Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De „ordenings”-boeman! (v. Sp.) De redacteur van de christelijke metaalbewerkersbond neemt uit één van zijn geestverwante bladen (? Sp.) een artikel over, waarvan de inleiding luidt: „Er is sedert geruime tijd een hang naar „ordening”. Op zichzelf is dat weer niet geheel nieuw. Sedert het bestaan van de vakbeweging op christelijke grondslag is deze gedachtengang gepropageerd. Daarvan getuigt onze strijd voor het collectief arbeidscontract van jaren her, die poogde overeenstemming te bereiken tussen arbeiders en werkgevers inzake arbeidsvoorwaarden. Hierbij heerste de gedachte om regel en orde te brengen inde lonen en arbeidsvoorwaarden. Daarvan spreekt ook de behandeling van de vraagstukken over medezeggenschap en over bedrijfsorganisatie. De verwezenlijking van deze denkbeelden waren geen strevingen tot het vormen van een machtspositie der arbeiders of arbeidersorganisaties. Was dat het geval, naar ons oordeel kwam er niets van terecht. Heel onze beschouwing was en is gebaseerd op een samenwerking tussen patroon en arbeider. Collectieve samenwerking! Voor sterk uitgesproken individualisme was dus geen plaats. Met het stelsel van de oud-liberale economie van „Herr im Hause” moest worden gebroken. Ook voor de klassenstrijdgedachte kon hier geen plaats worden ingeruimd. Helaas hebben beide bovenstaande stromingen veel, heel veel, voor de verwezenlijking van het ideaal tegengehouden. Bovendien werd menigmaal getwijfeld aan de mogelijkheid van samenwerking tussen arbeid en kapitaal en meewarig gesproken over het streven van de christelijke vakbeweging om twee tegenstrijdige factoren tot elkaar te brengen. De inzinking van het bedrijfsleven, de moeilijkheden, die er inde laatste jaren zijn ontstaan om het bedrijfsleven op gang te houden, hebben opnieuw brede groepen warm gemaakt voor een poging om meer orde en regel te verkrijgen. De omstandigheden zijn daar niet vreemd aan. De tienduizenden werklozen, de telkens terugkerende kwestie van „aanpassing” der lonen en arbeidsvoorwaarden, de daling van de lonen in onderscheidene bedrijven tot een peil, waarop vaneen enigszins behoorlijk levenspeil geen sprake meer kon zijn, drongen de gedachten naar één of ander middel.” (cursivering is van mij. Sp.) Men moet toch, wil men zoiets aan z’n volgelingen durven voorzetten, wel sterk overtuigd zijn dat deze van de geschiedenis op politiek en economisch terrein gedurende de laatste anderhalve eeuw geheel onkundig zijn. Laten wij ons de moeite eens geven om het aan de geschiedenis te toetsen. Wij krijgen dan eerst deze veelzeggende zin: „Sedert het bestaan van de vakbeweging op christelijke grondslag is deze gedachtengang gepropageerd.” Het was inde dagen van de opkomst van het industrieel kapitalisme in Nederland. De arbeider waspolitiek rechteloos en economisch machteloos. Organisatie was er niet of bijna niet en zeker geen christelijke vakorganisatie. Schandelijke uitbuiting leidde tot economische conflicten en de werkgevers deden alle pogingen om het begin van zelfstandige vakorganisatie te vernietigen. Let wel, de beschouwing van de gedachtengang „ordening” is geheel gebaseerd op een „samenwerking tussen patroon en arbeider”. Welnu, één van die pogingen om de opkomende zelfstandige vakbeweging te vernietigen, was de oprichting van de „Eendracht” in 1873, een organisatie van patroons en arbeiders in het sigarenmakersbedrijf. Het doel van deze „Eendracht” vinden wij inde reglementen. Hier volgen enige artikelen, die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten: Art. 1. Het doel dezer vereniging is door onderling verkeer van patroons en werklieden, beoefenaars van het tabaks- en sigarenvak, beider belangen te bevorderen, de voor beiden zo verderfelijke werkstakingen te voorkomen en een ondersteuningsfonds voor zieke werklieden op te richten. Art. 2. Het lidmaatschap van deze vereniging is onverenigbaar met dat van de Nederlandse Sigarenmakersbond, opgericht 4 Februari 1871, of van enige andere vereniging, welker beginselen in strijd zijn met die van de vereniging „Eendracht”. In art. 6 werd het bestuur geregeld en wel zó, dat het zou bestaan uit 5 werklieden, voorzitter, enz. en 6 patroons als

