is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 31, 1950, no 2, 1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij zijn ervan overtuigd dat hij het alsnog zal doen. Wij geloven niet dat het woningpeil opnieuw in overweging moet komen. Mocht men dit wensen, dan zal het dienen te gebeuren in volle openbaarheid ~en pleine connaissance de cause”. Het zal niet in stilte mogen vallen onder de mokerslagen van een gemeentebestuur in dorp X of een aannemer in stad Y, die toch zo een goedkoop plan hebben uitgewerkt. Het ministerie zal hier tussen werkelijke en voorgewende bezuiniging onderscheid weten te maken.

Het bovenstaande was geschreven, voordat de Beschikking Verminderde Bijdragen Woningwetbouw 1950 en de begeleidende circulaire aan de gemeentebesturen d.d. 22 Februari verschenen waren. Kunnen wij nu gerust zijn? Er blijft twijfel hangen. Aan de bouwverordening wordt in het algemeen wel vastgehouden, maar van de Voorlopige Wenken wordt niet gerept, wel daarentegen van technische normen, waarover de provinciale directies inlichtingen kunnen verschaffen. De maximale inhouden, die de beschikking noemt, zijn laag. Wij zien dus met spanning uit naar het antwoord op de vragen van de Heer Andriessen in de Tweede Kamer.

H. v. d. W.

Het ontwerp-Huurwet

De redactie heeft bij de verschijning van het ontwerp-Huurwet, waarvan in de rubriek ~Binnenland ’ een samenvatting is opgenomen, aan enke'e deskundigen, die het onderwerp van deze regeling van verschillend standpunt bezien, verzocht hun mening over het wetsontwerp in het kort uit een te zetten. Hieronder 'volgen de antwoorden van de Heren A. }. A. Rikkert en A. van Kesteren.

Bijdrage van de Heer A. J. A. Rikkert

Tot nu toe werd een stringente huurprijspolitiek gevoerd waardoor het mogelijk was het huurpeil van 9 Mei 1940 te handhaven. Prijzenbureaux, Economische Contróled-enst en Tuchtrechters verleenden hierbij hun medewerking. Daarbij moest worden gelet op velerlei factoren, welke hun invloed op de gevraagde of verlangde of betaalde huurprijs konden doen gelden. Om zich een objectief oordeel te kunnen vormen, moest dan ook geval voor geval nauwkeurig worden nagegaan. Ten aanzien van de verhuring van zelfstandige woningen en bedrijfsruimten kon het streven der Regering volledig als geslaagd worden beschouwd. Dat dit resultaat kon worden verkregen, vindt in belangrijke mate zijn oorzaak in het bestaan van het Huurbeschermingsbesluit, waardoor opzegging van de huur om andere redenen, dan de in genoemd besluit met name genoemde, niet mogelijk was. Bij de onderverhuring evenwel komen nog vrij veel overschrijdingen van de maximum huren voor. De oorzaak van dit laatste is, dat hierbij veelal z.g. gemengde huren voorkomen, n.l. in de gevallen waarin de gehuurde vertrekken van stoffering en van meubels zijn voorzien. Maar ook kon het Huurbeschermingsbesluit niet als rancune-maatregel word.en gehanteerd.

, Voorts bestond de mogelijkheid, dat de Tuchtrechters aan de overtreders der voorschriften straf oplegden. Dit heeft zeer zeker eveneens remmend gewerkt op het vragen van een te hoge huur of te hoge |

Tenslotte werd door tal van verhuurders en onderverhuurders aan de Prijzenbureaux gevraagd, welke de hoogst toelaatbare huur was die zij mochten vragen. Dit kwam veelvuldig voor in de gevallen waarin een eigenaar eerst na 9 Mei 1940 in het bezit der desbetreffende percelen was gekomen en in de gevallen waarin een huurder een deel van zijn woning wilde onderverhuren, zonder dat reeds op 9 Mei 1940 onderverhuurd werd. |

Indien het thans verschenen ontwerp-Huurwet inderdaad wel zou worden, wordt een geheel andere procedure gevolgd. Het z.g. vrije verhogingspercentage zal voor de woningen.

welke reeds op 27 December 1940 bestonden, 15 zijn. Maar niet alle op deze datum bestaande woningen waren op normale wijze verhuurd. Een deel hiervan werd toen bewoond door de eigenaar. Een ander deel was om allerlei redenen tegen een te laag bedrag verhuurd. Weer andere hadden destijds een andere bestemming. Bij onderhuur treden nieuwe elementen op, n.l. de vergoeding voor het aanwezige huisraad, het medegebruik van keuken en badkamer, gas, licht en verwarming.

