is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 30, 1949, no 10, 1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Van groot belang voor het goed functionneren van het geheel is de ontsluiting van de binnenstad.

Op de bestaande Noord-Zuid lopende smalle winkelader sluit de te herbouwen Demer aan, welke via het Demerplein en de onder 1. genoemde middelste onderdoorgang aansluit op de hart-winkelader van Woensel.

Oostelijk van en parallel aan dit tracé is een breed type winkelstraat ontworpen, welke tot doel heeft tot binnen in de city met rijverkeer te kunnen doordringen.

Haaks op deze beide langstracé’s zijn enige deels bestaande, deels nieuwe dwarsverbindingen in het plan opgenomen.

Als belangrijk dwarselement, zij het van geheel ander karakter, dient in dit verband ook de Dommel te worden vermeld, De beide thans in de binnenstad aanwezige Dommeltakken zullen tot één verloop worden samengevoegd, en het is de bedoeling om in tegenstelling tot de typische parkachtige verzorging van de Dommelvallei in de buitenwijken, dit gedeelte door een uitgesproken kunstmatige detaillering met keermuren, werven e.d. als een typisch stadselement in de city op te nemen.

5. Voor het nieuwe stadhuis (zie ook afb. 2) is een terrein gereserveerd, dat behalve de mogelijkheid tot een interessante ruimtelijke ontplooiing tevens door zijn ligging langs de Dommel de gelegenheid biedt het water als stedebouwkundig element in de situering van dit gebouw te betrekken, In de verwoestingen rond de St. Catharinakerk, de hoofdkerk van de stad, is aanleiding gevonden om dit belangrijk neogothisch monument een meer vrije situering te geven, en door middel van een tussengelegen plein ruimtelijk met het nieuwe stadhuis in contact te brengen. Op deze wijze kan een boeiende opeenvolging ontstaan van een aantal verschillend geaarde ruimten, waardoor in tegenstelling tot het uitgesproken zakengedeelte nabij stations- en Demerplein, de waardigheid van dit stadsdeel rond hoofdkerk en stadhuis wordt geaccentueerd.

De uitvoering van de plannen is met zeer veel voortvarendheid ter hand genomen. Het officiële begin is gemaakt in November 1947 met de aanleg van de hulpspoorbaan, een omvangrijk'werk, dat al geruime tijd gereed is. Tevoren was al begonnen met de verdere ontruiming van het gedeelte ten Noorden van de Woenselse overweg, waarvoor elders een vervangend semi-permanent winkelcentrum werd gesticht. Ter plaatse van deze ontruiming is inmiddels een aanvang gemaakt met de bouw van de meest Westelijke van de drie centrum-tunnels. Inmiddels is het grotendeels verwoeste kantoorgebouw van de N.V. Philips, aangepast aan de nieuwe situatie van de Emmasingel, herbouwd, terwijl de straataanleg van de nieuwe Demer in uitvoering is. En tenslotte is symbool van Eindhovens vertrouwen in de toekomst begonnen met de bouw van een vleugel van het nieuwe stadhuis.

Berg af

Naar aanleiding van het artikeltje onder deze titel van de Heer Dr. Ir. F. Bakker Schut ontvangen wij van de Afdeling Voorlichting van het Departement van Wederopbouw en Volkshuisvesting de tekst van een vanwege deze Afdeling op 20 September gehouden radiopraatje, waarin een duidelijk standpunt ten opzichte van deze kwestie wordt ingenomen.

Wij laten hier de passage volgen, die op dit onderwerp betrekking heeft.

Meermalen wordt ons gevraagd, waarom toch de overheid zo afwijzend staat tegienover de bouw van noodwoningen, bungalows en tijdelijke houten huizen. willen de gemeentebesturen als regel hiervoor geen terrein beschikbaar stellen, waarom weigeren ze in dergelijke gevallen een bouwvergunning en waarom verleent het Rijk geen fianciële steun voor de bouw van deze serai-permanenté behuizingen? Op deze manier

wordt het aan vindingrijke mensen onmogelijk gemaakt om zichzelf te helpen. Wij kunnen ons voorstellen dat men maar moeilijk begrijpen kan, waaruit die stroeve, afwijzende houding van de gemeentelijke- of Rijksoverheid voortvloeit. Het lijkt immers zo eenvoudig en voor-dehand liggend om toestemming te geven tot het plaatsen' en betrekken van een oude, als woning ingerichte spoorwagon of tot het bouwen van een houten bungalow. De mensen, die ermede geholpen worden, zijn blij en dankbaar en ze kunnen geschrapt worden van de lijst van woningzoekenden. Toch zijn er voor de weigering om in dit opzicht aan alle verlangens te voldoen zeer gegronde redenen. We willen proberen het U duidelijk te maken.

