Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Immers, men meent nu dezen tijd van malaise en depressie te kunnen benutten, om het bedrijf van geschikte vakbekwame arbeiders ruimschoots te kunnen voorzien. We hebben zelfs al medegemaakt, dat | en | bekwame arbeiders werden afgedankt, waarvoor dan */8 bekwame inde plaats werden gesteld. Wij willen nu de vraag stellen, is dit in het belang van het bedrijf of industrie ? Ons antwoord daarop is: Neen! Als men alleen maar rekening houdt met het directe belang, dan is er misschien iets voor te zeggen, doch wij zijn van oordeel, dat een werkgever ook met de toekomst heeft rekening te houden. En dat spreekt uit deze handeling niet. Uit ervaring weten wij nu eenmaal dat een ‘groot contingent van de arbeiders, die door de omstandigheden, zooals boven omschreven, gedwongen werden elders te gaan werken, eventueel tevens te wonen, zoodra zich daartoe de gelegenheid voordoet weer zoo spoedig mogelijk naar hun oorspronkelijke woonplaats terug gaan. Voeg hierbij, dat de betrokken werkgever alle moeite zal doen, ook door het betalen vaneen hooger loon, om zijn oude arbeiders terug te krijgen, dan staat het wel vast, dat een niet onbelangrijk deel van de uit armoede, in dit geval naar de hoofdstad getrokken arbei-

ders, weer zal afvloeien. En nu de gevolgen voor het bedrijf. Inde eerste plaats raakt het nu de zoo gemakkelijk verkregen geroutineerde arbeiders weer kwijt. Er is opleving inde industrie, dus grootere behoefte aan geschoolde en gegeoefende arbeiders, want er is meer werk te krijgen, zelfs tegen beter loonende prijzen. Reeds eerder merkten wij op, dat inde plaats waar het bedrijf gevestigd is, zulke arbeiders niet meer voorradig waren en men verzuimde ze zelf te kweeken en minder bekwame arbeiders werden ontslagen. Dan wordt weer alles te hooi en te gras aangenomen wat maarte krijgen is, met alle funeste gevolgen van dien. Dan wordt het een klagen steen en been over de onvoldoende bekwaamheid van je welste. Zeg nu niet, dat hierin eenige overdrijving zit, want zelfs in betrekkelijk korten tijd hebben we reeds tweemaal dit schouwspel, meegemaakt. Eerst met de Belgische geïnterneerden en later met de Duitschers, die toen het tekort aan Hollandsche geroutineerde arbeiders moesten aanvullen. Natuurlijk is dan de schuld bij de stomme Hollandsche werklieden, dat zij over zoo weinig vakkennis beschikken. Daarmee tracht men zich van de zaak af te maken en put daaruit ai y uiucrueu, om eventueel «vreemdelingen in dienst te nemen. ƒ 'Jonge arbeiders worden niet opgeleid, de ilïalf bekwame worden op straat gesmeten en ! laat men werkloos rondloopen, ontneetnt hun aldus de gelegenheid zich routine of vakbekwaamheid eigen te maken, en als men er dan eindelijk om verlegen zit, dan krijgen de arbeiders bovendien nog de schuld.

De lachende derae oiuoreekt ook natuurlijk hier niet. Dat is de werkgever, dien men aanvankelijk bedoelde te treffen door het overpompen van zijn arbeiders. Inplaats nu, dat hij daardoor is gehandicapt, heeft men hem integendeel een onschatbaren dienst bewezen, immers hij krijgt zijn oude arbeiders terug, niet slechts zooals zij hem destijds gedemoraliseerd door werkloosheid etc. hebben verlaten. Neen hij krijgt ze veel beter terug, want ze zijn niet gedemoraliseerd door werkloosheid, ze zijn ’t werken niet ontwend, doch ze zijn bovendien in het bedrijf ontwikkeld en toegerust met de kennis van de nieuwste techniek en werkmethodes.

