Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

40ste JAARGANG No. 49 ZATERDAG 9 DECEMBER 1933 OPLAAG 45.75b

m pmm ■BS 'ï, T 538=1 WEEKBLAD VAN DE WETAALBEWERKERSTOWD | I r rr ;!* B hemomxlaah 2* amsterdami B ïïSSSJSSSSSS* pcr regel fm miZ*^'|B ITELEFOQM: — 900501 B :: ;: ::0:m.

De regeering en de Nederlandsche nijverheid. De inkt, waarmede wij ons artikel „De Nederlandsche industrie en haar kans van slagen op de wereldmarkt” (zie ons blad van 2 Dec. j.1.) hadden geschreven, was nauwelijks opgedroogd, toen onze aandacht werd getrokken dooreen interessant artikel van de heer G. J. P. Zaalberg, oud-directeur-generaal van de arbeid, voorkomende in het weekblad „Economisch-Statistische Berichten” van 29 November j.l. Het stuk draagt tot opschrift: „Industrie en landbouw” en de schrijver richt zich er mede tegen de regeering die hij eenzijdige bevoorrechting van de landbouw tegenover en mede ten koste van de industrieels nijverheid verwijt. De heer Zaalberg is een volkomen terzake kundige, wiens woord daarom ook voor ons gezag heeft, vooral ook omdat zijn artikelen uitmunten door duidelijkheid en degelijke argumentatie. Wij citeeren: „De Regeering heeft bij de mededeeling harer koersbepaling in September j.l. krachtige, vertrouwen gevende klanken doen hooren over de noodzakelijkheid van aanpassing bij nieuwe verhoudingen. Doch wat zien wij daarvan als gevolg . der voortgezette économische politiek, waarvan de kern is de vrijwel ongewijzigde instandhouding van het landbouwbedrijf met prijzen, die loonend zijn, ook nog zij het in verminderde mate voor-de grondeigenaren en hypotheekgevers en die moeten worden opgebracht door de binnenlandsche consumenten, die verhinderd worden levensmiddelen te gaan koopen in landen die zich reeds aangepast hebben, vfaj zien daarin veel meer dan een streven naar aanpassing, een poging om te consolideeren, wat in andere verhoudingen gegroeid is. De toestand is nu zóó geworden, dat de nijverheid, die zich op alle wijze wil aanpassen, d.w.z. met alle middelen en na uitsluiting van kapitaalrente en met stijgende schuldenlast, streeft naar het bereiken van concurreerende prijzen, daarin verhinderd wordt door de uitzonderlijk hooge prijzen der levensmiddelen in ons land.” En verder: „Wij kunnen onmogelijk een harmonie ontdekken ineen financieel beleid waarbij naar twee geheel verschillende principes zware lasten op het volk gelegd ■worden. Eenerzijds de beheerder van de schatkist, die zijn belastingen met zorg en noeste en groote zuinigheid onder scherp toezicht der volksvertegenwoordiging heft, gebaseerd op draagkracht en belastingwetenschap en die zich streng houden moet aan begrootingen. Anderzijds die Regeering als beschermster van de landbouw, die nogal vrijelijk beschikkend overeen Landbouwcrisisfonds, dat zelfde volk belast met steeds meer tientallen millioenen, spottend met belastingwetenschap en met draagkracht, integendeel de kinderzegen als factor voor de progressie aannemend. Brood, aardappelen, suiker, boter, fruit, spek en vleesch en vet, zijn aanslagbiljetten geworden, waarop met on-

