heeft tot taak het voorbereiden en treffen van maatregelen ter bescherming van kunstschatten tegen oorlogsgevaren.

De afdeling Algemene Zaken is belast met de administratie, het ontwerpen van de Voorlopige Monumentenraad en van zijn afdelingen 11, IV en V uitgaande brieven, het geldelijk beheer voor de Voorlopige Monumentenraad en de Rijksdienst, het vervaardigen van fotografische opnamen, de zorg voor de bibliotheek en de verzamelingen, de personeelsaangelegenheden en de huishoudelijke dienst.

Voorlopige Monumentenraad

De samenstelüng van deze Raad is thans als volgt: De Voorlopige Monumentenraad bestaat uit 5 afdelingen: Afdeling I. Rijkscommissie voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek

Afdeling 11. Rijkscommissie voor de Monumentenzorg Afdeling 111. Rijkscommissie voor de Musea Afdeling FV. Rijkscommissie voor de Monumentenbeschrijving. Afdeling V. Rijkscommissie voor Bescherming van Monumenten tegen oorlogsgevaar

De Rijkscommissie voor de Monumentenzorg heeft uit haar ledert de volgende Commissies van advies ingesteld:

1. Commissie van Advies inzake de restauratie van het Prinsenhof te Delft.

2. 4 Commissies van Advies inzake de restauraties van gebouwen: a. Voor de provincies Noord- en Zuid-Holland en Utrecht; b. Voor de provincies Friesland, Groningen, Drente, Overijsel en Gelderland: c. Voor de gebieden Oost-Brabant en Limburg; d. Voor de gebieden West-Brabant en Zeeland. 3. Commissie van Advies voor het behoud van het Stads- en Dorpsbeeld,

4. Commissie van Advies voor het behoud van oude vestingen.

5. Commissie Van Advies inzake de restauratie der Nederlandse kastelen.

6. Commissie van Advies inzake wandtapijten, wand-, gewelf- en glasschilderingen. 7. Commissie van Advies inzake sculpturen, klokken en orgels.

8. Commissie van Advies inzake bouwmaterialen en constructies. 9. Commissie van Advies voor het behoud van grafzerken, standbeelden en gedenknaalden.