Deze kant van de zaak schijnt door die werkgevers, die liever de arbeiders van buiten betrekken inplaats van ze zelf op te leiden, volkomen over het hoofd gezien te worden. * • • Dit artikel is mij uit de pen gevloeid naar aanleiding vaneen plaats gehad hebbende bespreking inde commissie van toezicht op de Gemeente-Arbeidsbeurs. Ook daar heb ik reeds het standpunt verkondigd, dat de toestand, die in Amsterdam inde scheepsbouwihdustrie is ingetreden, èn voor de bedrijven èn voor de arbeiders zelfs ook voor het gemeentebestuur, voor zoover dit er mede te maken heeft door het beschikbaar stellen van gemeentewoningen een absoluut verkeerde is. In plaats van de bovengenoemde methode, waarin ik een groot gemeenschappelijk nadeel zie, prefereer ik opleiding van de arbeiders ter plaatse naar de behoefte van het bedrijf, waarvoor ook gebruik kan worden gemaakt-van werklooze arbeiders uit aanverwante bedrijven, waarvoor inde naaste toekomst geen employ meer is te verwachten. v. E. .Als maar aangepakt v/ordt. Uit de eerste resultaten die ons uit de afdeelingen worden gemeld, blijkt, dat bij flink aanpakken er wel nieuwe leden zijn te winnen. Hieronder volgt een lijstje over de twee eerste weken van de maand December: Rotterdam 74 Den Haag 26 Amsterdam 24 Schiedam 21 Utrecht . 19 Deventer 9 Dordrecht 7 Leiden 7 Nijmegen 6 . Krimpen a/d. IJssel ... 4 Delft 3 Hengelo 4 Velp .■ 3 Groningen 3 Alkmaar 2 Enkhuizen 2 Tiel 2 Vlissingen 2 Amersfoort 1 Doetinchem 1 Goor x Middelburg 1 Voorburg 1 IJsselmonde ............. 1 Totaal 224 GAAT DUS OP HUISBEZOEK. VERSTERKT DE GELEDEREN.

De resultaten vaneen arbeidersregeering. Inden Australischen Statenbond is een staat Queensland, waarvan het parlement een absolute meerderheid van erheidersafgevaardigden heeft en waar dus nu ook sinds 8 jaar een "uivere arbeidersregeering het land leidt. De arbeidersregeering van Queensland beoogt slecnts één doel, n.l. het grootst mogelijke welzijn van het geheele volk. Ze trok daarom een groot aantal bedrijven, die direct het volk bedienen, tot zich, volmaakte ze en stelde de producten toen zoo goedkoop mogelijk ter beschikking van het volk. Allereerst waren het de spoorwegen en de kustvaart. Daarna richtte de staat eigen vleeschhouwerijen en hotels op, stichtte staatsvisscherijen

met conservenfabrieken en maakte bovendien van alle stationsbuffetten regeeringsbedrijven. Al deze bedrijven brachten den staat het vorige jaar een netto bedrag van 131.2Ó2 pond op. Maarde Queenslandsche arbeidersregeering wil niet inde eerste plaats winst met haar bedrijven maken, doch het yplk tot grooter welvaart brengen. Wat voor invloed heeft de politiek der arbeidersregeering nu uitgeoefend ? Het officieel statistisch bureau van den Australischen Statenbond publiceert de volgende gegevens over den arbeidstijd. De gemiddelde werkweek bedroeg in het jaar 1921 in : Uren. Queensland 45>52 Nieuw-Zuid-Wales 45-6(5 West-Australië 46,24 Tasrnanië 46,84 Victoria 46-95 Zuid-Australië 47-°7

De arbeiders inden staat, waar de arbeidersregeering de teugels in handen heeft, hebben dus de kortste werkweek. Volgens dezelfde gegevens bedroeg het gemiddelde weekloon in 1921 in: Queensland 96 shilling 8 pence Nieuw-Zuid-Wales 95 ~ 10 ~ West-Australië 95 ~ » Victoria 93 » 7 » Tasmania pi ~ 8 ~ Zuid-Australië 89 ~ 5 »> De kortste werktijd en het hoogste weekloon dat alleen spreekt al boekdeelen en toont aan, wat een regeering den loonarbeiders bieden kan, wanneer ze wil, wanneer zij de belangen der arbeiders niet uit het oog verliest. Maar dat is nog geenszins alles, wat ten gunste van de Queenslandsche arbeidersregeering kan worden aangevoerd. Het ~Official Year Book” van de Australische regeering geeft de volgende gemiddelde budgets inde hoofdsteden van de verschillende bondsstaten, die het maandelijksche jaargemiddelde in 1921 en dat per Mei 1922 met elkaar vergelijken: 1921 Mei '22 Brisbane (Queensland) 1330 1270 Perth (West-Australië) 1409 1380 Adelaïde (Z.-Australië) 1411 1427 Melbourne (N.-Z.-Wales) 1475 1435 Sydney (N.-Z.-Wales) 1477 1438 Hobart (Tasman ië) 1536 1515

