is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 30, 1949, no 1, 1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met de z.g. Oostenrijkse woningen hebben zich, nadat enkele verbeteringen waren aangebracht en bij de montage een behoorlijke service is verleend, geen moeilijkheden meer voorgedaan.

Van 1 Juni tot 1 December is het aantal woonruimten door toepassing van de premieregeling-woningsplitsing met ruim 600 toegenomen. Voor 1949 wordt naar ruwe schatting een vermeerdering uit deze hoofde met ongeveer 2000 woonruimten verwacht Een gemiddelde bijdrage is verleend door het Rijk per gesplitste woning van f 1800.

De vraag hoeveel woningen nog door overheidsorganen in beslag worden genomen, is niet nauwkeurig te beantwoorden. Ten behoeve van Rijksdiensten, zo neemt men aan, zijn ongeveer 1000 panden in gebruik, welke het karakter van woningen hebben, waaronder 14 flatgebouwen, die te zarnen 438 flatwoningen bevatten. Een .algemeen antwoord op de vraag of dit gebruik al dan niet wenselijk is wordt door de Minister niet mogelijk geacht. Er wordt echter krachtig gestreefd naar een geleidelijke ontruiming.

Woningtype

De bekende eisen ten aanzien van het woningtype worden herhaald, zowel het gemiddelde als de percentages voor grote gezinnen en voor middenstandswoningen. Het beschikbaar stellen van een extra volume voor de grote gezinnen, waarop vele leden aandrongen, heeft reeds plaats in die zin, dat bij de verdeling van het bouwvolume over de provincies, welk bouwvolume in kubieke meters inhoud wordt uitgedrukt, voor iedere provincie wordt uitgeg.aan van een gemidd-elde woninggrootte, welke evenredig is aan de gemiddelde gezinsgrootte. Echter meent de Minister dat de bouw van woningen voor grote gezinnen op het moment beperkt behoort te worden, daarbij wijzende' op de relatieve daling van het aantal huishoudens met 4 en 5 personen ten opzichte van dat van 2 en 3 personen. Wat de particuliere bouw betreft wijst de Minister op de nieuwe Financieringsregeling, waarvan hij een grotere particuliere bedrijvigheid verwiacht, ook ten aanzien van arbeiderswoningen.

De duplexwoningen zullen altijd extra-kosten vergen. Zolang deze kosten niet hoger lopen dan f 600 tot f 800, zijn ze volkomen verantwoord, zowel sociaal betere toestand dan zonder splitsing als financieel de huuropbrengst is hoger. Deze hogere huur zal ook het bedrag moeten opleveren dat later nodig is om de splitsing ongedaan te maken. Een regeling is in voorbereiding, waarbij tevens zal word.en bepaald wanneer en hoe de splitsing zal moeten worden opgeheven. Een machtsmiddel heeft de overheid hierin, dat de gesplitste woningen niet aön alle bepalingen van de bouwverordeningen zullen voldoen

Bouwkosten

De kwestie van de bouwkosten geeft opnieuw aanleiding tot beschouwingen, waarbij verschillende mogelijkheden tot verlaging worden bezien Tussen de departementen en het bedrijfsleven, zo deelt de Minister mede, IS overleg gaande om te komen tot prijsstellingen in de woningbouw, wiaarbij wk de winstmarge op de bouwmaterialen onder ogen worden pzien. Wat de architectenhonoraria aangaat aanvaardt de Minister niet bij de wederopbouw dat de percentages voor de verschillende werkzaamheden van de architect worden gebaseerd op de tegenwoordige hogere niet meei* dan 1,75 maal de bouwkosten van Mei 1940. De verlaging van de maximumbouwprijs met f 2,50 per en de daaruit voortvloeiende druk op de aannemingssom zal er toe leiden aldus de Minister dat de aannemer minder gemakkelijk zwarte prijzen voor materialen .en lonen kan betalen.