commissarissen, die stemhebbenden waren bij alle werkzaamheden en,.dus altijd de meerderheid uitmaakten. (Bymholt, Arbeidersbeweging, blz. 156 en 157). Wat was het resultaat van die ordeningsgedachte, van dat bevorderen van beider belangen in gezellige samenwerking? Het neutrale Alg. Ned. Werklieden-Verbond was zo’n nette organisatie, die het toen al probeerde met zeer nette en onderdanige verzoeken aan de heren patroons en op broederlijke samenwerking tussen de twee strijdende groepen aanstuurde. In het jaarverslag van deze vereniging over het jaar 1874 kunt u dit vinden: „Samenwerking wordt in onze respectieve verenigingen besproken, samenwerking wordt in enkele bladen ons aangewezen als de weg, die veel zal medewerken tot oplossing van het grote vraagstuk. Het A.N.W.V. heeft samenwerking gewild, moeite noch kosten zijn gespaard, zodat wij geloven, dat men ons niet ten laste kan leggen, niet alles gedaan te hebben wat in ons vermogen was; doch hoe gaarne ook door ons gewild, wij hebben nu gezien, in hoeverre de patroons samenwerking willen...” (Bymholt, Arbeidersbeweging, blz. 173.) De geschiedkundige waarheid? Zij, de patroons, wilden geen samenwerking. Zij wensten als groep en als kaste te leven boven en ten koste van de grote groep van aan hen ondergeschikten. Precies als tegenwoordig. De strijd op maatschappelijk terrein, die zich uit in het fascisme, is geen andere. De leiders zijn goed betaalde handlangers van tuig uit de bezitters. De volgelingen? Jonge mensen uit betere (finaicieelbetere) kringen, dikwijls in arbeiders-vijandige gezinnen opgevoed, die werkloos zijn of grote kans hebben dit te worden. Ouderen, die hun zaken teniet zagen gaan of met zaken die hun geen behoorlijk bestaan meer opleveren. De economische verhoudingen (ook geschiedenis!) duwen hen overtaiddelijk van de maatschappelijk ladder af. Zij zouden zich moeten voegen bij al diegenen, die daar al afgedrongen zijn en hen, die nooit de kans hebben gehad er op te komen. Dit wensen zij echter niet. Zij willen niet leven als de arbeiders, willen daartoe niet behoren. Hun strijd is in wezen geen andere, dan een poging om te kunnen blijven leven boven en. ten koste van de arbeiders. Zo nodig door op de meest ruwe wijze dat beetje welvaart en vrijheid te vertrappen, dat die arbeiders zich in jaren van moeizame strijd, gepaard met grote opofferingen, wisten te verzekeren. Maarde hang naar „ordening” in knusse samenwerking dat blijkt uit de geschiedenis is een reeds beproefd, doch doelloos gebleken pogen geweest, nog vóór er hier een christelijke vakorganisatie bestond. Ten tweede het volgende: „De verwezenlijking van deze denkbeelden waren geen strevingen tot het vormen vaneen machtspositie der arbeiders of arbeidersorganisaties.” Wat is nu geschiedkundige waarheid? Dat een patroon of een patroonsvereniging, door hem of haar er steeds weer aan te herinneren dat een gezellige samenwerking met hem of haar zo broodnodig was, bereid bleek in te voeren: a. een kortere werktijd en de 8-urendag?, b. een behoorlijk loon voor den geachten werkman?, c. een prettige en ruime vacantie met een behoorlijke vacantietoeslag? Het uiten van deze veronderstelling, zelfs in werkgeverskringen, zou tot gevolg hebben dat men ’s mans geestesvermogens voor zeer gekrenkt zou houden. Wat was dan geschiedkundige waarheid? Deze! ' Dat de arbeiders het wapen der staking moesten leren gebruiken en dat der uitsluiting trotseren, om van 14 en meer werkuren per dag op 13 en 12 te komen. Dat zij uit deze practijk leerden hun organisatie op te bouwen en die van machtige middelen van aanval en verweer te voorzien. Dat zij tegelijkertijd het politieke wapen leerden hanteren en het als machtig wapen wisten te gebruiken en dat zij met beide machtsmiddelen het onder a., b. en c. genoemde geheel of gedeeltelijk wisten te bereiken. En wat leerde de geschiedenis nog meer? Dat met deze lessen voor ogen de christelijke arbeiders zich hetzelfde wapen aanschaften en het vele malen voor de erkenning van het recht van organisatie of voor het bereiken vaneen bepaalde overeenkomst hebben aangewend. Dan gebruikten zij het stakingswapen, het machtsinstrument, ook om op dwingende wijze het verlangde te bereiken. Wij krijgen nu de volgende geschiedkundige draaikolk; „Met het stelsel van de oud-liberale economie van „Herr im Hause” moest worden gebroken.