De kortste werktijd, de hoogste loonen en daarbij nog dé goedkoopste levensstan— dat allw-o wijui. het land in Australië aan waar de regeering in handen van de arbeiders is gelegd. Het is daarom ook niets bijzonders, als men verder' moet zeggen, dat Queensland het laagste algemeene sterfte- en evenzoo ook het laagste kindersterftecijfer heeft; daarentegen is de gemiddelde som van de spaarkasinleg per inlegger in Queensland het hoogst van alle Australische staten. De regeering streeft er naar, niet alleen voor de loonarbeiders het leven zoo menschelijk mogelijk te maken; ze zorgt mede voor het welzijn van de geheele bevolking. Dat kan men b.v. uit dezelfde statistische samenstellingen van de Australische centrale regeering over de spoorwegen opmaken. Queensland heeft inde laatste jaren zijn spoorwegnet beduidend vergroot, zoodat het nu het grootste net van alle Australische staten heeft en daarmee zelfs de meest afgelegen plaatsen van het landbouwbedrijf voor de gemeenschap ontsluit en met de steden verbindt. Om voornamelijk het landbouwbedrijf tegemoet te komen, heeft het zijn

vrachttarieven verlaagt en bezit nu de laagste van het heele land. De betreffende statistische gegevens luiden als volgt: Landbouwproducten, Boter en Kaas l ton 25 mijl. •hilling pence shilling pene* j Queensland 47 34 1 Victoria 82 74 ] Z.-Australië 10 2 13 4 N .-Z .-Wales 10 5 xo 5 W.-Austraïië 111 14 10 Uit zijn spoorwegen verkrijgt Queensland geen bijzondere winsten. De regeering wil daar ook geen voordeelen uithalen. Integendeel: langzamerhand burgert zich in 't land de overtuiging in, dat de spoorwegen, evenals de land- en stadsstraten, vrij ter beschikking van het volk gesteld en vrij van belasting gemaakt moeten worden. Dit zijn in korte trekken de resultaten, die de Queenslandsche arbeidersregeering inden loop van nauwelijks tien jaar heeft bereikt. Ook de ergste vijanden van deze regeering (a la Sir John Simon in het Engelsche pariement, naar aanleiding van de socialistische debatten) durven niet te beweren, dat het economische leven in Queensland onder de hervormingen lijdt. De groote werkloosheid, die Queensland op papier tegenover Victoria, Zuid- en West-Ausfralië uitwijst, wordt voornamelijk verklaard uit het feit, dat de arbeiders in Queensland voor 90 pCt. ineen vakvereeniging georganiseerd zijn en alleen de opgaven van de vakorganisaties worden voor de Werkloozenstatistiek gebruikt; in de andere staten kunnen de organisaties nog lang niet deze resultaten bereiken. Precies omgekeerd: in geen enkelen staat van de Unie wordt meer partij getrokken van het economische leven dan in Queensland ; maarde arbeidersregeering heeft het klaargespeeld den rijkdom van het land in : de handen te leggen van degenen, die hem voortgebracht hebben. (Uit het orgaan van den Zwitserschen Metaalbcwerfrersbond.)

Uit de Afdeelingen. DORDRECHT. Een adres van de Dordtsche Metaalindustrieelen aan den Dordtschen Gemeenteraad. Het zal bekend zijn bij de trouwe lezers van ons vakblad, dat in het begin van dit jaar door de afdeelt. Dordrecht van den Metaalbond een adres aan den Dordtschen Raad is gericht, waarin werd verzocht om over te willen gaan tot afschaffing van de zakelijke belasting op de bedrijven. Tevens werd in dat adres reeds gezegd, dat, als niet tot afschaffing van deze belasting werd overgegaan, de aangesloten metaalindustrieelen deze belasting op de werklieden zouden verhalen. De gemeenteraad heeft toen enkele kleine wijzigingen in deze belasting aangebracht, waardoor aan een paar meer ondergeschikte bezwaren werd tegemoet gekomen, doch is niet tot afschaffing overgegaan. We hebben toen niets vernomen wat er op zou kunnen wijzen, dat deze werkgevers hun bedreiging zouden uitvoeren. Zeker is toen wel ingezien, dat het gemakkelijker is een dergelijke bedreiging uitte spreken dan uitte voeren. Nu heeft dezelfde werkgeversorganisatie zich weer met eenzelfde adres tot den raad gericht, waarin ze nogmaals op afschaffing van deze op zich zelf werkelijk ook ons met sympathiekee belasting aandringt. Dit vinden wij zeer verklaarbaar en we willen hier wel de hoop uitspreken, dat spoe-

Wat de metaalbewerker van de warmte moet weten. Door TH. WOLFF. (Nadruk verboden.) (Slot.) Nu zullen wij nog dieper op het laatste hoofdstuk van de toepassing van de warmte voor de doeleinden van den menschelijken arbeid en techniek, dat ook voor de moderne gieterijtechniek evenals in het geheel voor de heele tegenwoordige metaalindustrie van het grootste belang is, ingaan, n.l. op de warmte als drijfkracht voor onze machines. Onze krachtmachines zijn voor ’t meerendeel warmtekrachtmachines (thermische machines), d. w. z. machines, wier drijfkracht de warmte is. Wij zien de warmte rechtstreeks als drijfkracht bij de stoommachine, waar de warmte door de verbranding van kolen, hout, turf of dergelijke vaste brandstoffen inde vuurruimte onder den stoomketel geproduceerd wordt. Door de op deze wijze ontwikkelde warmte wordt het water inden stoomketel in stoom van hooge spanning veranderd, die op den zuiger van den cylinder wordt geleid en door den hoogen druk, dien hij op den zuiger uitoefent, dezen en daardoor de heele machine, op gang brengt. Dus de warmte is het. die de spankracht van den stoom en

