Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38STE JAARGANG _ ZATERDAG 14 FEBRUARI 1931 ' No 7

EERLAMPSCHEN WETAALBEW^KERSBOMPj

ABONNEMENT: Bij vooruitbetaling per jaar ..... f 1.50 Voor Buitenland verhoogd met porto H Losse nummers. ,0.03 ji

derhÖuveml @ HEMOM/LAAN 2*» AMSTERDAM.! ü zrrr telefoon: zevzs ~~—- p

ADtfERTENTIEN; if Gewone advertentiën .... per regel f 0.30 * Afdeelingsadvertentiën . , . „ „ „ 0.20 ';ï Aanvragen voor personeel . , „ „ 0.20 H

OPLAAG 39.750, Officieele Mededeelingen. Over de week van 9 Februari 1931 tot en met 14 Februari 1931 wordt het contributiezegel op de pe week in het bondsboekje geplakt. Geen dilettantisme. Lezers die regelmatig kennis nemen van den inhoud van ons blad, zullen zich ongetwijfeld het artikel in het nummer van 31 Januari j.l. herinneren dat het opschrift droeg: „De onvoordeelige weg van producent tot consument”. Wij schreven het naar aanleiding van hetgeen een industrieel onder de aandacht van de redactie van het „Handelsblad” had gebracht terzake van het huidige distributiestelsel en de onvolkomenheid daarvan. Het oordeel door dezen industrieel uitgesproken, gaf ons aanleiding tot een hernieuwd pleidooi voor de verbruikscoöperatie en aan het slot daarvan hebben wij nog eens een aansporing tot onze leden gericht om zich ook als verbruikers te organiseeren. Zooals het meer gaat, heeft ook hier het eene, het andere uitgelokt. Een lezer van ons blad vond in ons artikel aanleiding ons de vraag voor te leggen hoe wij denken over ’t systeem van gemeenschappelijken inkoop, hetwelk zoo hier en daar aan fabrieken en ondernemingen wordt toegepast en in vele gevallen door de directies inde hand wordt gewerkt, hetzij door rentelooze voorschotten te verstrekken of anderszins. Ligt het wel op den weg, zoo werd ons gevraagd, van de leden vaneen modernen vakbond, om dit systeem van „zakendoen” te bevorderen, dat er mede de leiding van te nemen en bepaalde waren aldus te betrekken ? Deze vragen, aldus gesteld, verdienen zeker onze aandacht en beantwoording, maar wij gevoelen ons toch genoopt een enkele beschouwing te verbinden aan hef verschijnsel van de z.g.n. fabrieks-ïnkooporganisaties. Het verschijnsel van zulke instellingen, die inden regel worden bevorderd door menschen welke de coöperatieve beweging Volkomen negeeren, is op zichzelf genomen uiterst merkwaardig en niet minder zonderling. En dat klemt nog temeer, indien de de bevorderaars van zulke instellingen tot de georganiseerde arbeiders behooren. In het bevorderen van centrale inkooporganisaties ligt de erkenning, dat ons distributiestelsel niet deugt, want men schakelt den winkelier of andere tusschenpersonen uit om den afnemers een product te bezorgen dat rechtstreeks van den producent of wel den groothandelaar wordt betrokken. En men doet dat om geen andere reden dan dat men den afnemers een voordeel wil bezorgen. Wij laten nu voorloopig in ’t midden of j men dat voordeel werkelijk bereikt door het toegepaste systeem. Het op deze wijze gemeenschappelijk doen van inkoopen is niet anders dan een surrogaat (maar dan een heel slecht surrogaat) van wat men anderzijds niet wenscht te steunen, n.l. de coöperatie.

