is toegevoegd aan je favorieten.

De volkstribuun; orgaan der volkspartij in de zuidelijke provincien, jrg 2, 1891-1892, no 18, 30-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2e Jaargang.

Zaterdag, 30 Januari 1892.

No 18

Socialistisch Weekblad voor de Zuidelijke Provinciën

De poging om de arbeiders te org-anlseeren om met gemeenschappelijke kracht hun rechten te doen gelden. Is rechtvaardig, heilzaam, ja zelfs noodzakelijk.

Bisschop von KETTELER.

Verschijnt eiken Zaterdag.

Armoede verwekt misdaad, wie d-us de misdaad wil tegengaan, bestrede de armoede.

Prijs voor Nederland per 3 maanden. . . . f 0.40

Voer België 50 ct., het overige Buitenland . - 0.65

Enkele nummers S'/a, buiten Maastricht . . . 0.03

Advertenliön per regel - 0.05

Alles bij vooruitbetaling.

UITGAVE VAN

PIETERS & Co., iioekhandelaren, MAASTRICHT.

Alles wat redaktie, administratie en expeditie betreft, gelieve men te "zenden aan liet bureau «De Volkstribuun» Stokstraat 13, Maastricht.

AL

onze abonnês die het kwartaal Oktober-December '91 nog niet hebben betaald, ontvangen in den loop dezer week een postkwitantie van 90 ct. zijnde het verschuldigde tot einde Maart.

WIJ VERZOEKEN nogmaals al onzen agenten en wederverkoopers, die zulks nog niet hebben gedaan, DRINGEND om afrekening over dat kwartaal.

WERKELOOS!

'k Heb vandaag gedaan gekregen, En wij hebben vv.ur noch brood; 't Wintert fel, en allerwegen Grijnst ellend' ons aan en dood.

Nergens is op werk te hopen; 't Sneeuwt; de straat is vuil en glad; 'k Heb reeds alles afgeloopen,

Elke werkplaats van de stad.

Geen krediet; niets te verkoopen, En den huisbaas in 't verschiet! Wachten, luidt het rondom, hopen; Wachten doet de honger niet.

Rijke menschen ft zij vergeven Aan hun domheid!) wezen.mij 't Voorbeeld door de mier gegeven: Sparen in het zomertij!

Sparen? — Om genoeg te eten Strekt het loon ter namvernood;

't Pas ontvangen weekloon weten Wij verschul igd reeds voor brood.

Hard en bang zijn onze nachten;

Geen verkwikkend avondmaal;

Moeder ziet men vruchtloos trachten, Met haar kleeren, dun en kaal,

'tBed te warmen van de kleinen. Ach, zij lijden hard en bang; 't Beddegoed zag men verdwijnen Naar den lommerd reeds voor lang.

'k Heb het vorig jaar verloren d'Allerkleinste, welk een pijn!

Dood slechts ia ons kroost beschoren, Als de moeders krachtloos zijn. 'k Vrees, dat binnen weinig dagen 't Vonnis onzen tweeling wacht; Ach, zijn zij wel te beklagen,

Wien de dood verlossing bracht?

Is het wonder, als een vader In den drank zijn leed verdooft?

Snel komt het gevaar ons nader Dat bedreigt mijn dochters hoofd. Voor een kind van achttien jaren Is een kleinigheid genoeg.

Moog' de hemel haar bewaren,

Om te vallen reeds zoo vroeg!

'k Wil de brug niet meer betreden, Op mijn zwerftocht 's avonds laat, Als het water daar beneden Zuchtend tegen d'oever slaat.

't Is mij dan of in de golven Ik het klaaglied hooren moet Van een arme, die bedolven Ligt in 't diepste van den vloed!

'k Heb vandaag gedaan gekregen, En wij hebben vuur noch brood; 't Wintert fel, en allerwegen Grijnst ellend' ons aan en dood.

(Naar Eugène Pottier.)

HET GELD.

De donker die doordringt tot de oorzaken der/dingen, moet bij het beschouwen van het geld en de rol die dit in het maatschappelijk leven speelt, treurig te moede worden. Immers, ontzettend verderfelijk werkt het geld in dat maatschappelijk leven. Geld veroveren ! düt is het parool geworden van bijna ieder mensch.

Voor geld verkwanselt de bankier en notaris het levensgeluk van duizende menschen.

Voor geld zuigt de kapitalist honderden arbeiders uit en doemt hen tot een leven vol ellende.

Voor gold verkoopen zich koningen en keizers, staatslieden, geleerden, schrijvers en denkers.

