is toegevoegd aan je favorieten.

De werkman; bijdragen voor arbeid en kunst, jrg 8, 1875, no 17, 11-12-1875

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

merverwisseling niet eens bij Grondwet worden j genoemd, Toch beroept dien schrijver in de Leeuwarder Courant zich op de Grondwet. Klaarblijkelijk wist die man met zijn dolleman sar gumenten niet, wat hij schreef, anders had hij van de Grondwet moeten zwijgen.

Alle de artikels die op de militie en schutterij betrekking hebben, heb ik uit de Grondwet overgenomen, ten einde onze hooggewaarde lezers in de gelegenheid te stellen, het al- of niet geoorloofde van plaatsvervanging en nummerverwisseling te kunnen beoordeelen.

Die mij het geoorloofde er van uit de Grondwet kan aanwijzen, moet beter kunnen lezen dan ik! hij moet er dan iets in kunnen lezen wat er niet geschreven staat.

Het gevoelen ben ik zelfs toegedaan, dat onze militiewet, ten aanzien van plaatsvervanging en nummerverwisseling on-Grondwettig is.

Is mijn gevoelen juist, en daaraan twijfelen kan ik niet, dan is het voor allen, die den naam van eerlijk te zijn liefhebben, plicht, zich als een man aan te sluiten bij de Anti-dienstvervangingbond, waarvan in vele plaatsen van Nederland reeds afdeelingen gevestigd zijn.

Bij eene gelegenheid als deze, voeg ik als mijnen bijzonderen wensch, dat het CentraalBestuur van 't Alg. Ned. Werklieden-Verbond, met al de kracht en energie en alle de middelen die het ten dienste staan, de belangen van de Anti-dienstvervangingbond te steunen, door met woord en schrift hare afdeelingen tot een algemeene aansluiting aan te sporen, voor zoover dat niet reeds is gedaan; ze zullen dan een groote, onberekenbare weldaad aan het Nederlandsche volk over 't algemeen en in 't bijzonder aan de lagere standen hebben betoond.

Ten slotte nog iets over de schrijvers in de Friesche- en Leeuwarder Couranten.

De eerste was zoo vrij te constateeren, dat jongelieden uit de lagere standen voor het vak van onderwijzer minder geschikt zouden zijn, wegens //gebrek aan opvoeding."

De tweede was zoo vrij om als zijn gevoelen te doen kennen //dat jongelingen uit de hoogere standen voor het militarisme minder geschikt zouden zijn wegens gebrek aan orde en tucht".

Yan die beide schrijvers wensch ik wel eens te weten, op welk eene wijze ze ons zulke stellingen kunnen duidelijk maken.

Tot nog toe heb ik altijd gemeend, dat iemand die een flinke, degelijke en beschaafde opvoeding ontvangen heeft, zich stilzwijgend onderwerpt aan orde en tucht, en vooral nog wel als deze bij de wet zijn vastgesteld. Zoo lang ik dienaangaande niet van dwaling overtuigd ben geworden, zal ik mijne meening blijven handhaven.

Zeer twijfelbaar is het dan ook, of die beide schrijvers wel hunne meening hebben uitgesproken. In mijn oog hebben ze integendeel de schijn op zich geladen, de eerste, als of hij met beide oogen ziet, dat jongelieden uit de lagere standen wel eens geroepen worden tot volksonderwijzers of andere gemeente- of staatsambten, en de tweede, dat hij graag zou zien, dat jongelieden uit de lagere standen, en misschien wel alléén uit de lagere standen, bij voorkeur geschikt zijn voor 't soldaatje spelen, voor 't ratjetoe eten, door zich te laten dresseeren en exerceeren, terwijl ze de winstgevende betrekkingen het liefst voor de jongelieden uit de hoogere standen behouden willen; zij schijnen wel plichten aan de lagere standen opgelegd te willen zien, maar aan dezen geene rechten toe te willen kennen en wij willen 't een zoowel als 't ander.

Werklieden van geheel Nederland! Zijt wakker en denkt 11 Leg u vooral toe op kennis van de voornaamste staatswetten die ik wel eens bij name heb genoemd. Men zal u dan niet zoo gemakkelijk meer als thans zand in de oogen kunnen strooien. Leg u zooveel ge kunt toe op goed, degelijk en voldoend onderwijs, want;

«Onderwijs — daaraan is alles gelegen,

Onderwijs — dat is voor 't menschdom een

zegen,

't Brengt ons een betere toekomst aan.