Wij gaan hier aan de specifieke kwesties van materialen en lonen voorbij.

Aanbesteding spolitiek

De van Juni 1947 wordt opnieuw ter sprake gebracht. De Minister verdedigt dit beleid, al erkent hij dat de aanhestedmgskraian wellicht iets te laiat weer is dichtgedraaid. Kort na zijn optreden in het voorjaar van 1948 heeft de Minister overwogen tot een sterke afremming over te gaan, maar hij beeft dit niet gedaan, omdat de zomermaanden daarvoor minder geschikt zijn, De Minister onderschrijft echter volkomen dat het van groot belang is tot een gelijkmatige spreiding van de aanbestedingen over het jaar te geraken. Het hezwiaar van de lange bouwtijd mag echter niet alleen worden toegeschreven aan de maatregel van Juni 1947. Een aantal van 47.000 woningen tegelijk in uitvoering acht de Minister groot. Er moet worden aangestuurd op een snelle vermindering tot beneden de 40.000. De juiste basis zal door de ondervinding moeten blijken Opdracht is gegeven in deze wintermaanden de aanbestedingen sterk te beperken; verwacht wordt dat omstreeks April 1949 het aantal woningen in uitvoering beneden de 40.000 zal zijn gedaald. De beperking van het aantal vergunningen voor nieuwbouw per 1 September 1948 is per circulaire van 31 Juli bekend gemaakt. De percentages woningen in verhouding tot het aanüal gereedgekomen woningen werden daarin met 15 verlaagd. Later bleek dat in sommige gevallen nog verdergaande beperkingen moesten worden toegepast. Wanneer per 1 Januari 1949 een nieuw goedkeuringsschema is opgemaakt, vervallen daarmee deze beperkingen. •

Woningwetbouw en particuliere bouw

Over de verhouding van \Voningwetbouw tot particuliere bouw wordt medegedeeld diat deze afhangt van de activiteit van partijen en overigens

piaatselijk beleid. Vian Rijkswege wordt in het algemeen slechts toegezien dat die soorten woningen worden gebouwd, waaraan onder de huidige omstandigheden de behoefte het meest dringend is. Alleen dan zou er voor de Minister aanleiding zijn in het plaatselijk beleid in te grijpen, indien door een te eenzijdige gerichtheid minder doeltreffend in de behoefte zou worden voorzien of wanneer hierdoor in strijd zou worden gehandeld met hetgeen de bepaalt.

Uoor de oorlog is de gemeentelijke bouw ten opzichte van de verenigingsbouw meer op de voorgrond gekomen. Waarschijnlijk is de oorzaak hiervan gelegen in de moeilijkheden, die vele gemeentebesturen aanleiding hebben gegeven de zaak in eigen hand te houden. Blijkt dit een blijvend verschijnsel te zijn, dan zal de vraag onder ogen moeten worden gezien of van Rijkswege stappen moeten worden gedaan om weer te komen tot een verhouding, die meer in overeenstemming is met de Woningwet. De Minister ontkent dat ,aan particulieren door vele gemeentebesturen te weinig medewerking wordt verleend. De particuliere activiteit, die aanvankelijk zeer gering was, neemt geleidelijk toe. Waren op 1 Januari 1948 823 beschikkingen uitgevaardigd voor steun volgens de Financieringsregeling, op 1 November d.a.v. was dit gestegen tot 3070, omvattende 10.009 woningen. zal in de beide laatste maanden van het >aar nog _steun zijn verleend voor ongeveer 3000 woningen.

jDi erkent dat de figuur van de bouw vian werkgevers met be|hulp van de Financieringsregeling minder wenselijk is, maar de noodzaak lyan industrialisatie doet hierin berusten.

