is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 30, 1949, no 5, 1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„dat de bezwaren van de appellanten tegen de door het gemeentebestuur voorgenomen onteigening buiten beschouwing dienen te blijven, daar deze bezwaren eerst bij de uitvoering van dit voornemen aan de orde komen en thans niet ter zake doen."

Uitbreidingsplan – Meerssen

Kon. Besluit 12 November 1948, No. 11

Beschikkende op het overeenkomstig art, 37, derde lid, juncto art. 40, tweede lid, der Woningwet ter goedkeuring aangeboden besluit van Gedeputeerde Staten van Limburg van 3 April 1948, eerste afdeling, no. B 5300, tot vaststelling van een plan tot herziening van het uitbreidingsplan der gemeente Meerssen in hoofdzaak, tot wijziging van enige bij het plan in onderdelen behorende bebouwingsvoorschriften en tot vaststelling van een partieel plan in onderdelen voor enige aan de weg Meerssen-Valkenburg gelegen percelen, heeft de Kroon de goedkeuring verleend. Er was aan de wettelijke voorschriften voldaan en er waren geen bezwaren ingebracht, noch was bij de Kroon bedenking gerezen.

Bouwvergunning – Wymbritseradeel

Kon. Besluit 16 November 1948, No, 10

De gemeenteraad van had in beroep tegen een besluit van B. en W. aan een bakker vergunning verleend tot uitbreiding van diens bakkerij te Offingawier. Het bouwplan strekte tot het uitbreiden van een gebouw aan de wegzijde van een voorgevelrooilijn, vastgesteld bij het goedgekeurde uitbreidingsplan. De vergunning was derhalve in strijd met art. 6, tweede lid der Woningwet verleend.

De Kroon heeft het besluit vernietigd wegens strijd met de wet.

Uitbreidingsplan – Zijpe

Kon. Besluit 17 December 1948, No. 34

Gedeputeerde Staten van Noord Holland hadden met toepassing van art. 37, derde lid, juncto art. 40, tweede lid, der Woningwet ter goedkeuring aangeboden een besluit van 29 October 1947, no. 4, eerste afd. houdende vaststelling van plannen van uitbreiding c.a. der gemeente Zijpe. De Kroon heeft de goedkeuring onthouden op grond van de volgende overwegingen:

„dat blijkens de stukken tegen de door Gedeputeerde Staten overeenkomstig de voorsthriften der wet vastgestelde plannen door belanghebbenden geen bezwaren zijn ingebracht;

~dat echter op grond van de ingewonnen ambtsberichten moet worden geoordeeld, dat niettemin termen aanwezig zijn aan de plannen goedkeuring te onthouden;

~dat immers blijkens deze berichten te vrezen is, dat tengevolge van de opzet der plannen in onderdelen, waarbij niet alleen overwegend straten zijn geprojecteerd met eenzijdige bebouwing, welke bebouwing bovendien tot een zeer ruim gebruik van grond zal leiden, doch ook een voor een landelijk milieu zeer ruime groenvoorzienning is ontworpen, het bouwrijp maken zou leiden tot zo hoge bouwterreinprijzen per woning, dat exploitatie door de gemeente uit economisch oogpunt niet verantwoord zou zijn, en het bouwen van woningen door particulieren erdoor zou worden geremd;

„dat voorts in de eerstkomende jaren in de gemeente Zijpe, met uitzondering van het in deze gemeente gelegen dorp Petten, waarvoor een afzonderlijk wederopbouwplan in uitvoering is, geen bouwactiviteit van enige betekenis is te verwachten, weshalve, en mede gelet op de loop van het bevolkingscijfer, de omvang van de plannen in onderdelen zonder bezwaar aanzienlijk kan worden beperkt;

~dat het dan ook wenselijk is te achten, dat voor de verschillende bebouwde kommen nader wordt onderzocht of in enige uitbreidingsmogelijkheid moet worden voorzien, en dat, indieri en voorzover dit het geval blijkt te zijn, voor deze kommen op bescheiden voet uitbreidingsplannen worden vastgesteld.”

Uitbreidingsplan – Nieuw en St. Joosland

Kon. Besluit 27 Januari 1949, No. 19

Tegen het besluit van Gedeputeerde Staten van Zeeland van 26 Sei>- tember 1947 no. 631/250, derde afd., waarbij goedkeuring werd verleend op een uitbreidingsplan in onderdelen van de gemeente Nieuw- en St Joosland, heeft een belanghebbende beroep ingesteld, aanvoerende dat uit het plan onteigeningen voortvloeien van gronden, waardoor het UB haar toebehorend landbouwbedrijf op de duur niet te handhaven zal zijn. De Kroon overwoog:

„dat op grond van de ingewonnen ambtsberichten moet worden aange» nomen, dat als gevolg van de ligging van het dorp Nieuw- em St. JOQii land ten opzichte van de bestaande dijken en de geprojecteerde provin» ciale weg aan de westeijde, de mogelijkheden voor een doelmatige uift hreiding zeer beperkt zijn en deze voornamelijk aan de oostzijde moeten worden gevonden;

„dat uit stedebouwkundig oogpunt een opzet, zoals het door Gedeputeerde Staten goedgekeurde plan in onderdelen vertoont, de meest voor de hand liggende oplossing is te achten, en niet is te vermijden, dat de terreinen van de appellante hierbij worden betrokken;

~dat zij weliswaar tengevolge hiervan schade zal lijden, doch dat deze bij eventuele aankoop of onteigening zal worden vergoed; „dat mitsdien het bestreden besluit moet worden gehandhaafd.”