De meeste Nederlandse gemeenten van enige omvang hebben een plan van uitbreiding vastgesteld, waarin de bestemming van de beschikbare gronden is geregeld. Men zal in de komende jaren overal zoveel mogelijk woningen willen en moeten bouwen, want overal is de nood groot. Vele gemeentebesturen ontmoeten echter nu al moeilijkheden bij bet aanwijzen van geschikte bouwterreinen in hun uitbreidingsplarmen. Het is te verwachten, dat de vraag naar goede bouwterreinen en daarbij het ontzien van de cultuurgronden straks een nijpend probleem gaat worden. De mensen, die de gemeentelijke huishouding besturen, en die dus jaren vooruit moeten zien, zijn bijzonder zuinig met het gebruik van de terreinen, waarover ze kunnen beschikken. Zij hebben dus alle reden om slechts bij hoge uitzondering toestemming te verlenen toe het plaat sen van tijdelijke bouwwerken op terreinen, die in niet te verre toekomst voor normale woningbouw gebruikt moeten worden. Teneinde de normale ontwikkeling niet in gevaar te brengen zien vele gemeentebesturen zich verplicht om iedere aanvraag tot het bouwen van noodwoningen, bungalows en houten huisjes af te wijzen. Er zijn trouwens ook al afschrikwekkende voorbeelden bekend geworden. In gemeenten, waar men aanvankelijk deze goedkeuringen wèl verstrekte, is men in korte tijd opgescheept met een verzameling houten woningen van de meest uiteenlopende makelij en kwaliteit. Ergens moest men zelfs al de ontruiming van een aldus ontstane wijk gelasten. Zo’n maatregel is tegenover de bewoners en eigenaars der huisjes veel harder dan een afwijzing van de aanvraag om te mogen bouwen. Omdat men door het verlenen van één vergunning een precedent schept, stellen vele gemeentebesturen zich op het standpunt, dat voor het plaatsen van niet-permanente woningen dat bovendien bouwvolume kost in het geheel geen toestemming wordt verleend.

Het is verder zeer de vraag, of het economisch verantwoord is om houten woningen te laten' bouwen. Uiteraard zijn de kosten van zo’n tijdelijk huis lager dan de bouwkosten van een normale woning. Daartegenover is er echter een belangrijk verschil in levensduur. Elen houten noodwoning dient men in tien jaar af te schrijven. De theoretische afschrijvingstermijn van een normale woning ia gesteld op 50 jaar, in feite kan de levensduur wel 75 of 100 jaar zijn. In een woning, waarvan de bouwkosten f 10.000, bedragen, vindt) men meer ruimte en comfort dan in een houten bungalow, die bijvoorbeeld drie duizend gulden kost. Toch is het bedrag, dat voor de goede woning moet worden afgeschreven nog f 100.— per jaar lager dan de afschrijvingssom van de bungalow. Dit eenvoudige voorbeeld maakt al duidelijk, dat het in individuele gevallen economischer en dus voordeliger is een normale woning te bouwen dan een houten noodwoning te plaatsen. Deze overweging geldt voor de overheid, die altijd met grote aantallen moet rekenen, dus nog te sterker. 'Vandaar, dat er voor het Rijk geen enkele aanleiding bestaat qm het bouwen van tijdelijke woningen financieel te steunen. Dat doet het wel voor de bouw van normale woningen en op grond van de bestaande regeling zal het mogelijk zijn om met een f 3.000, aan eigen kapitaal een bescheiden, maar goede woning te laten bouwen.

Hoewel de oplossing van individuele huisvestingsmoeilijkheden door de bouw van een tijdelijke woning wat sneller kan worden bereikt, is de bouw van houten woningen of bungalows zeker niet als een oplossing van de woningnood te zien.

Binnenland

Woningbouwprogramma 1950

De Minister van 'Wederopbouw en Volkshuisvesting heeft het bouwplan 1950 aan de Staten-Generaal doen toekoraen, daarmee opnieuw handelend naar de voorstellen, die vervat zijn in het aanhangige ontwerp-Wederopbouwwet, waarbij immers overlegging van het bouwplan tegelijk met de Rijksbegroting in het vooruitzicht is gesteld. Het bouwplan-IOTO beloopt een bedrag van f 1450 millioen, dat is f 110 millioen meer dan het plan voor het lopende jaar. Het aandeel van de woningbouw is gestegen van f 400 millioen tot f 480 millioen.

Er wordt uitdrukkelijk opgemerkt in een persbericht vanwege het Departement, dat geen rekening is gehouden met de devaluatie van de gulden. Mocht de devaluatie tot verhoging, der bouwkosten leiden, dan zal dit uiteraard tot correcties in het plan leiden.

Omtrent de verdeling van het aantal te bouwen woningen deelt een persbericht nog het volgende mede.

De Minister heeft zich laten adviseren/ door de Subcommissie, belast met de verdeling van het woningcontingent, van het Centraal Orgaan voor de

en de Bouwnijverheid. Hierin hebben o.m. ook enige vertegenwoordigers van de provinciale k>esturen en van de 'Vereniging van