zichtbare Inkt heffingen zijn ingevuld, die in klinkende munt moeten -worden voldaan en waarvan geen ontduiking mogelijk is. De zeer recente huishoudbudgets toornen een verhooging juist voor de gezinnen der minst draagkrachtigen, doordat voor hen de voeding de belangrijkste uitgaaf vordert.” De schrijver maakt een vergelijking tusschen de gang van zaken inde landbouw en in die van nijverheid en scheepvaart. Wanneer deze de concurrentie niet kunnen volhouden, zegt de heer Zaalberg, worden de fabrieken stilgezet en de schepen opgelegd. „De onderneming ziet haar kracht met de dag afnemen door permanente vaste lasten, de kosten van onderhoud en de snelle waardevermindering hunner outillage als werktuigen en schepen, de arbeiders worden werkloos en komen ten laste van eigen fondsen en openbare kassen. De ondernemingen gaan financieel ten gronde, om nooit meer te herleven.” De heer Zaalberg laat het niet bij deze constateering vaneen zich nog uitbreidende tegenstelling tusschen het dienen van belangen van de landbouw aan de eene en van de nijverheid aan de andere kant. Hij vestigt er in z’n artikel ook de aandacht op, dat in feite de nijverheid voor ons land van grooter beteekenis is dan de landbouw, alleen reeds vanwege het aantal personen dat bij haar een bestaan vindt. Blijkens de beroepstelling van 1930 waren in 17 nijverheidsgroepen, 1.235.810 personen werkzaam of 15.6 pCt. van de geheele bevolking en 39 pCt. van allen die een beroep uitoefenen. Inde landbouw zijn daarentegen slechts 639.023 personen werkzaam. Vanaf 1889 is het percentage der bevolking, werkzaam inde nijverheid, gestegen van 11.1 tot 15.6 procent. Daarentegen daalde het percentage voor de landbouw van 11.5 op 8 procent. In verband met deze aan het artikel van de heer Zaalberg ontleende cijfers wijst deze er op dat voor Nederland het voortbestaan en de uitbreiding zijner industrie, een primair belang is voor de volkswelvaart. De schrijver motiveert z’n inzichten met nog veel meer hoogstbelangrijke argumenten, maar wij kunnen die niet alle vermelden. Intusschen, de heer Zaalberg beperkt zich er toe het onderscheid in regéeringstoewijding scherp te belichten zonder precies aan te geven wat naar zijn oordeelde regeering zou moeten doen om het „gelijke monniken, gelijke kappen” toe te passen. Indien wij hem goed begrijpen, dan is het niet z’n streven dat nijverheid en scheepvaart een zelfde plaats als de landbouw aan de crisisruif zal worden ingeruimd, maar wil hij die crisisruif als een f Vraag Uw leveranciers net f | zoolang: „Is dat Duitsch?", j f tot zij op de winkelruiten | | schilderen: „In deze zaak ( f verkoopt men geen Duitsche | i i n – * I i waren!

sta-in-de-weg naar de economische aanpassing verwijderd zien. In het wezen der zaak is dat naar onze opvatting eerder negatief dan positief, want de heer Zaalberg is toch wel zóó bekend in het Jeruzalem van de politiek, dat hij zich niet tevoren kan blij maken met een illusie die misschien wel een reden van bestaan heeft maar nochtans veroordeeld is in rook te vervliegen.- Krachtige steun aan de landbouw is één van de pijlers waarop heel de regeeringspolitiek steunt en niets zal in staat zijn dat te veranderen. Blijft slechts over dat nijverheid en scheepvaart een gelijkwaardige plaats aan de crisisdisch voor zich opeischen Er bestaat nog iets meer aldus de heer Zaalberg aan ’t slot van z’n artikel dan de landbouwcrisis. Ineen groot deel van het overige bedrijfsleven is de crisis even onrustbarend. „Wordt voortgegaan met op een kwart van het bedrijfsleven een Planwirtschaft (systematisch gecontroleerde productie) toe te passen, bekostigd door de overige J, die al noodlijdend zijn, dan gaan wij nu met versnelde pas naar toestanden op economisch en monetair (op het muntstelsel betrekking hebbende) en misschien op politiek gebied, die vermeden moeten en hopelijk nog kunnen worden.” De waarschuwing is niet overbodig, maar zal weinig uitwerking hebben en zeker niet zoo lang industrieel Nederland niet meer van zich laat hooren dan tot nu het geval is. Het gevolg van de toestand waarin de industrie van ons land langzamerhand geraakt, zou wel eens kunnen worden, dat Nederland voor de noodzakelijkheid wordt geplaatst naar het middel van waardevermindering van onze munt te grijpen. Het is trouwens geen geheim dat men in sommige financieele kringen deze kant uit wil. Onze lezers mogen intusschen uit het vorenstaande de les putten, dat de Nederlandsche industrie voor bijna onoverkomelijke moeilijkheden staat, nog verergerd door eenzijdige regeeringsmaatregelen. Onbekendheid met de instellingen van de Bond. Dezer dagen werd het bondsbestuur voor een zeer eigenaardige beslissing, die het te nemen had, geplaatst. Ten kantore vaneen onzer afdeelingen vervoegde zich een vrouw, die mededeelde, dat in Mei 1926 haar man overleden was. De overledene was op dat tijdstip gedurende 8 jaren lid van onze Bond geweest. De weduwe kon volgens reglement aanspraak maken op uitkeering uit het overlijdensfonds en zou- recht gehad hebben op een uitkeering, groot honderd gulden. De weduwe wist echter niet, dat aan de Bond een dergelijk fonds verbonden was, weshalve zij er geen beroep op cfced en dus geen uitkeering ontving. Maar einde 1933, derhalve 7J jaar na het overlijden van haar echtgenoot, kwam zij, op welke wijze is ons niet bekend, tot de ontdekking van haar nalatigheid. Zij trok de stoute schoenen aan en deed alsnog een beroep op wat haar in 1926 was toegekomen. Het bondsbestuur stond hier voor de las-

