Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stuk vleesch aan, biefstuk, runderlappen of wel heerlijk gebraden karbonades van verschrikkelijke afmetingen. Ja, het proletariaat heeft een goeden smaak tegenwoordig. Woedend keer ik me van die wijven af. Ik wil naar boord, ik moet die kerels, welke zooveel maanden aaneen dergelijk voedsel nuttigden, van zeer nabij zien. Naarmate ik echter het schip nader, voel ik mijn moed verminderen. Ziet die blikken eens van die kerels. Blikken vol haat en af keer, die voor de toekomst niet veel goeds beloven. Doch ik verman me door het gevoel dat ik geflankeerd wordt door de politiedienaren van Zimmerman. Ze doen me niks. Als een kerel treed ik voorwaarts. Plots omklemt een nageltang, gehanteerd door een nageljongen, mijn oorschelp. Vreeselijk wat een pijn veroorzaakt mij die gloeiende tang. Ik ruk mij los, doch een andere tang omklemt mijn andere oorschelp. Weer die stekende pijn. Nogmaals ruk ik me los, keer me om, , en loop, neen hol, neen vlieg de loopplank af terug naar mijn villa, hopende daar rust te vinden. Hier schijnt mijn droom zijn einde te hebben gevonden. Een sciiaterlach van mevrouw is het antwoord op de sombere klanken van mijnheer „Mijn lieve man”, spreekt ze doof haar lach heen, „het was me opgevallen dat je heden nacht buitengewoon woelig was, en ik trachtte je te wekken door je aan je oor te trekken. Echter kon ik niet vermoeden dat die oortrekkerij je zooveel pijn zou veroorzaken. Vs. Professorale onzin en dito onwaarheden. De Kamer van Koophandel v. d. Beneden Maas heeft te Vlaardingen vergaderd. Op deze vergadering heeft, op verzoek van bovengenoemd lichaam, prof. W. J. Bruins gesproken „over den algemeen economischen toestand.” Volgens een verslag van deze vergadering wenschte geen der aanwezigen na het gesprokene een vraag te stellen, „waarop de voorzitter den professor dankte voor zijn college in staathuishoudkunde.” Dat is niet mis! En een professor, die college geeft in staathuishoudkunde, zoo althans mogen wij verwachten, is iemand, die zich rekenschap moet geven van hetgeen hij zegt. De man van de wetenschap heeft, ook dit mag aangenomen worden, een vooruit-Zienden blik, een kijk op het komende, is bekend met het heden en het verleden. Zoo hoort het althans. Toen wij echter het verslag wat nader bekeken bleek ons, dat ook hier alweer een zoo’n gewoon alledaagsche prof. aan het woord geweest was, met geen verder zienden blik dan van den doodgewoon reactionnair werkgever. Een die geen redding denkbaar acht, zonder dat de heele economische war- en janboel wordt afgewenteld op de ruggen der arbeiders. De hooge monen (vooral zeker die in onze bedrijven?) en. . . . die vervloekte hooge (?) uitkeeringen bij werkloosheid, dat is de belemmering voor goede economische verhoudingen. De onzin in quadraat. De economie va.n de machtswellustigen zonder meer. Ziehier de eerste ontboezeming van. dit .mensch der „wetenschap7* volgens het verslag. „Waaraan ziet men den stand van den economischen toestand in een land? „In de eerste plaats aan de werkloosheid, hoewel dit niet altijd een juisten maatstaf

