is toegevoegd aan je favorieten.

De woningbouwvereniging, jrg 7, 1947, no 9, 1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van waarden, welke voor de toekomst en voor nu voor het welzijn der mensheid van groot nut mogen worden beschouwd allerminst als een verwerpelijk reactionair streven aan te merken. Integendeel, zulk conservatisme is gezond en een onmisbare voorwaarde bij onze strijd voor verbetering der maatschappelijke verhoudingen en toestanden op elk gebied en op dat der volkshuisvestirig wel in het bijzonder.

Er is een schreeuwend tekort aan goede woningen. Het huisvestingsprobleem is schier onoplosbaar en er heersen vreselijke toestanden op woongebied, vooral in de door de oorlog zo zwaar getroffen landstreken.

Daarom is het een eis van goed beleid, dat met alle kracht wordt gestreefd naar het behoud van de nog bestaande goede woongelegenheid, de instandhouding van dè bestaande goede en bruikbare woningen. Daarnaast moet met niet minder energie worden gewerkt aan de stichting van zoveel mogelijk nieuwe woningen die, naar de omstandigheden van het ogenblik toelaten, zo goed en zo deugdelijk als mogelijk is worden ingericht en geconstrueerd.

Hier wordt niets nieuws verteld. Het is een ongetwijfeld wel algemeen aanvaard standpunt en wij nemen aan, dat ook de regeringspolitiek op het terrein der volkshuisvesting door die gedachte wordt bepaald.

Toch zijn wij er niet geheel gerust op of de betekenis van het ongerepte behoud van het bestaande woningbezit, en wij doelen daarbij meer in het bijzonder op de bestaande woningwetwoningen, wel voldoende op zijn waarde wordt geschat door de overheidsinstantie, welke in zo belangrijke mate kan en derhalve ook behoort mede te werken aan het behoud van dit bestaande woningbezit.

Willen wij het bestaande woningbezit ongerept behouden, dan zullen wij zorg dienen te dragen voor behoorlijk onderhoud. Het is een algemeen bekend en ook erkend feit, dat in de laatste jaren gedurende de bezetting en ook nog daarna, dit onderhoud ten achter is geraakt op vaak ontstellende wijze. De toestand, waarin in het bijzonder het buitenverfwerk van tienduizenden woningen in de lande zich bevindt, doet het ergste vrezen voor het behoud dezer woningen.

Zo ergens, dan wordt hier de wijsheid door de zuinigheid bedrogen. Want de kosten van het buitenverfwerk hoe duur dit bij de huidige lonen en materialenprijzen ook moge komen zullen altijd slechts een fractie zijn van de kosten die over een paar jaar gemaakt moeten worden om het dan verrotte houtwerk, wat enige jaren onbeschermd aan de invloed van zon en regen is blootgesteld geweest, te vernieuwen.

Het gaat met de verwaarlozing van.het onderhoud als bij het vormen van een sneeuwbal, steeds in sneller tempo neemt de omvang der verwaarlozing toe. Na enige jaren gaat het zo ontstellend snel, dat van een catastrophe mag worden gesproken. Het is dan ook niet een rekensommetje als volgt: 1 jaar onvoldoende onderhoud is later inhalen 1 X X, 2 jaar onvoldoende onderhoud is later inhalen 2 X enz.

Neen, de rekensom zal er ongeveer uitzien als de volgende reeks: 1 jaar onvoldoende onderhoud is later inhalen 1 X X; 2 jaar onvoldoende onderhoud is later inhalen 1 X X plus 2 X X onvoldoende onderhoud is later inhalen 1 X 2 X 3 iX X is 6 X X enz. enz. Het is dan ook. van het allergrootste belang, dat zo spoedig mogelijk de aéhterstand in het onderhoud der woningen wordt ingehaald. Elke maand uitstel kost schatten aan geld. Onno-

dig, omdat tijdig ingrijpen dit had kunnen voorkomen en daarom is het voor ons onbegrijpelijk, dat men in den Haag nog steeds talmt met de aanvaarding van het advies van de Nationale Woningraad ter zake van de herziening der normen voor het onderhoud en de financiering van de kosten van het inhalen der achterstand in het onderhoud.

Ook is het voor ons onbegrijpelijk, dat voor het uitvoeren van buitenschilderwerk aan de bestaande woningwetwoningen niet op ruimere schaal materialen ter beschikking worden gesteld. De lijnoliepositie zal ongetwijfeld slecht zijn en zal een ruimere toewijzing bij de thans geldende regeling wel niet toelaten. Ongetwijfeld is in het urgentieplan aan de wederopbouw voorkeur verleend, maar wij vragen ons af, of bij de samenstelling van dat plan wel in voldoende mate rekening is gehouden met en acht geslagen op de gevolgen die uit een verwaarlozing van het bestaande woningbezit voortvloeien. Wij menen te weten, dat ook voor binnenverfwerk bij de wederopbouw hier en daar lijnolie beschikbaar wordt gesteld. Indien dat zo is, dan menen wij te moeten aandringen op een regeling die voor binnenwerk een volstrekt verbod van gebruik van oliehoudende verf inhoudt. Een strenge controle op en een strenge bestraffing bij overtreding vaa een dergelijk verbod zou zin hebben.

Onze tegenwoordige Regering staat bij velen aangeschreven als „vooruitstrevend”. In het bijzonder onze Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting en ook de ambtelijke leiders der Afdeling „Volkshuisvesting” van diens Departement, hebben zich doen kennen als mannen die een open oog hebben voor nieuwe ideën en nieuwe opvattingen. Wij achten dat van groot belang en een gelukkige omstandigheid. Maar toch hopen wij van harte, dat Regering, Minister en leidende ambtenaren óók in voldoende mate toegerust zijn met het gezonde conservatisme waar wij in de aanvang van dit betoog op doelden. Zaandam, Augustus 1947 Tj. Kingma

Voor herstel van het verwaarloosde onderhoud

PRIJSBEREKENING VAN SCHILDERWERK.

In ~Bouw” van 9 Augustus j.l. schreef ik een artikel, waarbij feiten en cijfers werden gepubliceerd over de kosten aan schilderwerk uitgevoerd in eigen beheer, te hoge offerten van werkgevers voor het schilderen van woningen van woningbouwverenigingen en te hoge opslagpercentages op lonen en materialen bij z.g.n. klantenwerk in daggeld. Feiten en cijfers, die ook zijn opgenomen in ~De Woningbouwvereniging” van Maart-April, Juni en Juli-Augustus j.l. Alleen met dit verschil dat in ~Bouw” de prijzen van de meest gebruikte verfwaren en de opslagpercentages op deze materialen van 1935—1939 en van Juli 1947 mét elkaar werden vergeleken, waarbij bleek dat de opslagpercentages in Juli j.l. ± a 5-maal zo hoog waren als die in 1935—’39.

Dit artikel heeft blijkbaar nogal opschudding bij de werkgevers van het schildersbedrijf veroorzaakt. Een fel verweer volgde, dat in „Bouw” van 13 Sept. werd opgenomen. Nadat mijn antwoord reeds was gezet, nam ik kennis van een artikel van de Heer G. D. Hoekstra in zijn kwaliteit van medeschrijver van ~Aanbesteding en Prijsberekening , die in „Mededelingen van de Vakgroep Schildersbedrijf” eveneens