Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Msle JAARGANG No. fo ZATERDAG 19 ME! 1934 OPLAAG 449*50

f/ILCEWEEWE HEDERLANPSCHE

■ ABONNEMENT: Bij vooruitbetaling per jaar f IAO Voor Buitenland verhoogd met porto H 9 Losse nummers „0.03 H

[redacteur G.VAHDEP^OUVE^I I HEMOMXLAAN 2A AMSTERDAM.!. – 9QQSQ ~

ADVERTENTIËN:V ■ Gewone advertentiën per regel ƒ 0.30 Afdeelingsadvertentiën „ „ „ 0.20 I Aanvragen voor personeel 0.20

Ethisch of economisch minimum? De rede waarmede minister Colijn de rarstrekking vaneen crediet van 60 milioen gulden voor werkverruiming inde Tweede Kamer verdedigde en waarbij hij isvens de verschillende debaters te woord jtond, bracht ons een voorval uit ’t verleden in herinnering. ’t Zal vermoedelijk in 1923 of 1924 geweest zijn, 10 k 11 jaren geleden derhalve, dat in Utrecht een conferentie plaatsvond waar de loonen van de Achterhoeksche metaalbewerkers in ’t geding waren. De bijeenkomst stond onder leiding van de R.K. Werkgeversvereeniging en zelfs de geestelijke adviseur der werkgevers, Prof. van Aken, was van de partij. Van werkgeverszijde werd op die conferentie voornamelijk het zwaartepunt gelegd op het „economisch mogelijke”. De bedrijven waren niet in 'staat hoogere loonen te betalen dan economisch mogelijk was. Eén van de collega’s van de R.K. Metaalbewerkersbond begon zich ietwat op te winden tijdens de discussie en op een gegeven oogenblik viel hij nogal bruut uit met de vraag of ’t dan alles economie was wat de klok sloeg en of er dan heelemaal geen ethische motieven in ’t spel waren. Hij wees er op dat de argumenten zuiver aan het materieele waren ontleend, ’t Is toch niet allemaal economie, zoo riep hij verontwaardigd uit. Jawel, antwoordde de altijd nuchtere secretaris. Mr. Dr. Kortenhorst, ’t is inderdaad alles economisch waar we over spreken en waarmede wij ons bezighouden. Economie...... onder bestiering Gods De collega had er op dat oogenblik niet van terug en wij met ons inzicht omtrent de maatschappelijke verhoudingen onder het kapitalisme, konden hem niet eens bijstaan omdat wij ’t standpunt innamen dat het loon door ’t bedrijf moet kunnen worden opgebracht. Indien een bedrijf geen redelijk loon kan waarborgen, ligt de oorzaak niet bij de al of niet ethische (het zedelijk gevoel betreffende) gevoelens van de ondernemer, doch aan de bedrijfstoestand en uiteindelijk bij de maatschappelijke verhoudingen waaronder wij leven. Ethische overwegingen bij behandeling van zaken de arbeidsvoorwaarden betreffende, hebben als regel nimmer onze sympathie gehad. Is alle ethiek bij een bepaalde ondernemer zoek, zoodat hij met een gerust geweten minder loon betaalt dan economisch mogelijk is, dan hebben de arbeiders het middel van de organisatie bij de hand om de on-ethische ondernemer te dwingen tot wat redelijk is. Zoo de man niet ethisch handelt, hebben wij het middel van de staking om hem tot de orde te roepen. En dan hebben wij met zulk een staking ook het recht aan onze zijde. Bij behandeling van het z.g.n. 60-millioenen-plan inde Tweede Kamer is ook de ethische zijde van het loon vraagstuk besproken, ditmaal door de heer Van Houten, die tot de christen-democratische unie behoort. Deze heer sprak over de noodzakelijkheid vaneen ethisch (loon) minimum en hij maakte een onderscheid tusschen ethisch minimum en economisch minimum. De heer Colijn is er de man niet naar om zich van leege frases te bedienen of een slag om de arm te houden. Die gaat inde regel men kan ’t er meê eens zijn of niet, dat is een andere kant van de zaak

