Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32STE JAARGANG ZATERDAG 16 ftfiES 1925 No. 20

De me taalt) e m erKe r

weekblad van den JSlgemeenen nederlandscben iDetaalbewerkmbond.

Arbeiders aller Landen Vereenlgt Uj

REDACTEUR; G. VAN DER HOUVEN Adres van Redactie en Administratie: Hemonylaan 24, Amsterdam Telefoon 26175 ■ '■ 1

Kennis Is macht Eenheid kracht. ll

ABONNEMENT; Bij vooruitbetaling per jaar. . . i ! ! i f 1.50 Voor Buitenland verhoogd met porto. Losse nummers 0.03

Stukken van algemeenen aard moeten 011 erl ij k Maandags, Bondsnieuws en advertentiën Woensdagsmorgens zijn ingekomen

ADVERTENTIËN Gewone advertentiën per regel f 0.80 Aanvragen voor personeel •••••••■ 0.20 Afdeelingsadvertentiën 0.20

OPLAAG 24.400 Officiëele Mededeelingen. Deze week wordt het contributiezegel op de 20e week in het Bondsboekje geplakt. ' # Een belangrijke zaak. Onze leden hebben in Maart j.l. kennis kunnen nemen vaneen schrijven van den Dir. Gen. van den Arbeid, waarin deze een beschouwing over de Amsterdamsche metaalindustrie ten beste gaf en waaruit bleek, dat hij zich, voor wat de toekomst betrof, zeer bezorgd toonde. De conclusie van den heer Zaalberg was, dat ook voor sommige Amsterdamsche bedrijven een tijdelijke verlenging van den werktijd heilzaam zou wezen zoowel voor de industrie als voor de daarbij betrokken arbeiders. In ons blad van 21 Maart j.l. hebben wij bovenbedoeld schrijven opgenomen en er vrij uitvoerig onze meening van gezegd. Het schrijven van den heer Zaalberg heeft aanleiding gegeven tot een bespreking op 3 April j.l. op diens bureau, waarbij alle organisaties vertegenwoordigd waren. In tegenstelling met den heer Zaalberg waren alle aanwezige arbeidersvertegenwoordigers de meening toegedaan, dat de Amsterdamsche metaalbedrijven en vooral die welke door den heer Zaalberg met name genoemd waren, niet in ongunstigen toestand verkeerden. De heer Zaalberg heeft bij het einde der besprekingen zich in dezen geest uitgelaten dat hij nog eens met de werkgevers zou spreken en overwegen of er aanleiding wag voor een tweede bespreking, ■vtaarbij werkgevers en werknemers aanwezig zouden zijn. Tot een dergelijke bespreking is het evenwel niet gekomen. De zaak is echter door den heer Zaalberg opnieuw aan de orde gesteld ineen schrijven dat we hieronder ter kennisname afdrukken * * * ’s-Gravenhage, 4 Mei 1925. Aan % \ den Alg. Ned. Metaalbewerkersbond, Hemonylaan 24, Amsterdam. De verdere behandeling der zaak betreffende de werktijdverlenging op de I scheepswerven te Amsterdam is wat vertraagd dooreen onverwachte reis naar het buitenland, waarheen ik 13 dezer weer voor geruimen tijd vertrek. Ik heb . dus geen gelegenheid meer tot veel verder overleg, doch ik acht dat ook niet meer noodig na alle gevoerde besprekingen en gewisselde brieven. Desgewenscht kunt U -echter met den wrnd. Direeteur-Generaal verder van gedachten wisselen, onverminderd Uw recht om gebruik te maken van art. 97 eerste lid der Arbeidswet 1919 (verzoek aan den Minister om vergunningen in te trekken). De Amsterdamsche werfdirectiés beoogen met de gewenschte werktijdverlenging geen directe of indirecte loonsverlaging, al ligt ’t niet inde bedoeling om voor deze overuren een toeslag te betalen, die het doel van het overwerk