En wat meer zegt, het is verwonderlijk en onbegrijpelijk, dat georganiseerde arbeiders, soms zelfs wel vooraanstaanden, zich er toe leenen zulk kreupelig prutswerk op ’t gebie dvan distribueeren te bevorderen. Geven wij ons zelf wel voldoende rekenschap van de positie welke de arbeiders in de samenleving innemen ? Wij vervullen, geen enkele arbeider uitgezonderd, in maatschappelijk opzicht tweeërlei functies: wij zijn producent of voortbrenger, daarnaast consument of verbruiker. In eerstgenoemde functie hebben wij het leeren verstaan dat wij ons gemeenschappelijk moeten wapenen tegen uitbuiting en uitpersing. De vakvereenigingen van heden zijn gegroeid uit de onvolmaakte pogingen van voorheen om de arbeiders tot samenwerking te brengen, opdat zij een macht zouden vormen tegen de ondernemers en tegen de maatschappij, die hun als veortbrengers, als producenten, zoo weinig mogelijk geld in ruil voor hun arbeid betaalden. En de toestand is nu langzamerhand zóó geworden, dat elke arbeider, die eenig inzicht heeft, vervuld is van het besef dat alleen een goed geoutilleerde vakvereeniging in staat is hem de bescherming te bieden tegen het op winst beluste kapitalisme. Zooals nu de vakvereeniging, de organisatie, de natuurlijke beschermster is van den arbeider-producent, zoo is de verbruikscoöperatie de natuurlijke beschermster van den arbeider-consument. Inde verbruikscoöperatie toch zijnde menschen vereenigd, die tot het inzicht zijn gekomen, dat organisatie van den mensch als verbruiker evenzeer noodig is om aan den greep van al te groote winzucht te ontkomen. Zooals de vakvereeniging haar leden tracht te beschermen tegen den kooper van de arbeidskracht, zoo beschermt de verbruikscoöperatie haar leden tegen den handel, die graag zooveel mogelijk laat betalen. Dit proces wordt door de voorstanders van fabrieks-inkoop-centrales niet duidelijk gezien en begrepen, maar toch wel als bij intuïtie gevoeld. Zij willen zichzelf, zij ’t ook op zeer primitieve wijze, voordeeltjes bezorgen door den tusschenhandel uitte schakelen en zijn winst zelf te verdienen. In wezen zien wij hierbij hetzelfde verschijnsel als bij de eerste symptonen van vakorganisatie. Om maar bij ons land te blijven, men had er dertien ineen dozijn. Offers wenschte men zich niet te getroosten en méér dan 10 centen per week had men er niet- voor over, waarbij dan nog af en toe op een soort van festiviteit gerekend werd. Dat was dan nog de beste vorm waarin de eerste drang tot collectiviteit tot uiting kwam. Een veel slechtere vorm was de ondernemingsvereeniging waarin de arbeiders hulp en steun zochten. Vooral deze laatste vorm was een surrogaat voor de vakvereeniging. Precies zooals nu de fabrieks-inkoopcommissie (of hoe men zoo’n ding noemen wil) een_surrogaat is voor de coöperatie. Inderdaad, de vragen, ons dooreen lezer gesteld, zijn actueel en wij kunnen hem slechts antwoorden, dat georganiseerde arbeiders betere en meer doeltreffende mid-

delen moeten aanwenden om de waarde van hun loon te verhoogen. Misschien nemen sommigen het standpunt in, dat het toch geen kwaad kan indien men het primitieve middel van personeel-inkoop aanwendt. Ons antwoord is, dat men er wel kwaad mee doet, want men houdt er de menschen door terug de coöperatie te zien als den eenigen uitweg. Men laat hen of brengt hen inden waan, dat door zulk dilettantisme iets goeds en blijvends te bereiken is. Maarde geweldige krachten inde maatschappij op het terrein van de distributie, lachen om zulk gedoe. Een gevaar ziet men alleen inde coöperatieve beweging en dit juist moest ons een spoorslag zijn haar te versterken. Onze welvaart wordt niet alleen bepaald door ons loon, maar mede door hetgeen wij voor dat loon kunnen koopen. Zoo is het ook ingezien door het N.V.V., dat in 1927 besloten heeft een permanente samenwerking aan te gaan met den Centralen Bond van Nederlandsche Verbruikscoöperaties, waartoe de Coöperatieraad in het leven geroepen is, een lichaam, dat sedert 1927 werkzaam is om den modern-georganiseerden arbeiders duidelijk te maken dat zij zich ook als verbruikers moeten organiseeren, opdat voorkome worde, dat het resultaat van het werk der vakvereenigingen door de voordeur binnengehaald, niet door de achterdeur verdwijnt. In plaats van de op winst gebaseerde distributie, hebben wij organen noodig, uit en door de verbruikers zelf gevormd. Deze organen op te bouwen, te versterken en groot en machtig te maken, is een moeilijk en veelomvattend werk en het moet ieder arbeider duidelijk zijn, dat hier met wat geliefhebberij niets te bereiken is. Zoo goed als wijden arbeiders geleerd hebben zich sterke, goed functionneerende vakvereenigingen te verschaffen, die hen beveiligen tegen de uitwassen onzer samenleving, zoo goed ook moeten wij hun leeren de verbruikscoöperatie mede te helpen opbouwen, om hen op het andere terrein van het economisch leven te doen beschermen. Daaraan, bondsmakkers, bij al het andere noodige, onze aandacht geschonken en een voorbeeld genomen aan wat op dit gebied in het buitenland reeds is bereikt. Maar niet onze kracht verspillen aan snoepwinkeltjes als daar zijn: fabrieksinkoop-vereenigingen. De tijd van dilettantisme op ’t gebied der vakorganisatie behoort tot het verleden, dank zij beter en juister inzicht, dat zich baan gebroken heeft. In deze richting voorwaarts, ook op ’t gebied waar wij als koopers optreden. Versterkt de coöperatie, zij ons parool! Werkloozenzorg. Verlenging van den reglementairen uitkee* ringsduur met zes weken (36 dagen). (B.) Zooals reeds in „De Metaalbewerker” van 7 Februari 1931 vermeld, is door het bondsbestuur een aanvrage bij Zijne Excellentie den Minister van Arbeid ingediend om het aantal reglementair vastgestelde uitkeer!ngsdagen voor 1931 voor alle groepen met 36 dagen te verlengen. Daarnaast hebben wij ons in verbinding