geeft. Waar werkloozenkassen zijn met hooge uitkeeringen, zooals hier, zullen conflicten gemakkelijker ontstaan, omdat de vrees voor de ellende als gevolg daarvan minder gevoeld wordt.” Men moet minstens professor zijn om ! dergelijke wartaal uitte spreken. ® | De hooge (?) uitkeering bevordert con- j flicten. Waarvoor toch in hemelsnaam wur- 1 den onze werkloozenkassen gebruikt om conflicten te bevorderen of te steunen? Die ; prof. moet eens wat vroeg z’n bed uitkomen en eens een kijkje gaan nemen voor de poor- ; ten van fabrieken en werven. Hij zal dan | zien hoeveel stAmtrekkenden zich verdringen, die hzen, al is bet maar op 5 of 6 dagen werk. Met al z’n geleerdheid weet hij van de werkelijkheid niets af. Kent die niet. Zelfs van ver af niet.' En dat noemt men dan beschouwingen in economie. Net mej. v. Dorp! Misschien dat de arbeiders ook we! eens wat van zulk soort economie willen weten. Kijk, die geleerdheid zit zoo: De zaken gaan niet vlot, ook niet voor mej. v. Dorp en ook niet voor dezen professor. Burgerbladen, ook al de pé in op dat hooge loon van die arbeiders, schrijven, of het waar Is of niet, dat een bouwvakarbeider het vertikt om voor ƒ 1.50 per uur te werken, En mej. en de prof. lezen dit. Die meubels onderzoeken niet of het waar is. Wel neen, dat is wat beneden hun waardigheid. Die maken er een rekensommetje van en als volgt is hier de economie: 52 X 48 X ƒ *-50 = ƒ 3.744-— plus wat tarief = ƒ 4.000.- per jaar. Mijn of ons inkomen met al onze wetenschap is 8 a 10 duizend gulden. Die kerels met hun blauwen kiel, die doodgewone aardsche stommelingen, zoovee' loon’ Dat gaat niet. Dat moet omlaag. Dit is het en anders niet, de gansche economie van deze en ook zoogenaamd andere wetenschappelijke menschen van dit slag. Van de werkelijke loonen weten de heeren geen snars af. Bewijs? Ziehier hetzelfde verslag. Aldus gesproken door prof. Bruins: „Het loon-niveau is hier ook minder gedaald dan in andere landen. In Engeland zijn bij scheepsbouw en mijnindustrie de loonen belangrijk lager dan hier, hoewel ze hooger zijn geweest dan ooit hier te lande.” Dat het loon in Engeland, om bij onze industrie te blijven, lager is dan hier, is een pertinente professorale leugen! En laten wij nu nog eens even zien wat er van het praatje waar is, dat als het loon maar daalt, dat dan de economische verhoudingen beter worden. In onze industrie en voornamelijk in Maassluis, Vlaardingen en Schiedam, voor welk publiek de prof. sprak, is het loon ruim 30 pCt. gedaald. Waar blijft nu het werk? Heel eenvoudig; het is er niet! Maar een ander, meer tastbaar voorbeeld en om in Nederland te blijven. Inden landbouw, daar zijnde loonen op het niveau van 1912; zelfs daar beneden. En het wérk? Daar toch zal dan een goede economische toestand zijn? Kan je denken! Zwarte honger in duizenden gezinnen en hoe sneller het loon zakt, hoe slechter de economie en hoe grooter de werkloosheid. Trouwens, om weer in onze industrie te blijven, zelfs te Hamburg op de scheepswerven springt men als ’t ware tot de wolken als er een behoorlijke bestelling komt. Daar speelt het loon heelcmaal geen rol. Daar wordt het loon in marken betaald en daar is ook geen werk. Althans geen voldoende werk. Als onze prof. weer eens voor een dergelijk publiek in deze omgeving komt spreken, zal hij goed doen zich eerst eens met de werkelijkheid op de hoogte te stellen. i I ( [

Hij geloove ons in gemoede, het streven der in deze omgeving zich bevindende werkgevers is reactionnair genoeg. F. v Sp. Uit de Afdeelingen. AMSTERDAM. De Nieuwe Gedachte. | Zondagmorgen 28 Jan. a.s., te 10.30 uur, ; zal vanwege „De Nieuwe Gedachte” in \ „De Witte Bioscoop” Damrak, spreken 'i G. Brettani over „Beatiijs van Bontens met de muziek van Alex Voormolen”. Medewerking van de pianiste Anni Cleuver—Long. MAASSLUIS. In 1922 is onze afdeeling met 50 p6t. in ledental gestegen, terwijl we bij de R. K. en Chr. afdeelingen van metaalbewerkers slechts een stilstand konden bemerken. Ons ; succes is het resultaat van ’t werken van | enkele onvermoeide werkers. Twee maal hebben v. Spanning