is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 30, 1949, no 6, 1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze overwegingen kunnen wederom enige aanwijzingen opleveren voor sanering van bestaande verenigingen, indien deze tekort schieten. Fusie van bestaande kleine verenigingen, of samenwerking met behoud van de zelfstandigheid der verenigingen, bijv. door het organiseren van een gemeenschappelijke onderhoudsdienst of ook het opdragen van het onderhoud en van andere werkzaamheden, die de kleine vereniging moeilijk vallen, aan een gemeentelijke woningstichting kan tot verbetering bijdragen. Er zijn recente voorbeelden van geslaagde fusies (’s Gravenhage), maar de minder vérgaande maatregel van onderlinge samenwerking zal vaak gemakkelijkbr uitvoerbaar zijn en toch reeds behoorlijk resultaat opleveren.

Enige aarzeling tegenover de verenigingen schijnt soms hieruit voort te komen, dat deze organisaties in sterke mate een sectarisch karakter hebben, d.w.z. dat zij vaak overeenkomstig de drie religieus-politieke hoofdstromingen geschakeerd zijn. Sommigen achten een dergelijke strenge scheiding in de woningblokken minder wenselijk en vrezen dat hierdoor de verwezenlijking van de wijkgedachte moeilijkheden zal ondervinden. Het denkbeeld van een allen omspannende vereniging, die een gehele wijk in beheer zou hebben, werd genoemd. Of dit denkbeeld vatbaar is voor uitvoering, moet worden afgewacht.

Andere klachten komen voort uit het ingewikkelde complex van overheidsmaatregelen, waardoor van enige zelfstandigheid voor de verenigingen weinig terecht komt. In de aangehaalde brief kwam dit al tot uitdrukking. Men vraagt zich af of het zin heeft organen, die in wezen weinig meer doen dan mechanisch uitvoeren van hetgeen van overheidswege tot in bizonderheden is voorgeschreven, als zelfstandige verenigingen te handhaven. Maar, zo werd hiertegen aangevoerd, ligt de oplossing dan niet veeleer in een verruiming van het nauwe keurslijf, dat aan de verenigingen geen bewegingsvrijheid laat, zoals trouwens de laatste wijziging van het Woningbesluit op het punt van de bijdrageverlening en de beschikking, waarin die regeling is uitgewerkt, reeds meer zelfstandigheid voor de vereniging beogen?

Een bron van grieven is klaarblijkelijk ook de verhouding van verenigingsbestuur tot gemeentebestuur. Dit is ten dele, zo werd opgemerkt, een kwestie van persoonlijke betrekkingen, maar voor een ander deel een. die beïnvloed wordt door een onjuist begrip van beider taak. Onjuist is de gedachte, onlangs door een verenigingsbestuurder geuit, dat de vereniging als orgaan, dat de Woningwet uitvoert, een hoger plaats bekleedt dan de gemeente bij de uitoefening van haar taak bij de toewijzing van woningen. Even onjuist is de neiging van sommige gemeentebesturen om uit hun controlerende rol te treden en zelf tot in onderdelen het beheer van verenigingswoningen te willen regelen. Het karakter van de toezichthoudende taak van het gemeentebestuur brengt mee dat het zich beperkt tot het keren van uitwassen en zich overigens grote terughouding oplegt.

Na de moeiliikheden van algemeen karakter, die van de huidige tijd. Er werd op gewezen dat ook in de tijd na de eerste wereldoorlog een neiging merkbaar was om aan het gemeentelijk woningbeheer een groter plaats te geven. Bij de gemeente-woningen heeft zich toen het streven geopenbaard tot het uitoefenen van enige zeggenschap onder de bewoners, in de vorm van huurdersverenigingen, organisaties met een volledig negatief karakter. Ook dit is een aanwijzing ten gunste van de woningbouwverenigingen, waarbij de neiging tot het uitoefenen van invloed op het beheer van de woningen onder de huurders in constructieve banen v/ordt geleid.