Omtrent de houding tegenover confessionele bouwverenigingen wordt naar aianleiding van het gewaJ-Huissen een uiteenzetting gegeven. Aan een vereniging aldaar is toelating geweigerd, omdat volgens de statuten andersdenkenden niet lid konden worden, later alleen hospitant-lid, terwijl .aldaar slechts plaats was voor één vereniging. In sommige gevallen, waar plaatselijk de belangstelling onvo'doende is of waar men niet terzake deskundig is, is tot oprichting overgegaan van een vereniging of stichting voor een gehele streek (Zeeland, Drenthe).

Financiering

Over de financiering is reeds een mededeling vermeld. Financiering buiten het Rijk om heeft het voordeel van een lagere rente. Mocht onverhoopt blijken dat bij een onvoldoend aanbod vian particulier kapitaal de Woningw.etbouw zou stagneren, dan zal de Regering nadere voorzieningen moeten treffen. Voor de Woningwetbouw, welke plaats vindt binnen het kader van de bouwprogramma s 1946 tot en met 1948, is de kapitaalvoorziening in voldoende mate verzekerd, dank zij reeds verleende Rijksvoorschotten, het door Rijksfondsen en -instellingen beschikbaar gestelde bedrag van f 250 millioen, een door de Rijksverzekeringsbank voor 1948 nog eens extra beschikbaar gesteld bedna.g van f 115 millioen en de toezegging van Rijkswege voor het geval men niet zou slagen in particuliere financiering. Het is de Minister niet bekend dat vele gemeentebesturen door de bewuste circulaire van 16 Juli 1948 in moeilijkheden zijn geraakt. De Bank van Nederlandse Gemeenten heeft tot dusverre aan alle aanvragen van gemeentebesturen kunnen voldoen.

Verder wordt herinnerd aan de geldende regelingen inzake exploitatieverliezen en huren.

Haren

Wat de huurpolitiek in het algemeen betreft deelt de Minister de behoefte om tot klaarheid te komen. De huurpolitiek kan echter niet los worden gemaakt van de gehele loon. en prijspolitiek. Een oplossing van dit vraagstuk en van dat van een eventuele huurbelasting is dringend gewenst. De verhoging van de gezinsuitgaven uit dezen hoofde zal mogelijk moeten worden gemaakt door verlaging vian andere posten van het budget of door verhoging van de lonen. Een verhoging van de arbeidsproductiviteit zou eveneens tot een oplossing kunnen bijdragen.

De Minister meent dat er alle aanleiding is om wanneer een huurverhoging tot stand komt slechts zoveel aap de eigenaren te laten als nodig is ter compensa.tie van de gestegen exploitatiekosten en daarbij wiaarborgen te scheppen, dat het onderhoud wederom in voldoende mate door de eigenaren geschiedt.

(Enkele stedebouwkundige en organisatorische kwesties moeten wij tot het volgend nummer aanhouden. Red.)

Jaarverslag 1947 Wederopbouw en Volkshuisvesting

Vrij kort na het laatste jaarverslag van de oude Hoofdinspectie van de Volkshuisvesting is nu voor de eerste maal een Jaarverslag verschenen van de nieuwe dienst, die de taak van de oude Inspectie, naast de veel meer omvattende, die met woningnood en herstel verband houdt, heeft overgenomen.

Er is alle reden zich hierover te verheugen en dit te meer, omdat het karakter van het verslag geheel bij dat van de lange serie Jaarverslagen aansluit, waardoor dus een voortzetting van de geschiedschrijving op dit terrein ontstaat die van blijvende waarde kan zijn. *

Wij kunnen uit de inhoud slechts enkele grepen doen. Het verslag begint met algemene beschouwingen, die nog eens in bondige samenvatting de na-oorlogse situatie tekenen. Hier komt een eigenaardigheid voor de dag, die vroeger ook wel aan de jaarverslagen van de hoofdinspectie werd verweten, namelijk dat zij door het feitelijk relaas van de gebeurtenissen heen allerlei polemiserende beschouwingen gaven of een uiteenzetting van