goedkooper productie zou doen missen. Wel meen ik, dat zij bereid zijn om voor 53 uur werken 54 uur te betalen. Hierover dient U zich echter bij die directies of bij den Metaalbond zekerheid te verschaffen. Voor zoover zulks van mij,afhangt, zal vergund worden om tot x October "a.s. 53 uur te werken, daarna tot ultimo December 51 uur (3 dagen één uur overwerk). Te Rotterdam zal na 1 Juli a.s'. de werktijd tot 53 uur per week teruggebracht worden en per 1 October a.s. tot 51 uur als boven. Van de dan heerschende omstandigheden zal afhangen of verder overwerk nog noodig wordt geoordeeld. Blijft de toestand zich gunstig ontwikkelen, dan zal 1926 zonder werktijdverlenging kunnen beginnen. Op deze wijze verwacht ik, dat in voldoende mate zal zijn bevorderd, dat onze scheepsbouwindustrie de moeilijke tijden zonder veel blijvend nadeel doorkomt, hetgeen in niet geringe mate aan de arbeiders persoönlijk en aan hun vakorganisatie ten goede komt. De arbeidsvoorwaarden, zooals GT en ik die wenschen, kunnen alleen dan verkregen worden, als de industrie sterk en winstgevend is. Uwerzijds is in verband met deze aangelegenheid reeds meermalen geconstateerd, .dat de slechte bedrijfstoestand de werkgevers inde sterkste machtspositie brengt, althans tegenover de arbeiders. Dit is inderdaad juist en teneinde beider positie meer gelijk.te maken en tevens te zorgen, dat er iets is om voor te strijden, liefst met vreedzame middelen, dient er eerst meer bedrijvigheid te komen. Dit zal niet spoedig bereikt worden, wanneer een groot deel van het werk, dat nog veroverd kan worden, geen winst oplevert. Ik vertrouw daarom, dat U de arbeiders ervan zult kunnen overtuigen, dat zij in dezen tijd niet verstandiger kunnen doen, dan tijdelijk zich ineen werktijdverlenging te schikken inde gegronde verwachting, dat dit aan alle partijen ten goede komt en gunstig zal werken op de spoediger komst van betere arbeidsvoorwaarden. De Directeur-Generaal van den Arbeid, ... (w.g.) C. ZAADBERG. * ★ * Uit dit schrijven blijkt dat de opzet van den heer Zaalberg deze is, de verhoudingen tusschen Amsterdam en Rotterdam gelijk te maken en langzaam aan tot den normalen werktijd van 48 uur terug te keeren. Het vermoeden ligt voor de hand dat de Amsterdamsche ondernemers, leden van den Metaalbond, de regeering vanwege de bestaande ongunstige concurrentie-verhoudingen zijn gaan bestoken. f Men kent den tegenzin die te Amsterdam bij de arbeiders ten opzichte van overwerken bestaat en de werkgevers hebben er dus belang bij dat een weg gevonden wordt waardoor het voordeel van de Rotterdamsche bedrijven wordt te niet gedaan. Gemakkelijk is dit vraagstuk niet op te lossen, want de heeren zijn wel bij één werkgevers-

bond aangesloten, maar hun belangen zijn daarom nog niet precies dezelfde. Uit het schrijven blijkt verder dat, voorzoover zulks van den heer Zaalberg afhangt, aan Amsterdamsche ondernemers (welke dat precies zijn blijkt uit het schrijven niet) zal worden vergund om tot 1 October a.s. 53 uur te werken. Tezelfder tijd zal in Rotterdam de werktijd eveneens op 53 uur worden teruggebracht en per 1 October zal dan voor beide plaatsen de werktijd tot 51 uur per week worden beperkt. En dan zal het van de heerschende omstandigheden afhangen of verder overwerk nog noodig geoordeeld wordt.. Als de toestand zich gunstig blijft ontwikkelen zal 1926 zonder -werktijdverlenging kunnen beginnen. De maatregelen die voor Rotterdam in uitzicht gesteld worden, zijn niet van belang ontbloot, ’t Zal wat erg langzaam gaan, maar in ieder geval komt er nu toch eenig perspectief. Met betrekking tot Amsterdam stellen wede vraag of nu de heer Zaalberg, de Metaalboyid en zijn Amsterdamsche leden van oordeel zijn dat het verleenen van overwerkvergunningen op zichzelf voldoende zal zijn om de Amsterdamsche arbeiders lot langer werken te bewegen. Een aantal Amsterdamsche ondernemingen zal nu na het schrijven van den heer Zaalberg wel een aanvrage voor langer werken indienen. En als nu op die aanvrage gunstig beschikt Wordt, wat dan?. Mogelijk is het dat dan daarmede voor den Metaalbond en zijn Amsterdamsche leden de kous af is. Maar daarmede is ze niet af voor ons en voor de arbeiders. ’t Is misschien mogelijk dat na voorafgaand overleg een brug is te slaan over de kloof die Amsterdamsche werkgevers en arbeiders scheidt. Het is ons tot op den dag van heden niet bekend of dat overleg van werkgeverszijde wordt begeerd. De Amsterdamsche arbeiders zijn tegen elk overwerk gekant, ook dan wanneer de meerdere uren betaald zullen worden. Deze toestand is den ondernemers en hun organisatie overbekend. Moet er nu in Amsterdam een nieuwe krachtproef geleverd worden? Zooals de kaarten nu liggen is er voor de organisaties zeker geen aanleiding om dé vraag, of in Amsterdam langer gewerkt zal worden, toestemmend te beantwoorden. Tot dusverre is in Amsterdam de 48-urige werkivèek, dank zij de stevige houding van de arbeiders, behouden gebleven. leder kan op de vingers uitrekenen dat er al zeer ernstige redenen moeten zijn om dat eens ingenomen standpunt prijs te geven. In elk geval is het aanvragen eener-, het verleenen vaneen overwerkvergunning anderzijds, niet voldoende motief om inde denkbeelden nopens het overwerk verandering te brengen en de Amsterdamsche ondernemers inden Metaalbond zullen verstandig doen dit feit onder het oog te zien. Als men de ‘regeering vraagt om langer te mogen werken is het> buitengewoon onverstandig de arbeiders te commandeeren zulks te doen. In Amsterdam gaat dat zeker niet.