c.s. uit Schiedam getoond, dat met huisbezoek hier iets te bereiken is en onze kern heeft ook stelselmatig doorgezet. Nog zijn er echter te veel thuisplakkers. Toch zullen wij ook dit jaar weder met nieuwen moed aanpakken en doorzetten, en al drijft de werkloosheid ook wederom enkele onzer beste werkers naar andere plaatsen, toch willen wij dit jaar trachten een ledental met 3 cijfers te behalen. Als inzet houden wij op Dinsdag 30 Januari a.s., 's avonds 7.30 uur, in ’t Vereenigingsgebouw, een openbare propagandavergadering. Onze hoofdbestuurder H. J. v. d. Born zal daar het onderwerp „Naar de Eenheid” behandelen, hetgeen zeker deinen uitwendige sterkte onzer afdeeling ten goede zal komen. Het duo v. Dijk uit Rotterdam zal ons dien avond op muziek en zang vergasten. Wij rekenen dus, dat elk lid zijn vrouw of,meisje medebrengt, benevens ten minste één on- of verkeerd georganiseerde. Daarna allen flink aangepakt tot uitbreiding van ons ledental. HET BESTUUR. ROTTERDAM. De Nieuwe Cultuur. Zondag 28 Januari half elf spreekt Th. van Erp over „De tempelgroep van Prambanan”. Met lichtbeelden. Overzicht der werkzaamheden van de vakafdeeling Metaalbedrijven der Gem. Arbeidsbeurs, over de maand December 1922. Aanvragen van'werkgevers : 117 volwassenen, 13 jeugdigen. Aanbiedingen van werkzoekenden 1147 volwassenen, 109 jeugdigen. Plaatsingen van werkzoekenden 115 volwassenen, n jeugdigen. Voldane aanvragen van werkgevers 105 volwassenen, 9 jeugdigen. SCHIEDAM. Ter waarschuwing. Een intensief toezicht op de naleving der Arbeidswet hebben wij in Schiedam zoowel als in Rotterdam nooit gekend. Ontduikingen hebben zeer sterk plaats gehad. Voor een toezicht op naleving er van was en is geen voldoende personeel en bovendien, de directeur der Arbeidsinspectie, 3e district hij geeft dit openlijk toe is een tegenstander van den 8-uren dag. Hadden wij eerst nog de dankbare hulp der politie, ook dit was spoedig uit. Overtredingen werden gestraft met een geldboete van 50 cent. leder voelt, dat had men er graag voor over, vooral als het in ploegen

geschiedde. Zoo werd ook het werk der goedwilligen belachelijk gemaakt. Toch ging het nog een poosje vrij goed. Nu echter is het weer finaal mis. De oude tijd komt weer terug ondanks wij nu een wet hebben. Kinderen, die nog 16 jaar moeten worden, werken boven hun'dagtaak nog twee nachten per week. . Ouderen gaan onder dwang van bazen en bedrijfsleiders weer tot aan de honderd en meer uren per week. Verleden week is het zelfs vóórgekomen, dat „gewerkt” is van Vrijdagmorgen tot Maandagavond. 84 uur hebben deze sloebers aan één stuk op de fabriek doorgebracht. Brood en ander eten werd gehaald, en dit terwijl duizenden hunkeren naar één dagloon. Wij weten niet of bedoelde heeren het met ons eens zijn, doch èn directies <!-n bedrijfsleiders èn bazen zijn finaal krankzinnig als zij aannemen, dat arbeiders, die dit doen, dezen tijd werkende doorbrengen. Bij de laatsten zijn er echter, die voor een aantal „Zondagsborrels” heel wat doen. Wij schreven hierboven: ter waarschuwing. Dit zijn toestanden, die wij niet tolereeren. Geen sprake van. Men ziet echter — dit aan het adres der bedoelde directies, bedrijfsleiders en bazen, — dat wij met de toestanden, die meer dan r.rhande zijn, volmaakt op de hoogte zijn. Wij willen echter de gelegenheid bieden, ook omdat wij weten, dat er directies zijn, die dit zelf niet willen, om deze misstanden, die gelukkig nog niet lang bestaan en zeer goed opgeruimd kunnen worden, zelf op te ruimen. Men neme hiervan goede nota! Helpt deze waarschuwing niet, onherroepelijk gaan deze