recht op z’n doel af en niet langs omwegen. Hij antwoordde met het volgende: „Beneden het economisch mogelijke de loonen te willen verlagen, dat is sadisme (lust tot kwellen); daaraan staat de Regeering niet schuldig en daaraan wil zij niet schuldig staan. Maar aan de andere kant meent de Regeering, dat de geheele economische toestand in ons land medebrengt, dat verlangd mag worden, dat de loonen in het algemeen verlaagd worden tot het economisch mogelijke. Men kan nu wel, gelijk de heer Van Houten deed, een onderscheid maken tusschen eén ethisch minimum en het economisch mogelijke, maar ik erken zulk een onderscheid niet. Want wanneer men bovem de grens van. het economisch mogelijke gaat, treedt onvermijdelijk dé toestand iri, dat ten slotte het heele Nederlandsche volk werkloos zou worden en dan heb ik aan een ethisch minimum voor het loonpeil, als ik de menschen toch niet aan de arbeid zetten kan, niets! Wanneer men een theorie opzet over de ethische verdeeling vaneen koek, en de koek is er niet, heb ik ook aan die ethische verdeeling niets.” Daar kon de heer Van Houten het voorloopig meê doen, maar niet de heer Van Houten alleen. Speciaal inde kringen van de religieuze vakbeweging is steeds nogal rijkelijk met dat ethisch minimum „gewerkt”. Steeds heeft die theorie min of meer dienst moeten doen tegenover die van onze beweging. En daarom vonden wij het van groot belang dat niemand minder dan de heer Colijn met één ruk dat masker inzake het ethische ten opzichte van het loon, verwijderd heeft. De bepaling van de hoogte der loonen is een bij uitstek materieele zaak, welke geen ethische franje behoeft. Het geschilpunt waar ’t om gaat is slechts de vraag wat in of onder gegeven omstandigheden economisch mogelijk is. Daarover kan tusschen de heer Colijn en ons groot meeningsverschil aanwezig zijn en dat is er dan ook inderdaad. Maar dan gaat het uitsluitend over de vraag: waar de grens van het economisch mogelijke ligt. Zuiver materieele en geen ethische overwegingen zijn daarbij in ’t geding. De minister-president is ook ingegaan op het verwijt dat z’n theorie van het economisch mogelijke aan de liberale school ontleend is. Vooral van de zijde der R.K. bestuurders van, diverse pluimage wordt en werd nogal sterk geschermd met woorden over „liberale” werkgevers. De heer Colijn heeft hierover gezegd: „Wanneer men dit nu verkiest te noe-

ABONNEERT U OP ONZE GIDS Sociaal-economischtechnisch-maandblad Prijs voor leden f 1.- per jaar

men liberale economie, waarvan dit kabinet en in het bijzonder de ministerpresident aanhangers zouden zijn, dan zeg ik: indien het liberalisme verstandige dingen gezegd heeft, waarom zou ik dan die verstandige dingen niet mogen herhalen? Men kan wel kwaad van het liberalisme zeggen en het ligt natuurlijk niet op de weg van de tegenwoordige voorzitter van de ministerraad om daarover te debatteeren, maar men zal toch nooit kunnen ontkennen, dat inderdaad inde 19e eeuw in liberale kringen mannen zijn opgestaan, die heel vaak verstandige economische dingen hebben verkondigd.” Wij noteeren uit dit alles dat een invloedrijke christelijke bewindsman als de heer Colijn, niet wenscht meê te doen aan de aan demagogie grenzende theorie van het ethisch minimum, zooals die maar al al te vaak van christelijke zijde vooropgesteld is wanneer ’t ging over de arbeidsvoorwaarden. Als Colijn zegt dat ’t een kwestie is van economische mogelijkheid, beamen wij dat volkomen, maar wenschen die stelling te completeeren door er aan toe te voegenden van machtsverhouding. ■ Ineen tijd toch waarin de vakbeweging in defensieve positie gedrongen is, zal de grens van het economisch mogelijke allicht wat lager liggen dan wanneer zij volkomen vrije armslag heeft. En naast het economisch mogelijke valt er ook nog wel een appeltje te schillen over het economisch wenschelijke. Het tweede pinksterkamp van onze Bond op de terreinen van het Meenthuis te Huizen. Het pinkster-jeugdfeest, dat dit jaar nu eens niet in het Flevo-kamp van de Nederlandsche Vereen, van Fabrieksarbeiders, doch op de terreinen van het Meenthuis van de A.J.C. te Huizen zal worden gehouden, nadert zijn aanvang. Na vele weken van ernstige maar niet minder moeilijke en omslachtige voorbereiding, is alles in gereedheid gekomen om de deelnemers te ontvangen. Het zijn er dit jaar 260; dat is minder dan het vorige jaar, toen de leiding ook al niet geheel tevreden was. Ondanks het feit, dat ten vorige jare de deelnemers inde wolken waren over het feest en dit geslaagd is op een wijze die aan ’t volmaakte grensde, is het toch niet mogelijk gebleken meer jonge leden voor ons pinksterfeest te animeeren. Dat is jammer, niet alleen voor de jongeren zelf, maar vooral ook voor hen die aan de voorbereiding, ook inde afdeelingen, zich zoo heel veel moeite getroost hebben om alles vlot te laten marcheeren en het de deelnemers zoo gezellig mogelijk te maken. Ongetwijfeld zal, zooals met zoovele dingen thans het geval is, de mindere deelname ook wel aan de crisis geweten moeten worden. De enorme werkloosheid en overigens de groote onzekerheid voor hen die nog werken, zal wel oorzaak zijn dat wij met Pinkster slechts met z’n tweehonderdzestigen zullen kampeeren. De geest in het kamp, de gezellige vroolijke stemming die er bij past, zal Intusschen wel niet ontbreken.