Het streven, dat voorgezeten heeft bij het ontwerpen der nieuwe huurwet, is geweest deze gehele omvangrijke materie zo nauwkeurig te regelen, dat de verhuurders en de huurders zelf zouden kunnen afleiden wat berekend moet en betaald mag worden. Dat het ontwerp daardoor ingewikkelder is geworden dan de bestaande voorschriften, kan niet worden gesteld, al heeft een en ander de leesbaarheid voor een leek en daarmede moet toch rekening worden gehouden niet bevorderd.

Bovendien, juist omdat het ontwerp beoogt deze gehele materie uitputtend te regelen, moest veelal naar algemene en vage termen worden gegrepen. Reeds aanstonds zullen vragen rijzen. Wat zijn ~normale omstandigheden’’ en wat moet onder ~een vergelijkbaar onroerend goed” worden verstaan? Hoe dient de verhouding van het gebruiksgenot, bedoeld in art. 6, te worden bepaald? Hoe moet de ~verlaging”, genoemd in art. 8 worden berekend? Hoe dient ~de verkoopwaarde”, genoemd in artikel 9, onder 2. te worden bepaald? Wat zijn ~naar redelijkheid geschatte kosten”? En wat zijn vergoedingen, welke ~als redelijk” zijn aan te merken?

Om op al deze vragen een afdoend antwoord te krijgen in de legio gevallen waarin tussen de verhuurder/onderverhuurder en huurder/onderhuurder geen overeenstemming wordt bereikt, kan de tussenkomst van de kantonrechter worden ingeroepen. Overeenkomstig het bepaalde in art. 13 van het wetsontwerp zal deze dan een beslissing nemen.

Hij zal zich hierbij moeten laten voorlichten. Wie zal zulks moeten doen? Hij zal zich de medewerking kunnen verzekeren van makelaars. Dit kost veel geld en zal voor de z.g. pro-deo-gevallen voor rekening van de Staat komen, waardoor een belangrijk deel van de bezuiniging, die toch mede door het ontwerp-Huurwet wordt beoogd, weer zou verdwijnen. Hij kan ook andere ~deskundigen” benoemen. Afgescheiden van de vraag, of deze wel inderdaad deskundig zijn, zullen ook zij hun declaraties indienen. In de Memorie van Toelichting op het wetsontwerp wordt er o.a. op gedoeld, dat de rechter de voorlichting van de deskundige ambtenaren van Rijk en Gemeente niet zal kunnen missen, d.w.z. de voorlichting van de ambtenaren, die tot de tegenwoordige Prijzenbureaux behoren. Indien de rechter aan deze suggestie gevolg geeft, wordt de bezuiniging verkregen ten kosté van de gemeentekas.

Ik denk in dit verband ook aan de toeneming van de arbeid van de rechtskundige bureaux van de vakbeweging. Voorts aan het feit, dat vele huurders zich de hulp en voorlichting zullen verzekeren van andere rechtskundige bureaux, waarvan de kosten voor rekening komen van die huurders. Tenslotte denk ik aan de vele beunhazen die, tegen dikke betaling, zullen verschijnen.

Een noodzakelijke instantie van de overheid, die belanghebbenden zal kunnen adviseren omtrent de beantwoording van de bovengestelde vragen o.m. de taak van de huidige Prijzenbureaux ontbreekt, zodat ook bonafide belanghebbenden veelal niet zullen weten, waar zij aan toe zijn. Een belangrijk stuk sociale zorg wordt hierdoor eenvoudig vernietigd.

Ambtelijke controle ontbreeikt geheel. De tegenzin in het aanhangig maken van een civiele procedure, welke bij zeer velen bestaat, zal oorzaak zijn, dat vele huurders zij zijn immers de zwakste partij ■—■ een te hoge huur zullen gaan betalen. Indien wel een civiele procedure aanhangig wordt gemaakt, zal de rechter de juiste huur vaststellen, De verhuurder zal dan gedwongen kunnen worden het te veel ge-