Eenheids-maniakken. Onze Nederlandsche communisten zijn op 9 en 10 Mei j.l. in „congres” bijeen geweest teneinde dein den boezem der 1700 (boek) leden tellende partij levende geschillen nu eens finaal uitte vechten, ’t Is zoover niet gekomen-, want de echte onverzoenlijke klassenstrijders, alias eenheidsfronters, hebben elkander wel bevochten, maar uitgevochten is er niets. Er waren geschillen, er zijn geschillen en er zullen wel geschillen in dat hopeloos verdeelde partijtje blijven. Er zijn meerdere geschilpunten, doch slechts één daarvan trekt als vakorganisatie' onze bijzondere aandacht. De communisten hebbpn zich ten doel gesteld het eenheidsfront van de Nederlandsche arbeiders te bewerken. Tot zoover is er eenstemmigheid. Ten aanzien van de wijze waarop de stichting van dat eenheidsfront alsmede de „revolutionneering van het Nederlandsche proletariaat” moet worden verkregen, loopen de meeningen zeer uiteen. De communisten, welke in het N. A. S. de lakens uitdeelen, willen dat lichaam als de bij uitstek revolutionnaire vakbeweging door de partij erkend zien. De partijleiding, Wijnkoop, Ceton, van Ravesteijn c.s., is blijkbaar niet overtuigd dat met het niet omvangrijke N. A. S. het doel zal worden bereikt en Wijnkoop is op het congres zelfs zoover gegaan, dat hij het N. A. S. een obstacle tegen de eenheidsvorming van het arbeidende volk heeft genoemd. Men verwijt de moderne vakbeweging, dat zij het eenheidsfront tegenwerkt. We behoeven ons evenwel voorloopig daarover niet bezorgd te maken, want Wijnkoop is van oordeel, dat het N. A. S. den sta-inden-weg vormt; Wat willen Wijnkoop en de zijnen dam wel, zoo zal men zich onwillekeurig afvragen. De zaak is heel eenvoudig deze, dat de partijleider slechts inde bij het N.-V. V. aangesloten arbeiders de werkelijke massa van het Nederlandsche proletariaat ziet. Met al die kleine prutsorganisaties, welke bij het N. A. S. zijn aangesloten, kan de partij toch’ niets bereiken en daarom is de meerderheid van oordeel, dat alleen door cellenbouw in de moderne organisaties het beoogde doel kan worden bereikt. De N. A. S.-communisten, zoo zullen wij ze gemakshalve maar noemen, kunnen het niet verkroppen dat hun „revolutionnaire” vakcentrale door Wijnkoop c.s, niet voor „vol” aangezien wordt. Seegers heeft het op het ruzie-congres heel duidelijk gezegd: „Wij moeten geen antithese scheppen N. A. S.—N. V. V., doch in het N. A. S.-. het goede wapen smeden om splitsing te* brengen in het N. V. V.” Men ziet, beiden, meerderheid en oppositie, willen de splijtzwam in het N. V. V., maar hun tactiek is gansch en al verschillend. En terwijl bij ons alles in volmaakt» rust en eensgezindheid is, vechten de communisten mekaar de keet uit, alleen over d» juiste methode om ook bij ons keet te kunnen maken. Wijnkoop prefereert den recht, streékschen cellenbouw inde moderne organisaties en verwacht daarvan de beste resul-

Sluiten