Nederland. Criticus.

Aan de leden der Bouwmaatschappij tot verkrijging van Eigen Woningen.

Daar het geenszins in de bedoeling van het Bestuur ligt, om op slechte raadgevingen, zooals in de advertentie van Lébeau gedaan worden, te antwoorden, maar steeds het stelsel is toegedaan, dat zaken, die in eene huishouding mochten voorkomen, in die huishouding moeten worden afgedaan, kan zij echter aan het gemoedelijk schrijven van v. d. B.} de bereidwilligheid van de Redactie van dit blad en de sterke aandrang des vertegenwoordigers, die van het tegendeel overtuigd zijn, geen langer weerstand bieden om de leden eenige argumenten te wederleggen, voorkomende in het laatste artikel, of liever acadabra van Lébeau (?)•, want wij moeten met de Redactie van dit blad instemmen, dat er veel in voorkomt, dat steeds is en blijft onbegrijpelijk en kan dit ook anders, wanneer men altijd een stelselmatige opositie wil voeren, verdwaalt men van zelve in onverstaanbare phrases; het levert ook op eenige punten, door de slecbte stelling, het duidelijkste bewijs, dat dit niet door Lébeau is opgesteld, maar hij zich voor de wagen als het gedweeje paard heeft laten spannen.

Men zal ook niet van 't tegenwoordige bestuur vergen, aangehaalde feiten te weerleggen of personen aan de kaak te stellen van vroegere Besturen, waartegen de meeste grieven zijn gericht.

En nu ter zake:

In hoeverre de Maatschappij niet aan haar doel beantwoordt, is voor ons onbegrijpelijk, tot noch toe is zij aan niets te kort gekomen. Dat er geen uitlotingen van aandeelen heeft plaats gehad, dat kon volgens het bestaande reglement, zonder oneerlijk te zijn, niet plaats hebben, zoo als zelf door den Rechter is erkend en dat het nieuwe reglement nog niet in werking is, ligt niet aan het bestuur, maar aan de stelselmatige oppositie van Lébeau en anderen, die, toen alles in goede werking was, de boel in de war schopten en een geruimen tijd stilstand in de werkzaamheden brachten.

Wat betreft het cadeautje van ƒ5,— bij het winnen van een huis, is ons niets van bewust, en dit kan ook 't tegenwoordig Bestuur niet ten laste worden gelegd, aangezien er onder haar beheer nog geene huizen zijn verloot; dat er wel eens kwade praktijken zijn in het werk gesteld, doch deze worden door het Bestuur, zoo veel het in haar macht is, tegengegaan en waren misschien reeds lang den kop ingeknepen, als de in werking treding van het nieuwe reglement niet zoo was tegengewerkt.

De huizen, die door het Bestuur worden verhuurd, is niet ten voordeele der maatschappij, maar voor de winners, die bij de aanstaande verloting dit lot mochten te beurt vallen, en wat aangaat de huur ad f 1,65 per week, is door de leden zelve gewild, en dit kan ook niet anders; hoe moest het anders een eigendom worden? Gesteld een huis komt op f 8000, dat zou aan rente ƒ 8,— per week zijn, en men ontving slechts f 1,90 huur om af te doen, neen, dan zou eerst de gelukkige winner nog wekelijks f 1.10 moeten bijpassen om de rente te betalen, waar blijven dan nog de lasten, reparatien, administratien, enz. enz., die ook ten laste van den winner komen, en hij dus verplicht zou zijn, ten gerieve van zijn onderhuurder, die goedkoop wil wonen, een zeer hoogen prijs te moeten betalen, zonder een cent eigendom te bekomen.

Dat een week huur vooruit moet betaald worden is niet de wil van het Bestuur, maar die der vertegenwoordigers; wat overigens betreft het briefje van den president over de in huur verkregen woning, was niet meer als zijn plicht, om de conditiën bekend te maken; doch Lébeau wilde, naar het scheen, met het Bestuur een loopje nemen, tot drie maal toe huurde hij en dan bedankte hij weder, iedermaal een ander argument aanvoerende, dus blijkbaar door anderen ingeblazen.

De daarbij gevoegde hatelijkheden gaan wij stilzwijgend voorbij, die toch tot niets leiden dan twisten en elkander de hoofden Warm te maken, omdat het Bestuur overtuigd is naar beste weten te handelen, en zij niet alleenheerscher is; er bestaat een vertegenwoordiging voor de leden,

aan dezen is zij rekenschap verschuldigd en niet aan het algemeen publiek.