OFFICIEELE MEDEDEELINCEN Over de week van 11 tot en met 16 Dec. 1933 wordt het contributiezegel op de 50ste week in het bondsboekje geplakt. ♦ ♦ ♦ De aandacht van inzenders en lezers wordt erop gevestigd, dat ons blad op Zaterdag 30 December niet zal verschijnen, zulks in verband met de feestdagen inde week van 24 tot 30 December. Het nummer van 23 December zal dus het laatste zijn dat in dit jaar verschijnt. ♦ * * In verband met het feit, dat in verschillende afdeelingen gedurende de Kerstweek op Maandag en Dinsdag 25 en 26 December 1933 geen contributie wordt geïnd, worden de leden, die op deze dagen niet door de boden worden bezocht, dringend uitgenoodigd inde daaraan voorafgaande week (18 t/m 23 December 1933) twéé zegels te koopen. * * * Contributie. Vanaf de eerste week van Januari 1934 (1 Januari—6 Januari 1934) wordt door onze organisatie een nieuw systeem voor maandelijksche verantwoording der contributie en gelijktijdige afrekening der overgebleven zegels ingevoerd. In verband hiermede is het nu van het grootste belang, dat bestaande achterstand inde contributiebetaling vóór 1 Januari 1934 wordt ingehaald. De afdeelingsbesturen worden verzocht nauwlettend toe te zien op het inhalen van de contributieschuld, zoodat in Januari a.S. geen moeilijkheden voor en met dé leden ontstaan. leder lid zörge er voor dat hij aan het einde van December met de contributiebetaling „bij” is. tige vraag of de Bond, na een tijdsverloop van bijna 8 jaar, redelijkerwijze verplicht was het bedrag, waarop de vrouw in 1926 aanspraak had kunnen maken, alsnog uit te keeren. Over formalistische bezwaren heen stappend, besloot ons college tot inwilliging van het verzoek, mede omdat het reglement niet voorziet in zulk een dubieus geval. Deze gebeurtenis, die overigens niet van wereldschokkende aard is, deed ons besluiten nog eens bij vernieuwing er bij onze leden op aan te dringen zich goed rekenschap te geven van de inhoud onzer reglementen. Had dit geval zich voorgedaan ineen kleine afdeeling, allicht had het afdeelingsbestuur de vrouw gewaarschuwd en haar op haar rechten attent gemaakt. In een groote gemeente is de mogelijkheid daartoe veel geringer. Overigens, niet alleen de leden, maar ook hun huisgenooten moeten bekend zijn met de Bond en zijn instellingen. En het zal geen onzer leden physisch schaden, indien zij, nog voor honderd procent gezond van lijf en leden, hun huisgenooten óók attent maken op het bestaan van ons fonds tót uitkeering bij overlijden. Het geval leert ons, dat lang niet altijd voldoende nota wordt genomen van de mogelijkheden die de Bond zijn leden en hun naaste verwanten biedt.

Sluiten