Ook voor de klassenstrijdgedachte kon hier geen plaats worden ingeruimd. Helaas hebben beide bovenstaande stromingen veel, heel veel, voor de verwezenlijking van het ideaal tegengehouden.” (Slot volgt.) De scheepsbouw in het tweede kwartaal. (Vs.) Zoals te doen gebruikelijk is, heeft Lloyds na het beëindigen van het kwartaal weer nieuwe cijfers gepubliceerd over de toestand inde zeescheepsbouw. Wij willen deze in ons artikel aan een beschouwing onderwerpen. Bij de eerste oogopslag worden wij al gewaar, dat het tweede kwartaal slechts een onbetekenende verbetering heeft gebracht. De tonnenmaat, die inde gehele wereld onderhanden was, steeg van rond 1.269.000 ton tot 1.282.000 ton. Als wijde stijging met het juiste cijfer aangeven, komen wij tot 11.997 ton. Een wel zeer geringe toename dus. Reeds meer dan een jaar schommelt de onderhanden scheepsruimte nu om de 1.3 millioen ton en evenzo lang ligt de tijd, waarin elk kwartaal een verbetering bracht vaneen of meer honderdduizenden tonnen, al weer achter ons. Onze voorspelling van het voorjaar 1934, dat geen belangrijke verbeteringen inde scheepsbouw verwacht mochten worden, zijn dus helaas wel bewaarheid geworden. Hoe lang zullen wij nog over lage scheepsbouwcijfers moeten klagen? Wij vrezen, dat het nog wel vele maanden zal duren, alvorens onze klaagzangen in blijmoedige klanken zijn verkeerd. Het bovenstaande behoeft ons evenwel niet te weerhouden van de vermelding, dat ons land, gelet op het wereldscheepsbouw-cijfer, een zeer goed kwartaal achter de rug heeft. Het onderhanden werk steeg in ons land van 60.371 ton per 1 April tot 75.446 ton per 1 Juli j.l. Onze stijging overtrof dus de stijging van het wereldcijfer met ruim 3000 ton, waaruit moet volgen, dat één of meer andere landen achteruit zijn gegaan. Dit is dan ook werkelijk het geval. Sommige landen hebben hun scheepsbouwcijfers zelfs zeer ernstig zien dalen. Met name is dat het geval met Frankrijk. Mede als gevolg van het gereedkomen van de reuzen-oceaanstomer, die „Normandie” is gedoopt, daalde het Franse cijfer van 120.000 tot 49.000 ton. Maar ook Japan heeft , dit.. kwartaal een heel wat lager cijfer. Het daalde van plm. 80.000 ton tot plm. 66.000 ton. Dit is een niet onbelangrijke daling en vooral als wij letten op het cijfer, dat Japan per 1 October 1934 kon registreren, t.w. 149.000 ton. In negen maanden tijds daalde het onderhanden werk met niet minder dan 83.000 ton. Ons inziens kan hieruit blijken, dat ook de hoogste scheepstaouw-subsidies slechts korte tijd een zekere levendigheid op de scheepsbouwwerven kunnen tot stand brengen. Tegenover de gedaalde cijfers, welke wij hiervoor memoreerden, staan natuurlijk gestegen cijfers. Zo heeft Duitsland kans gezien om zijn cijfer met niet minder dan 43.000 ton te verhogen. Het bouwt nu 237.000 ton. Wij moeten voor dit land precies vijf jaar teruggaan, om eenzelfde cijfer geregistreerd te zien. Als wij letten op het feit, dat Duitsland anderhalf jaar geleden slechts 22.000 ton onderhanden had, dan kunnen wij constateren, dat het er in is geslaagd om de achterstand, welke gedurende de laatste jaren is ontstaan, gedeeltelijk in te halen. Wij moeten er evenwel bij vertellen, dat dit resultaat slechts bereikbaar bleek ten koste van grote sommen aan scheepsbouw-subsidies. Onder de landen, die een gunstig kwartaal achter de rug hebben, mogen wij ook Zweden noemen. Dit land komt met 94.473 ton op de derde plaats onder de scheepsbouwende landen. Het is niet te gewaagd om te voorspellen, dat het jaar 1935 voor de Zweedse scheepsbouw niet onbelangrijk beter zal worden dan 1934. Het huidige cijfer had Zweden sinds 1932 niet meer kunnen publiceren. Wij vonden een nieuweling onder de scheepsbouwers. Finland heeft het gewaagd om ook een schuitje op stapel te zetten. Men kan nooit weten waar iemands geluk verborgen ligt. Het schip, dat de Finnen eerlang als blijk van hun industriële vorderingen ten doop hopen te houden, is nog niet bepaald groot, het zal 2.590 register – ton meten, maar om te beginnen kan het toch niet zeer klein worden genoemd. Laten wij ze bij voorbaat gelukwensen met hun. goede voornemens. Dantzig wil tekenen van herleving gaan geven. Dit landje kwam meestal op de lijst der scheepsbouwende landen voor, maarde tonnenmaat was gedurende de laatste jaren wel zeer laag. In het tweede kwartaal hebben de Dantzigers (wij hopen dat wij deze landslieden de juiste benaming hebben gegeven) evenwel een schip