Bezwaar woningbouw – Bloemendaal

Kon. Besluit 31 Januari 1949, No. 18

De President van de Rijksdienst voor het Nationale Plan had bezwaar gemaakt bij besluit van 3 Maart 1948 no. 19 P, tegen een binnen de gemeente Bloemendaal voorgenomen bouwwerk (woonhuis aan de Zeeweg te Overveen). Daartegen hebben B. en van Bloemendaal beroep ingesteld. Zij voerden aan dat de gronden langs de Zeeweg indertijd zijn gekocht om te voorkomen dat een wilde bebouwing zou ontstaan. De gemeente had daarbij de verwachting dat de zware offers, die dit meebracht, en de kosten van aanleg vian de Zeeweg (een en ander met rente op rente een som van ongeveer 5 millioen) zouden terugvloeien in de gemeentekas, aangezien volgens de toen geldende bouwverordening een vrij dichte bebouwing langs de Zeeweg mogelijk Was (later op verzoek van Gedeputeerde Staten vervangen door een bepaling, die een zeer ruime bebouwing toeliet). Verder merkt het College op, dat uit de betaalde prijs voor de gronden (f 0,60 per tegen f 0,10 per voor de ondergrond van de weg) reeds blijkt dat die gronden aangekocht zijn als bouwterrein. In het raadsbesluit tot aankoop van de gronden wordt trouwens nadrukkelijk bepaald hoe de bebouwing zou zijn. Aan dit raadsbesluit is door Gedeputeerde Staten goedkeuring verleend, evenals aan een later besluit van aanvullende strekking. Zelfs in 1938 is nog grondverkoop aan de Zeeweg voor woningbouw goedgekeurd. Ten slotte meende het College dat het systeem van de Woningwet aan het leggen van een bouwverbod als in casu op praktisch het gehele terrein van een eigenaar de verplichting tot schadevergoeding aan de eigenaar koppelt.

De Kroon heeft het beroep ongegrond verklaard, overwegende:

~dat blijkens de overgelegde stukken de in het bestreden besluit genoemde percelen deel uitmaken van het gebied „De Bloemendaalse Duinen”, welk gebied in het in, voorbereiding zijnde streekplan van Kennemerland-Zuid is aangewezen voor passieve recreatie (natuurmonument):

„dat de voorbereiding van dit plan door een eventuele bebouwing van de percelen op ongewenste wijze zou worden doorkruist:

~dat de President van de Rijksdienst voor het Nationale Plan mitsdien terecht met toepassing van artikel 5, derde lid, van het besluit van 15 Mei 1941 (No. 91/1941), bij artikel 18 van het Besluit bezettingsmaatregelen (voorlopig) gehandhaafd, tegen de bouw van een woonhuis op deze percelen bezwaar heeft gemaakt:

~dat overigens buiten beschouwing moet blijven de vraag of en zo ja ii\ hoeverre de gemeente als eigenares behoort te worden schadeloos gesteld, daar dit punt eerst aan de orde kan komen, wanneer de bestemming der terreinen definitief wordt geregeld, hetgeen thans nog geenszins het geval is.”

Voorgevelrooilijnen – Enschede

Kon. Besluit 31 Januari 1949, No. 19

Beschikkende op het beroep, ingesteld door enige belanghebbenden tegen de goedkeuring bij besluit van Gedeputeerde Staten van Overijssel 13 April 1948 nos. 4167/3346, vierde afdeling, van door de gemeente* raad van Enschede vastgestelde voorgevelrooilijnen, heeft de Kroon dit beroep ongegrond verklaard. |

De kwestie betrof een privaatrechtelijke overeenkomst, daterend van 1912, tussen de rechtsvoorganger van belanghebbenden en de gemeente Enschede, waarbij een zekere rooilijn was bepaald, maar met het voorbehoud dat deze niet zou gelden voor een hoekperceel,; dat thans door oorlogsgeweld vernield is, en dat krachtens de nu vastgestelde voorgevelrooilijnverordening niet zo kan worden herbouwd als bij de overeenkomst is voorzien, waardoor een oppervlakte! van 330 ca aan bouwterrein verloren zal gaan.

De Kroon ver woog: „dat door appellantes rechtsvoorganger, wijlen G. J. Heddendorp, met de gemeente Enschede een overeenkomst gesloten is op 5 September 1912, waarbij' door G. J. Heddendorp pan de gemeente Enschede werden overgedragen gedeelten van de kadastrale percelen gemeente Enschede, sectie H Nos. 152 en 147, zodanig als deze werden aangeduid op een aan gemelde acte vastgehechte schetskaart, bij welke overdracht werd bepaald, dat de op de percelen sectie H Nos. 147 en 152 y voorzover niet gelegen aan de Tromplaan, te stichten gebouwen moesten worden geplalatst minstens vier meter achter de grenslijn tussen deze percelen en de Kortenaerstraat, doch dat dit laatste niet zou gelden ten opzichte van eventuele verbouw vpn het toenmalige woonhuis van wijlen genoemde Heddendorp, staande op het perceel sectie H No. 147, zijnde het hoekperceel Kortenaerstraat-Emmastraat:

„dat, afgezien nog van het feit, dat in de evengemelde overeenkomst sprake is van verbouw van het aldaar genoemde pand, terwijl appellante nu het oog heeft op de bouw ter plaatse van drie nieuwe panden, deze overeenkomst, gerekend met het tijdstip, waarop zij werd gesloten, en