gesteld met den Rijksdienst der Werkloosheidsverzekering over de vraag, welke' leden voor den verlengden uitkeeringsduui; in aanmerking komen. Ten aanzien daarvan ontvingen wij g Februari het volgende schrijven: „ Aan het bestuur van den Alg. Nederl. Metaalbewerkersbond, Amsterdam (Z). Ter bevestiging van de u reeds door den heer Mr. Morren gedane mededeeling en ter beantwoording van uw telefonisch verzoek van 4 dezer bericht ik U, dat de reglementaire uitkeeringstermijn van 36—60 dagen, volgens de circulaire van 29 Januari 1931, kan worden verlengd met ten hoogste 36 dagen en dus bepaald op 72—96. Artikel 27, lid 4, blijft dan natuurlijk van toepassing. Heeft dus iemand, overeenkomstig artikel 27, lid 1, in 1931 recht, na reglementswijziging, op 96 (60 en 36) dagen uitkeering en heeft hij in 1930 en 1931 achtereen over 96 dagen uitkeering genoten, dan mag hij de uitkeering over de volgende dagen, waarop hij in 1931 nog recht heeft, eerst ontvangen na zes weken gewerkt te hebben, De Directeur van den Rijksdienst der Werkloosheidsverzekering en Arbeidsbemiddeling, (w.g.) FOLMER.’* Wij meenen goed te doen voor onze leden aan de hand van bovenstaanden brief een korte uiteenzetting te geven, welke van onze werkloos zijnde leden w è 1 en welke niet voor den verlengden uitkeeringsduur in aanmerking komen. TFel in aanmerking komen: Eerste groep: de leden die op 30 December 1930 of daarna werkloos zijn geworden of dit alsnog inden loop van 1931 zullen worden en op grond van ons reglement voor de werkloozenkas voor uitkeering in aanmerking zullen komen. Tweede groep; de leden die in 1930 werkloos zijn geworden en eerst op 1 Januari 1931 of later zijn uitgetrokken. Niet terstond in aanmerking komen; Derde groep; de leden die in 1930 werkloos zijn geworden en in 1930 geheel zijn uitgetrokken. Deze groep leden komt eerst dan voor den verlengden uitkeeringsduur in aanmerking, zoodra zij in 1931 als regel na 6 weken te hebben gewerkt op den normalen reglementairen uitkeeringsduur aanspraak kan maken. Dan worden ook zij tevens voor 36 dagen verlengden uitkeeringsduur gemachtigd. De verlenging van den uitkeeringsduur is en blijft een crisismaatregel. Zoodra volgens den minister inde metaalindustrie niet meer vaneen crisistoestand kan worden gesproken, komt de verlenging van den reglementairen uitkeeringsduur weer te vervallen. Bij de eerste lezing door ons gegeven in „De Metaalbewerker” van 7 Februari, vergeleken, is althans bereikt, dat de verlengde uitkeeringsduur ook geldt voor de leden genoemd onder de tweede groep. Het wachten is nu nog op de beslissing van Zijne Excellentie den Minister van Arbeid. Naar ons is medegedeeld, is deze beslissing te verwachten in het laatst van de week van 9—.14 Februari.

Sluiten