Een motief dat tot het terugdringen van de verenigingen na de oorlog heeft geleid, is de vrees om aan de lange keten van ambtelijke bureaus en bestuursinstanties, die een bouwplan moeten goedkeuren voor het tot uitvoering kan komen, er nog weer een toe te voegen in de vorm van een mede-oorde'end verenigingsbestuur. De weg van het eerste plan tot

de voltooiing van de woningen is toch al zo lang, zo redeneert men, dat elke mogelijkheid tot bekorting dankbaar moet worden aangegrepen.

Een tweede motief is dat de aanspraken van de leden op de gereedkomende woningen in botsing komen met het gemeentelijk woonruimtebeleid, terwijl als het gemeentebestuur zijn zeggenschap over de toewijzing van nieuwe verenigingswoningen onbeperkt handhaaft, de prikkel tot actieve medewerking bij leden en bestuurders vervalt. Vooral deze laatste overweging heeft sterk haar stempel gezet op het beleid in sommige gemeenten. Zelfs is in een van de grote gemeenten om deze reden van verenigingsbouw afgezien. i)

Tijdens de bespreking werd echter gewezen op het voorbeeld van verscheidene andere gemeenten, waar men wel een bevredigend compromis had gevonden voor het conflict tussen de aanspraken en verwachtingen van de leden van de veren-'ging en de belangen van buitenstaanders, die van gemeentewege als urgente gevallen ten aanzien van de toewijzing van woonruimte zijn aangemerkt. Men kan bijv. een regeling treffen, waarbij een zeker percentage van de gereedgekomen woningen ter beschikking komt van het gemeentebestuur voor de urgente gevallen, terwijl de overige door het verenigingsbestuur kunnen worden toebedeeld, onder het voorbehoud dat de bewoners moeten voldoen aan de algemene vereisten, die van gemeentewege bij de toekenning van vergunning worden in acht genomen. De door de gemeente aangewezen huurders zullen overigens graag bereid zijn lid van de vereniging te worden. Er werd nog op gewezen dat zodoende in sommige gevallen een categorie bewoners in de verenigingswoningen komt, die meer toezicht vereist dan de anderen en dat de werkzaamheid van woningopzichteressen hierbij van waarde zal zijn.

Meer incidentele overwegingen ten gunste van direct gemeentebeheer betreffen de duplexwoningen en de systeembouw. De gedachte werd geopperd dat het een zeker voordeel zou hebben de duplexwoningen niet aan de verenigingen over te laten, maar ze in eigen beheer bij de gemeente te houden, omdat hierbij allerlei opschuivingen in de bewoning zullen moeten worden voltrokken, die gemakkelijker kunnen worden uitgevoerd in het kader van het veelal ruimere gemeentelijke woningbezit dan bij een vereniging van in de regel gerinaer omvang. Bij de systeemwoningen is de overweging dat hier een nauwlettende controle op de bruikbaarheid nodig is, een controle, diè uiteraard gemakkelijker hij direct gemeentelijk beheer kan worden veTicht. In de gemeente, waar deze gedachten zijn uitgesproken, hebben zij echter niet tot uitsluiting van de vereniging ten aanzien van duplex- resp. van systeemwoningen geleid. |

Samenvattend kan worden gezegd dat de teneur van deze bespreking gunstig was voor de vereniginoen. Slechts door één deelnemer werd nog als concessie aan de huidige bezwaren een stelsel aanbevolen, waarbij gemeente en verenigingen min of meer gelijk opmarcheren.

Erkend werd dat er soms ernstige moeilijkheden optreden bij de toekenning van een hoofdaandeel aan de vereniging, maar ten aanzien van elke van die moeilijkheden is wel een redelijke oplossing te vinden met behoud van het uitgangspunt van de Woningwet, de voorrang voor de verenigingen. Dit sluit intussen niet in dat hiermee een eenvoudig antwoord op alle in de praktijk rijzende vragen is gegeven. De omstandigheden kunnen van gemeente tot gemeente anders liggen en zullen dus ook tot uiteenlopende oplossingen kunnen leiden.

Een tweetal uitspraken inzake vordering van verenigingswoningeni resp. van Gedeputeerde Staten van Utrecht (Abcoude) en van Zuid Holland (Zoetermeer) trekt in dit verband de aandacht. Men zie ons bericht onder Binnenland in het vorige nummer.