wandaden met naam en al wat maar aanwijzing kan zijn, de krant in. Zonder pardon zullen wij die aan de publieke opinie prijsgeven. Men zij dus gewaarschuwd. De heer Last, die zonder twijfel toch heeft te zorgen, dat deze wet worde nag-leefd, hij dommele door! Voor het kloppen van een kleedje drie dagen in de „nor”. Voor het vernielen van menschenmateriaal één oog geheel en het ander driekwart dicht. Leve Last en onze samenleving! F. v. S • • • Wij herinneren onze leden aan de cursusvergadering, waar Spanning spreekt over de „Moderne vakbeweging en de zorg voor de werkloozen”, welke wordt gehouden op Donderdag 1 Februari ’s avonds 8 uur in „Het Volksgebouw”. — De Nieuwe Cultuur. Zondag 4 Febr., half elf v.m., zal voor „De Nieuwe Cultuur” in het Volksgebouw optreden mevr. Emeis—van Buuren van Rotterdam met „Gedichten en Schetsen”, o.a een schets van Falkland. Buitenland. ENGELAND. De Engelsche regeering heeft ter bestrijding der werkloosheid het plan ontworpen om de spoorwegmaatschappijen te nopen tot uitbouwing en verbetering van ’t verkeersnet en bedrijfsmiddelen op groote schaal en wil daarvoor een bedrag van 50 millioen pond sterling (pl.m. ƒ 588.000.000.—) ter beschikking stellen. Het doel van dezen maatregel is dus niet alleen werkverschaffing, maar ook tegelijk aanwending der groote massa van werklooze Engelsche arbeiders, tegen behoorlijke loonen, ter vervulling van

voor de verdere bewerking gereed, gemakkelijk smeltbaar en hamerbaar en in hooge mate buigzaam en voor den smid veel aangenamer te bewerken. Het ruwe, uit het erts verkregen ijzer daarentegen is nog in het geheel niet geschikt om tot bruikbare voorwerpen verwerkt te worden; het vereischt integendeel nog' een gecompliceerde bewerking voor de verdere reiniging en loutering; er is nog een metaalkundige behandeling noodig, voordat het voor een verdere bewerking geschikt is. De aanmerkelijk grootere moeilijkheden der ij zettechniek zullen dus wel in de eerste plaats de oorzaak zijn geweest voor het betrekkeiijk late optreden van het ijzer in de metaaltecbmek, dat eerst mogelijk was toen men een verderen, hoogeren trap in de algemeene werktechniek had bereikt. Nadat men dezen trap der techniek bereikt heeft, wordt hei ijzer nu juist door zijn hardheid en vastheid, maar vooral ook door zijn verre verspreiding, door de groote hoeveelheden, .waarin het voorkwam, spoedig het meest ■georuikte metaal voor alle practische doel-J einden in oorlog en vrede dat, wat zijn prac| tische beteekenis betrof, alle andere metalen ; ycr o /er trof. Op het steenen en bronzen tijd- j perk volgde het ijzeren tijdperk, dat de grondslag van een aanmerkelijk vruchtbaar- i dêre en langdurige nieuwe beschavings- i periode zou worden dan de eerstgenoemden. 1 De reeds genoemde moeilijkheden bij de verkrijging van het ijzer uit zijn ertsen, ma- I ken,het in hooge mate waarschijnlijk, dat j

het eerste ijzer, dat de menschen gebruikten in het geheel geen ijzer van onze aarde, waar het haast nooit gedegen, maar steeds als erts voorkomt, maar reeds van nature gedegen metcoorijzer was, dus ijzer, cat van andere wereldlichamen op onze aarde neergevallen was. De voornaamste eigenschap van dit metcorischè ijzer is, dat het reeds van nature gedegen is, dus onmiddellijk voor een practisch gebruik, resp. voor de verdere verwerking tot gereedschappen enz. gereed is. Zulk meteoorijzer, dat'den mensch van iedere moeite en moeilijkheid bij de productie bevrijdde, zal hij ook zeker wel vroeger dan het aardijzer gebruikt hebben. Deze veronderstelling wordt in zekeren zin bevestigd door het feit, dat men nog heden ten dage bij de Arabieren, de Skandinaviërs en andere Noorsche volken aan de hand van zeer oude wapens bewijzen kan, dat het daarvoor gebruikte ijzer ongetwijfeld meteoorijzer was; de Eskimo’s in Groenland ♦ smeedden eveneens nog in het midden van de Vorige eeuw hun wapens en werktuigen van meteoorijzer, dat men daar in groote hoeveelheden vindt. De oude Egyptenaren j noemden het ijzer het „metaal van den hej mei”, en ook deze naam wijst op den meteorischen oorsprong van het eerste ijzer van de I menschen. Nadat men dan aan het meteori-I sche metaal de onschatbare practische eigen; schappen ontdekt had, ging men er toe over om ook het ijzer van de aardertsen practisch te gebruiken. Op deze wijze werden dus de , alleroudste cultuurvolken, en wel reeds inde

vroegste tijden van hun historisch leven, met het verkrijgen van ijzer uit de ertsen en zijn bewerking door smeden, bekend. Bij de Eyptenaren staan ijzerproductie en bewerking reeds op een tamelijk hoogen trap van volmaaktheid. Uit talrijke opschriften op de wanden der tempels en van and me gebouwen blijkt, dat het gebruik van het ijzer hier ruim tot 3000 j. v. Chr. terug gut. In deze opschriften worden dikwijls met ijzer gevulde bakken als oorlogsbuit genoemd; daardoor leeren wij niet slechts de eigenaardige manier, waarop rnen ijzer bewaarde, kennen, maar ook de groote waarde, lie het ijzer toen bezat; want indien men hot minder hoog gewaardeerd had, zou men het wel nauwelijks zoo zorgvuldig in potten en bakken bewaard hebben en het nog minder als roemrijke oorlogsbuit beschouwd hebben. Voorts vindt men op de afbeeldingen op de graven der oude Eyptenaren, die ongeveer uit het jaar 3000 v. ,Chr. stammen, verschillende ijzeren gereedschappen en wapens afgebeeld, zooals ijzeren ploegen, bijlen, zelfs ijzeren zagen. Ten slotte zijn ook enkele ijzeren voorwerpen der oude Egyptenaren tot inden tegenwoordigen tijd bewaard gebleven, o.a. een reusachtig en gedeeltelijk ! reeds bewerk, stuk smeedijzer,dat men inde | groote Cheops-pyramide heeft gevonden en ( dat, zooals men uit de daarop gevonden teekens kan opmaken, den statigen leeftijd van ongeveer 5000 jaar bereikt zal hebben : een , ijzeren sikkel, dien men onder de zuil van i een sphinxbecld gevonden heeft, zal wel

2800 jaren geleden door een Egyptischen landbouwer bij het grasmaaien gebruikt zijn. Maar de Egyptenaren kenden niet alleen het ij'zer in zijn oorspronkel ijken vorm, maar ook in zijn veredelden vorm als staa'. dat zij stalen gereedschappen kenden en gebruikten blijkt voldoende uit de buitengewoon scherpe bewerking der harde steensoorten, die voor artistieke voorstellingen, beeldzuilen enz. gebruikt werden, zooals bijv. graniet, porphyr, bazalt, die men met werktuigen van gewoon ijzer nooit zoo nauwkeurig er precies had kunnen vervaardigen als we ze nog heden ten dage aan de bewaard gebleven gebouwen kunnen bewonderen. Ofschoon Egypte zelf ijzerertsen bezat, betrokken de Egyptenaren toch ook ijzer en ijzei waren uit verschillende andere landen, zooals bijv. Ethiopië, Nubië en Meroe, een feit, dat ten duidelijkste bewijst, hoe groot de behoefte aan ijzer in het land der Pharao’s reeds was. Nog ouder echter dan in Egypte was de, productie en het gebruik van het ijzei bij de Aziatische volksstammen, vooral bij de Chalyboren, die aan de rivier Pontus in K!.- Azië woonden en hun ijzer uit het ijzerhoudende zand van deze rivier verkregen. Onder de graven van Toeran en de ruïnen van Chorsobad heeft men ijzeren voorwerpen gevonden, die nog ouder blijken te zijn dan de Egyptische ijzerwaren. (Wordt vervolgd.)

Sluiten