Voor gold moordt de moordenaar, steelt de dief, rooft de roover, en zoo voort.

De hebzucht, de zucht naar geld is dk drijfveer geworden van 's menschen handelingen en gerechtvaardigd zijn de talrijke vervloekingen die het vanwege de menschenvrienden ten deel vallen. Opheffing van het geld, een maatschappelijke regeling waarin geen geld meer zal zijn, waarin geen geld meer zal noodig zijn ook, vormt dan ook het ideaal van zeer velen, vooral van ons socialisten.

Wij zijn er overtuigd van dat velen raar zullen opkijken bij deze woorden. Geen Geld? Maar wat wil je nu in vredesnaam zonder geld aanvangen?

Wij erkennen dat het moeilijk is daarop een antwoord te geven door ons, wier leven evenals dat van die vragers van het al of niet bezitten van wat geld afhangt, maar wanneer wij eens goed nagaan welk gebruik er van het geld wordt gemaakt en waarvoor het eigenlijk in de wereld is gekomen, dan zal dit wat duidelijker worden.

Welke rol vervult het geld in onze wereld? Die vraag zullen wij trachten te beantwoorden in dit artikeltje.

Ieder mensch werkt tegenwoordig over 't algemeen aan één soort waar. Bijvoorbeeld een meubelmaker maakt niets dan meubels, een smid niets dan ijzerwaren, een glasblazer niets dan glaswerk. Somtijds zelfs zijn er veel personen te zamen noodig om een soort waar klaar te maken. ^Vij nemen echter voor 't gemak één persoon die één soort waar heeft gemaakt.

Die persoon nu heeft geheel andere behoeften dan die welke bij met de door hem gemaakte waar kan bevredigen. Een stoel is wel goed om op te zitten, maar deugt niet om er zich mede te k leeden en nog minder om er zich mede te voeden. En de persoon welke nu die ééne soort waar heeft gemaakt heeft voedsel, kleeding enz, noodig.

Zoo is het met ieder. De bakker heeft brood te veel en hij heeft behoefte aan schoenen, de boer heeft boter en eieren te veel en heeft behoefte aan kleedingstukken de schoenmaker heeft schoenen te veel en boter en eieren noodig. Hoe zou nu die schoenmaker het moeten aanleggen om die boter en die eieren te krijgen indien er geen geld was? Hij zou schoenen moeten ruilen tegen brood bij den bakker, daarna

hot brood tegen kleedingstukken bij den kleermaker, d".u woor die kleedingstukken tegen boter en eieren bij den boer. Dat zou een ruilerij worden van belang en er bestond veel kans dat men telkens een lange rij van personen had af te loopen vóór men de verlangde ruil van zijn waar tegen zijne benoodigdheden kon bewerkstelligen. Wat een enorme hoeveelheid tijd zou daarmede niet verloren gaan!

Nu gaat dat door middel van het geld veel eenvoudiger. Men verkoopt zijne waar voor gold en koopt daarvoor al wat men hebben wil. Ik heb drieerlei dingen noodig en slechts één stuk te verkoopen. Dat ware een moeilijk geval indien er geen geld bestond, thans verdeelt men het geld eenvoudig in drieën, wat met dat ééne stuk waar niet ging.

Het gold doet, zóó bekeken, in onze maatschappij een zeer nuttige dienst, nl. die van ruilmiddel. Er hebben in de wereld ook wel andere ruilmiddels bestaan. Zoo gebruikte men in Rome daarvoor zakjes met zout, waarvan nog afkomstig is het woord salaris (sal d. i. zout) nog vroeger deed het vee daartoe dienst, vandaar het latijnsche woord pecunia, afkomstig van pecus (vee), voor geld. Dat men er toe is overgegaan goud en zilver ervan te gebruiken, komt waarschijnlijk daarvandaan dat die metalen het zeldzaamst voorkomen en het minst verslijten.

In zich zelf, in zijn oorsprong, is het geld dus nuttig en gemakkelijk. Maar . . . het is dit niet gebleven en voor de menschheid ware het zeker niet te betrouren indien de mode van de zakjes zout, maar mode ware gebleven.

En hoe komt dat nu, dat het geld op 'toogenblik zoo'n verderfelijke werking heeft? Het is niet gebleven wat het oorspronkelijk was, nl. een ruilmiddel. Het geld is, dooiden handel, zelf een waar geworden, een waar die niet bederft, die gemakkelijk op te stapelen is, waardoor de mogelijkheid werd geopend dat enkelen zich er van konden meester maken ten nadeele van het algemeen. Hoe is dit gegaan?