Dat een lid van het bestuur gezegd zou hebben, dat er f 8000 te kort was, is wel mogelijk, maar niet dat ze zoek zijn,

Zie wat hiervan de reden is.

Gesteld een lid contribueert / 5,20 per jaar, daar moet af voor den bode 45 cents (en niet 20 cents, zoo als men aanvankelijk wilde, want wie zal voor 20 cent iemand 52 maal achterna loopen, en een arbeider is zijn loon waard), het drukken der kwitantie-billetten, boekhouder, drukken van aandeelen, advertentie-kosten, circulaires enz., zoodat hoogstens een zuiver bedrag van f 4,50 in de kas der maatschappij vloeit. Hij ontvangt daarvoor een aandeel groot f 5,—, dat te kort gerekend over 4876 aandeelen, waarmede 1874 sloot, verschilt alreeds niet veel van f 8000, nu de enorme kosten der geldleening, daar er slechts 95 ten honderd wordt gestort, en nog V4 pCt. courtage, dan gelooven wij dat er ruim f 8000 te kort zal zijn; namentlijk, tegenover gerekend, wanneer de leden het volle bedrag van f 5,-r per aandeel hadden gestort; hadden vroegere besturen dat zoo juist ingezien, zij waren zeker op dien dwaalweg niet gekomen; het neemt echter niet weg, dat de stand der Maatschappij niet alleen in de behoefte blijft voorzien door het bouwen van huizen, aflossingen en?., maar dat zelfs het kapitaal der tegenwoordige aandeelen der leden, zooals uit het laatste algemeen verslag blijkt, ruim aanwezig is en op dien grond den leden bij het nieuwe reglement veel meer wordt toegekend.

('t Slot in 't volgend nommer.)

DE TABAKSKWESTIE.

In de Botterd. Courant van 1 December, 2de blz.. leest men van eene meeting die te Am¬

sterdam op 80 Nov. zou hebben plaats gehad door makelaars, tabak- en sigarenfabrikanten en grossiers, ter bespreking van de zaak der belasting op de tabak.

Ik voor mij geloof dat deze zaak door den werkman als een hoofdzaak mag beschouwd worden en hem tot ernstige overweging, is het noodig, tot handelen moet aanzetten.

In vroegere jaren bemoeide de werkman zich met niets van dien aard van zaken, hij wist soms niet welke belasting op het tapijt was gebracht, ja soms hoorde hij na afloop der zaak dat dit of dat belast was, en maar al te dikwijls was het dan ten voordeele van eenige kapitaalbezitters en ten nadeele van het algemeen, vooral van den werkman.

Maar wat was er aan te doen? Men stond op zich zelve — men was niet vereenigd.

Thans is men een ander tijdperk ingetreden. Men beeft nu het bewijs geleverd dat door vereenigd te zijn veel kan geschieden als men slechts wil.

Is de wet op de kinderarbeid enz. hiervan niet voldoend bewijs.

De nieuw voorgestelde belasting zal die nadeelig zijn enkel voor de speculanten in tabak of in het algemeen? Is het in het algemeen, laat dan de werkman ook het zijne bijdragen om de commissie te ondersteunen tot het geven van inlichtingen of bezwaren, om daardoor mede te werken tot het niet belasten van de tabak.

Maar is het in tegendeel dat het ten voordeele van enkelen is, dat dan ook de werkman hetzijne doet en meetings belegt in alle plaatsen van Nederland en een petitionement indient tot belasting van de tabak, om zoodoende den minister te steunen in zijn voornemen.

Ik voor mij geloof dat de tabakswerkers in het bijzonder en de werkman in het algemeen op zekere punten het beste inlichtingen kunnen geven.

Ik voor mij die ruim 80 jaren in de tabak ben werkzaam geweest, waarvan ik eenige jaren in Belgie en nu eenige jaren in Engeland werkzaam ben, kan, dunkt mij, wel iets of wat inlichting geven. Ik wil het ten minste beproeven, in de hoop zoo een ander het beter weet hij dan ook schrijve, want door de wisseling van gedachten komt men tot klaarheid, en ik geloof dat belastingzaken wel ernstig zijn om er gedachten wisseling over te houden. ,

De heer Blaiklmit geeft aan als bezwarende zaken: