Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

30STE JAARGANG ZATEFDAG 10 NOVEMBER 1923 N<> 45

De meïaalD e m erfte r

CU£sMl>fsd mdot /flgemecnen fköerlanöscftcn metaalftwrkersbowL

~~ ’* REDACTEUR; G VAN DER HOUVEN . Arbeiders aller Landen Kennis Is m?cht Vereen igt U. Adres van Redactie en Administratie Kemonylaan 24. Amsterdam Eenheid vracht 1 . Telefoon 26175 1

AUnNNt'MKNT' ADVERTENTIËN BS r„, J9.r ' /j : '** ** iz B.rr * •. v£

OPLAAG 34 400 Officiêele Mededeelingen. week wordt het eontributicregel op de 45a wsek in het Bondsboekje geplakt« * * Wij maken de leden van de afdeelingen DEN HAAG en HAARLEM attent op de in dit nummer voorkomende advertentiën. Wat bij de komende propaganda Tooral niet mag vergeten worden. In ons nummer van de vorige week schreven we een artikel, waarin we onze leden opwekten tot deelname aan de propaganda, meer. speciaal wat het huisbezoek betreft. We willen onze afdeelingsbesturen en propagandisten nu nog eens ernstig op het hart drukken om straks bij de propaganda vooral de jeugdige arbeiders niet te vergeten. Het wil ons voorkomen dat, vooral inden Jaatsten tijd, te weinig aandacht aan de jeugdige vakgenooten besteed \ wordt; sterker uitgedrukt zouden we willen opmerken dat men de propaganda onder de jongeren min of meer verwaarloost. Het is waar, we hebben vermeerdering of vermindering van óns aantal adsp. leden nimmer in rekening gebracht als we een beschouwing hielden over winst of verlies van ons ledental. Daarmee hebben we echter nimmer te kennen willen geven dat vóór- of achteruitgang van ons aantal adsp.-leden ons onverschillig was. Voorzoover die meening inden kring van onze leden gcheerscht heeft, willen we hier nadrukkelijk verklaren, dat de propaganda onder de jongeren zoo al niet méér, dan toch in ieder geval evengroote belangstelling verdient als die onder de ouderen. Wat den omvang van onze organisatie betreft, tellen wede adsp.-leden niet mee, maar toch moet ieder onzer het betreuren dat de achteruitgang van het getal dergenen, waarop voor een deel onze toekomst gebouwd is, zoo’n ongewenschte verhouding heeft aangenomen. De daling van ons adsp.-ledencijfer is niet gering; op 1 Januari 1922 was het nog 2280 en nu, per 1 Oct. 1923, is het op 873 gekomen. Dat is dus ineen tijdsverloop van bijna twee jaren een verlies van 1407 adsp.- leden of 61 pCt. Ongetwijfeld zijn er redenen aan te wijzen, waardoor zich een beteekenende achteruitgang van ons adsp.- ledental zou laten verklaren. Sedert de intrede van de malaise is het aantal jeugdige vakgenooten uiteraard belangrijk afgenqmen. De jongeren, welke op 1 Januari 1922 16 jaar of ouder waren, zijn nu, zoo ongeveer althans, allen ouder dan 18 jaar en nieuwe, jeugdige werkkrachten zijn niet of in geringe mate door de bedrijven opgeno-

men. Dit alles tezamen wettigt dus een achteruitgang van ons adspirantencijfer, zeker, maar een verlies van 61 pCt. loopt eenvoudig de spuigaten uit. Onze volwassen leden zullen er alles op moeten zetten cm het verlies niet alleen te beteugelen, maar vooral ook om er winst voor inde plaatste stellen. Dat de jongeren inden kring van onze beweging worden opgenomen, is niet een direct maar voornamelijk een toekomstig belang. Reeds op jeugdigen leeftijd moet de noodzakelijkheid van organisatie en het brengen van offers worden bijgebracht opdat zij, op rijperen leeftijd gekomen zijnde, niet geheel vreemd tegenover onze beweging staan. De adsp.-leden leveren ons als organisatie geen financieel voordeel op. Dóar is het dus niet om begonnen. Voor de toekomst van onzen Bond en niet te vergeten, vooral voor de toekomst van de jongeren zelf, is een vroegtijdige opname in onzen kring,een dringende cisch. We hoorden onlangs de opmerking maken, dat het voeren van de propaganda onder de jeugdige arbeiders zoo moeilijk is, moeilijker nog dan onder de volwassenen. We kunnen dat niet tosgeven, mits men bij z’n propaganda' de juiste snaar weet te raken. Door het werk van de arbeidersbeweging is reeds heel veel inde maatschappij ten goede veranderd en vooral de jeugdigen profiteeren daarvan. Zij, die nu een leeftijd van 40 jaar of ouder bereikt hebben, beschikken overeen schat van ervaring en zullen, voorzoo ver zij althans een open oog hebben voor de werkelijkheid, de veranderde omstandigheden het meest waardeeren en daarom er ook het best en uit eigen ervaring over kunnen spreken. Toen wij jong waren, was de normale werktijd op fabrieken en werkplaatsen in doorsnee genomen van ’s morgens 6 tot ’s avonds 7 uur en in het allergunstigste geval eindigde de werktijd des Zaterdags om 5 uur. De leeftijd, waarop de schoolbank yoor een plaats inde fabriek verwisseld werd, was inden regel na voleindiging van het' 12e levensjaar. Dan begon men z’n vak te leeren voor 75, soms ook voor 50 cent per week en had een grooter bedrag aan slijtage van blauwe kielen en klompen te boeken. Zeker, er waren gunstige, maar daartegenover ook weer ongunstige uitzonderingen. Globaal genomen was de toestand, zooals we dien nu schetsten, voor bijna elk proletariërskind, dat door z’n ouders in staat werd gesteld een vak te leeren. We spreken nu nog niet over de nóg ongelukkiger schapen, die, zooals inde plaats onzer inwoning, naar een glasfabriek werden gezonden om in dag- en nachtploeg te werken ineen atmosfeer die zeer velen voor hun tijd ten grave sleepte. Uit persoonlijke ervaring nog bet volgende. Na eerst op een andere onderneming werkzaam te zijn geweest, belandden wij op een fabriek tegen een loon, dat de kapitale som van 75 centen per week vertegenwoordigde. Dat was in 1895. Werk-

tijd van ’s morgens 6* tot ’s avonds 7 uur, ’s Zaterdags om 5 uur stop. De directie had ontwikkelde jongens noodig, weshalve ieder gedurende de wintermaanden de avondschool moest bezoeken. Die school slokte de des daags inde fabriek alreeds afgesloofde jongens op, eiken avond, behalve Zaterdags van 7 tot 10 uur. De jongens die naar de avondschool moesten, mochten om 6 uur het werk verlaten. Alzoo hadden zij, vóór ze aan de 3 lesuren begonnen, alreeds een dag van ongeveer uur achter den rug. Uit de school kwamen ze ’s avonds half elf thuis en moesten ’s morgens 6 uur (en dan inden winter) weer op ’t werk zijn. Zóó was de toestand voor hen die thans op een leeftijd van ongeveer 40 jaar gekomen zijn. De oudere onder onze leden zullen stellig van nog slechtere omstandigheden kunnen gewagen. Vergelijk daarmede den toestand van nu. Zeker, het is voor onze jeugdige arbeiders nog lang niet zooals we het gaarne zouden wenschen, maar bij beoordecling van het tegenwoordige is het toch nuttig en noodig, dat we ons af en toe cens herinneren hoe de toestand geweest is, opdat we wat meer innerlijke waardeering hebben voor de vruchten van eigen werk en gebrachte offers. Dan zullen we eerst recht tegenover de jongeren kunnen getuigen van hoeveel nut de strijd en de offers van de arbeidersklasse geweest zijn. Al onze oudere leden hebben dezelfde ervaring opgedaan als wij. Welnu, dat zij dan met die ervaring tot de jonge arbeiders gaan, hen wijzende op wat geweest is en daarnaast op hetgeen komen moet. De draden van het verleden moeten we vastknoopen aan die van de toekomst en zóó gewapend zullen we niet tevergeefs bij de jonge vakgenooten aankloppen. Tenslotte zij er hier nog op gewezen, dat men zich niet alleen tot de jongeren inde fabriek maar vooral ook tot hun ouders thuis moet wenden. Vader of moeder van onze jongens staan zelf heel dikwijls vijandig tegenover de organisatie, hetzij uit onkunde of onverschilligheid. Als men dus op huisbezoek gaat, verzuime men ditmaal niet om ook de jeugdpropaganda te behartigen. Een brochure, welke speciaal voor propaganda onder de jonge vakgenooten bestemd is, zal binnenkort verschijnen. We hopen dat zij haar weg zal vinden en ruimschoots vrucht zal dragen. Want aan de jeugd is de toekomst; zij zal straks ons werk moeten voortzetten, ons zelf moeten vervangen als we tot een leeftijd genaderd zijn dat het werk ons te zwaar, ons leven te moeilijk wordt. Wat we aan de jeugd doen, dat doen we aan ons zelfl

Alsmaar bezuiniging. In het „Handelsblad”, ochtendblad van Woensdag 7 Nov. j.I., vonden we het volgende berichtje: „De heer H. J. Scholte, hoofdinspecteur van den arbeid, meldt aan „De Centrale”, dat niet 35 technische en 15 administratieve ambtenaren, maar 35 administratieve en 15 controleerende ambtenaren werden ontslagen, en dat die ambtenaren niet worden ontslagen als overcompleet, maar als gevolg van den' opdracht van boven af om op dezen dienst meer dan f 100.000 te besparen. Er was bij de arbeidsinspectie niemand overbodig.” Dat de heer Scholte het noodig heeft geoordeeld deze verklaring af te leggen, is wel het meest afdoende bewijs dat deze uiting van bezuinigingswoede niet de instemming heeft van de hoogere ambtenaren bij de Arbeidsinspectie. Onverholen wordt hier gezegd, dat van overcompleet onder het corps, dat voor naleving van de arbeidswetgeving heeft zorg te dragen, geen sprake is. „Van bovenaf” is opdracht gegeven om een ton te bezuinigen en daarmee af. We zouden wel eens willen weten of men „van bovenaf” even draconisch optreedt tegen leger- en vlootautoriteiten. Iedere honderdduizend gulden, die men dkkrop zou bezuinigen, zou de welvaart van land en volk zeker ten goede komen. Geheel anders staat het met ongewenschte bezuiniging bij don tak van dienst, die de richtige naleving van de Arbeidswet heeft te verzorgen. Die de kunst verstaat van tusschen de regels te kunnen lezen, zal uit het bericht van den heer Scholte de conclusie trekken, dat het met de huidige sterkte van het ambtenarencorps al zeer moeilijk is om voldoende contrèle uit te oefenen. En nu zal men, alleen reeds op den controledienst, 15 ambtenaren bezuinigen, ongeacht nog het administratief personeel. De meerdere soepelheid met betrekking tot de veiligheidswetten, waarop van werkgeverszijde is aangedrongen, zal nu auto matisch zonder wetswijziging verkregen worden. Het aantal wets-ontduikingen, dat toch al zeer groot is, zal nu nog meer toenemen. ’t Wordt een goede tijd voor de ondernemers. Als de kat weggestuurd wordt hebben de muizen vrij spel, m.a.w. als de ambtenaren van de Arbeidsinspectie niet komen controleeren, kan in velerlei opzicht de hand gelicht worden met de wettelijke voorschriften. Het „domme potlood” is toch wel ergens goed voor, tenminste voor de ondernemers. – ■ — – -a TROUW AAN DEN BOND -f. SOLIDARITEIT! IJVERIGE PROPAGANDA WIE DEZE DRIE ZAKEN FLINK EN NAAR BESTE KRACHTEN BEHARTIGT, DOET ZIJN PLICHT. :■! —■

Sluiten