daardoor de heele arbeidsprestatie van de machine ontwikkelt. Bij de explosiemotoren, zooals b.v. bij den motor vaneen automobiel, wordt daarentegen de drijvende warmte door de verbranding van vloeibare brandstoffen zooals benzine, benzol, en ook wel spiritus, verkregen. Voor dit doel worden de vloeibare brandstoffen eerst in gasvormigen toestand gebracht en de op deze wijze ontstaande gassen met lucht vermengd. Dooreen geschikte inrichting, meestal ’n overspringende electrische vonk, wordt dit mengsel ontstoken, waarbij het gasmengsel verbrandt, doordat zich de brandscofgassen met de daarin aanwezige lucht, resp. met de zuurstof ervan, onder hooge warmteontwikkeling verbinden. Door deze warmte wordt het gas met groote kracht explosieachtig uitgezet; het gas, dat zich uitzet, drukt met groote kracht op den 'zuiger inden cyltnder en brengt hem en daardoor de heele machine op gang. Zoowel de spankracht van den waterdamp inde stoommachine als die van het gasmengsel inden explosiemotor wordt dus alleen door de warmte, die er door middel van de verbranding is ontwikkeld, veroorzaakt; deze warmte is dus de eigenlijke drijfkracht van de machine en presteert het geheele nuttige werk dat de machine levert. lets dergelijks is het geval bij alle andere warmtekrachtmachines (thermische machines), zoo b.v. bij den spiritus-motor, die op

dezelfde wijze als de benzine-motor is geconstrueerd en eveneens een explosiemotor is; voorts ook bij de gaskrachtmachines, die als brandstoffen brandbare gassen, inde eerste plaats het gewone kolengas gebruiken, terwijl de groote ijzergieterijen inde laatste jaren ertoe overgegaan zijn, om het brandbare lichtgas, dat uit de hoogovens ontwijkt, als stookmateriaal voor de gaskra> htmachines te gebruiken en daarmee goede resultaten hebben bereikt. In al deze machines is de warmte, die door de verbranding van brandstoffen ontstaat, de drijvende kracht en daardoor dealles beheerschende basis van de heele moderne industrie, voor zoover deze in het geheel met machines werkt, geworden, de basis van waar het heele werk en de heele productie uitgaat. Op een bijzondere manier wordt de warmtekracht bij een nieuw soort van krachtmachines, bij de turbine, toegepast. Dat is een stoommachine, maar hier werkt de door de warmte gespannen stoom niet zooals bij de zuigerstoommachine op een in rechte lijn op en neer gaanden zuiger, maar rechtstreeks op een wiel of op een trommel, die onder de inwerking van den uitzettenden stoom begint te draaien. Deze constructie is voor vele aanzetdoeleinden, vooral voor het aanzetten van scheepsmachines, voordeeliger dan de zuigerstoommachine en heeft de turbine reeds een groot en zich steeds meer uitbreidend

arbeidsveld ontsloten. Df _ gsts en i-vpic. siemotoren, waarover wij hierboven spraken, worden in hoofckaak in kleinere en middelmatigere bedrijven als krachtrnachines gebruikt, voor welke doeleinden zij, vergeleken met de stoommachine, verschillende belangrijke voordeelen bezitten, in de eerste plaats goedkooper werken dan deze. In groote bedrijven is daarentegen nog altiid de stoommachine de meest gebruikte machine, die hier veel goedkooper werkt, tan ieder andere soort van het krachtbedrijf. Als men het aantal paardekraciiten, die door stoombednjf of door andere krachtir.achines (explosiemotoren, gaskrachtmachines enz.) ontwikkeld worden, in aanmerking neemt, dan overtreft de stoommachine als industrieele krach tmachine de andere maclunesoorien nog altijd twintig keer, waarbij echter niet alleen de stoommachines inde industrieele bedrijven, maar ook de locomotieven der spoorwegen en de reusachtige scheepsmachines met hun tallooze millioenen paardekrachten meegerekend zijn. Maar niet alleen bij de warmtekrachmachines, stoom tachines, explosie-motoren, gaskrachtmac.iines enz., waar wijde warmtekracht rechtstreeks uit de verbranding van de gebruikte brandstoffen zien ontstaan, is de warmte de drijvende kracht, maar indirect ook bij alle krachtmachines, onverschillig van welk soort of constructie

Sluiten