Let eens op. Wij hebben waar te verkoopen, verkoopen die voor geld en koopen voor dat geld weer andere waar. Wij krijgen dus : Waar — geld — waar. In dit geval is het geld ruilmiddel en blijft de zaak gezond.

Maar de handelsman doet anders om. Hij heeft geld, koopt daarvoor en verkoopt die waar voor geld. Wij krijgen dan: Geld — waar — geld. In dit geval is het geld geen ruilmiddel, maar integendeel, do waar doet als zoodanig dienst. Maar wat heeft die man er nu toch aan om dat te doen? Hij heeft geld, verruilt dat tegen waar en verruilt die waar tegen geld, waarom behield hij dan eenvoudig zijn eerste geld niet, dan had hij de moeite gespaard?

Maar dihlr zit hem nu de kwestie. Die handelaar doet die ruiling niet voor de pret, hij ruilt geld voor waar en waar weer voor

meer geld.

Op die wijze is er een begin gemaakt met de opeenhooping van geld en voor het leven zonder arbeid. Neem een handelsman die voor 40 gulden koren verruilt tegen aardappels welke 50 gulden waard zijn, die heeft

10 gulden verdiend en toch blijven èn koren en aardappels dezelfde voedingswaarde houden. Maar hij dio ze koopt om te gebruiken moet de 10 galden betalen welke de handelaar er op heeft „verdiend".

Nu is het werk dat de handel verricht of laat verrichten , nl. het uitdeelen der waren , zeer zeker nuttig werk, maar dat wordt hoofdzakelijk gedaan door den kleinhandelaar. De groothandelaar die een bezending waar laat komen van elders, zendt ze niet zelden ook weer naar elders, zonder ze te hebben verspreid, alleen de kleinhandelaar verdeelt de waar, weegt ze af, verkoopt ze aan den onmiddelijken verbruiker. Hij kan dan ook veelal zijne meestal geringe verdienste als werkelijk loon voor arbeid beschouwen , maar van den groothandelaar, van den spekulant, kan moeilijk hetzelfde worden gezegd.

Bij hen is liet geld een waar geworden en zij werken daarmede niet met het doel eenig nut aan de maatschappij te plegen, maar eenvoudig om door geld tot meer geld te komen.

En in die rol treedt bet geld thans veel meer op dan oin in werkelijkheid tot ruilmiddel te dienen. Dat nu is het verderfelijke ervan, dat ons socialisten doet verlangen naar de verdwijning van den heelen geldrommel. Want een ander ruilmiddel is gauw gevonden en bij de tegenwoordige rol die het geld speelt is het onmogelijk dat ieder mensch het zijne krijgt. Immers het inkomen van den ir ensch regelt zich niet naar het werk dat hij doet, maar wel naar de hoeveelheid kapitaal, opeengehoopt geld, dat hij bezit.

Het opeengehoopt geld verandert.in kapitaal en langs dien weg sluipen de kapitaalbezitters de vruchten van den menscholijken arbeid tot zich.

Dat geeft weelde, overdaad, soms de walgelijkste verkwisting aan hun kant, maar die verkregen wordt door ontrooving aan den arbeid verrichtenden mensch van het grootste gedeelte van hetgeen hij voortbrengt.

En dit mag nu langs breedredeneerenden weg als noodzakelijk ons worden vertoond, wij gelooven geen redeneering, ook al is ze noch zoo mooi, die ons moet brengen tot de slotsom: dat het rechtvaardig is dat de groote massa dio arbeidt, ontbeert en de kleine kliek die niets doet, in weelde baadt.

Dat is onrecht volgens ons en volgens allen die niet de liefde voor het geld hooger stellen dan de liefde voor waarheid en recht.

Speldeprikken en Mokerslagen

wie kaatst moet den bal verwachten

Wij behooren niet tot de lui die steeds den lof zingen van „den goeden, ouden tijd". Wij gelooven dat dieil goeden ouden tijd nooit heeft bestaan voor de arbeidende klasse en dat zij door alle eeuwen heen, uitgezogen en uitgeplunderd, ten prooi is geweest aan armoede en ellen 'e.

In den laat?ten tijd is echter door de katholieke bladen dit laatste om het hardste ontkend. Zij beweren ais om strijd dat de tegenwoordige ellende een gevolg is van de Fransche revolutie en dat vóór die revolutie alles in de puntjes