OFFICIEELE MEDEDEEUNCEN Over de week van 21 tot en met 26 Mei 1934 wordt het contributiezegel op de 21ste week in het bondsboekje geplakt. De commissie van controle, bedoeld bij artikel 25 der statuten, verklaart in haar zitting van 12 Mei 1934 kennis genomen te hebben van de verklaring van de accountant, behelzende de mededeeling dat de administratieve controle van de boeken van de Bond, diens instellingen en fondsen, over het tijdvak 1 Januari—3l Maart 1934 volledig heeft plaatsgehad en dat zij zich na eigen onderzoek en toelichting van de bondspenningmeester vereenigen kan met het gevoerde financieele beheer. Amsterdam, 12 Mei 1934. C. J. CORNELISSE JAN LANDMAN J. HARTKOORN Evenals het vorige jaar is een gecyclosteerde kampkrant verschenen, waarvoor Henk.Kijser afwisselend komische en sierlijke teekeningen vervaardigde. De voorpagina bevat het gedicht „Verrijzenis” van Margot Vos, de tweede pagina een welkomstwoord geschreven door v.d. Houven en de pagina’s 3 en 4 bevatten het programma en wenken van allerlei aard voor de deelnemers. De vóór-kampers, dat zijn zij die de tenten opslaan en die verder alles in gereedheid brengen, zijn reeds aan de slag. Wat we nu nog bij uitstek noodig hebben, dat is: mooi zomerweer. Terwijl wij dit stukje schrijven, komt juist de zon schuchter tusschen de zware donkere wolken doorkijken, ’t Is guur alsof wij inde maand November leven... Maar wij hopen op een verandering ten goede en weten uit ervaring dat er in enkele dagen veel kan veranderen. Mocht ’t regenweer zijn, dan wacht ons een heel groote tent, onder wier vleugelen we ons veilig en droog zullen gevoelen. Er is gezorgd voor voldoende afwisseling. In verschillende afdeelingen heeft men stukjes ter opvoering ingestudeerd en verder voorzagen wij ons van de medewerking van Ru Mulder, die zich zeker niet onbetuigd zal laten. We rekenen op een schitterende opmarsch van alle deelnemers van dichtbij het station Hilversum naar het Meenthuis, ongeveer li uur gaans. Het tamboer- en pijpercorps van Hilversum zal voorop gaan. Ook hier op deze plaats willen wijde jonge deelnemers een hartelijk welkom toeroepen en de wensch uitspreken dat de Pinksterdagen van 1934 tot een blijde en blijvende herinnering zullen worden. Het pinksterfeest onzer jeugdleden heeft de beteekenis vaneen geestelijke wapenschouw voor en over onze jongeren, die meer of minder actief en regelmatig aan het werk van onze jeugdgroepen Inde diverse afdeelingen deelnemen. Een feest van vreugde en kameraadschap inde beste zin van het woord, dat moge ons tweede bondsjeugdfeest worden, opdat er kracht van moge uitgaan voor ons verdere werk inde Bond en de geheele moderne arbeidersbeweging.

Sluiten