van precies 10.000 ton op stapel gezet. Laten wij ook hen gelukwensen. Een paar andere landen moeten wij nu nog nader bezien, t.w. Denemarken en Engeland. Denemarken heeft geen kans gezien zijn cijfer in het tweede kwartaal te verbeteren. Dit wel echter niet zeggen, dat het Denemarken slecht gaat. Zij hebben dit jaar reeds niet minder dan 60.000 ton in het natte element doen glijden, terwijl met de bouw van 40.000 ton is aangevangen. Voor Denemarken is dit geen slecht cijfer. Onze lezers weten, o.m. uit het artikel dat collega Oosterhoorn in het vorige nummer van ons vakblad schreef, dat de Denen vooral voor Noorwegen bouwen en Noorwegen is een land, dat een zeer grote vloot heeft. Na deze opmerking kunnen wij geschikt naar Engeland overwippen, om te zien, hoe het daar met de scheepsbouw is gesteld. Het Engelse cijfer is dit kwartaal wel iets gestegen, maar vermeldenswaard is de stijging niet bepaald. Het Engelse cijfer ging omhoog van 555.815 ton tot 560.321. Het bouwt nu 43 pCt. van de onderhanden tonnenmaat, wat voor Engeland een ongunstig percentage is. Van de tonnenmaat, die gedurende de eerste twee kwartalen op stapel werd gezet, wist Engeland slechts 34 pCt. te bemachtigen. Dit is een absoluut slecht cijfer. De op stapel gezette tonnenmaat in de drie Scandinavische landen vormt nu al bijna 50 pCt. van wat Engeland onderhanden nam gedurende de eerste twee kwartalen. Men ziet welk een geweldige verschuiving plaats vindt van Engeland naar Scandinavië, als wijde cijfers van 1929 hier eens naast zetten. Engeland bouwde toen 1.522.623 ton tegen Noorwegen, Zweden en Denemarken tezamen slechts 258.346 ton, of wel niet ten volle 17 pCt. van de Engelse productie. Engeland krijgt dan ook niet meerde kans om ook maar één schip voor Scandinavië te bouwen. Het bouwt nog voor zichzelf en voor de Dominions, maar daar blijft het dan ook bij. Het komt ons voor, dat de verschuiving niet geheel het gevolg is van de hoge Engelse bouwkosten. Wij geloven eer, dat de samenwerking, die bestaat tussen de drie genoemde Scandinavische landen, de grootste oorzaak is, al mag niet ontkend worden, dat Engeland met zijn invoerrechten op ijzer en staal bezig is om de moeilijkheden voor zijn scheepsbouw te vergroten. Aan het slot nog een enkel woord over onze Hollandse scheepsbouw. Wij memoreerden reeds de stijging, die het seheepsbouwcijfer gedurende het tweede kwartaal had ondergaan. Het verblijdende is evenwel, dat deze stijging een gevolg is van het feit, dat wij een reuzenportie van de aan de markt gekomen schepen wisten te bemachtigen. Van de 709.000 ton, waarmede inde eerste helft van 1935 een aanvang werd gemaakt, ging 59.671 ton op de Hollandse hellingen, of wel 8.4 pCt. Dit is een record-cijfer, dat wij, indien wij het al ooit bereikten, in geen jaren hebben kunnen boeken. Maar hiermede is dan ook volkomen de zieke toestand van de gehele scheepsbouw gedemonstreerd, want terwijl Nederland relatieve recordcijfers weet te boeken, lopen nog altijd circa 60 pCt. van de Hollandse scheepsbouwers op straat. Het is te vrezen, dat de stadskeien nog lang getuigen zullen zijn van de chaos in de scheepsbouw, tenzij wij met elkander verstandig genoeg worden om in te zien, dat wij deze mensen middelerwijl wel wat fietsen, al of niet met motor, zeil- en roeiboten, kano’s, ijzeren ledikanten, of wel moderne stalen meubelen kunnen laten maken. We geloven werkelijk, dat een bepaald deel van de mensheid kans zou zien, om met soortgelijke voorwerpen de som van hun geluk nog wat te vergroten. Hierbij mag overdacht worden, dat de lijst van nuttige voorwerpen met bovenstaande opsomming nog niet is uitgeput. VERANTWOORDING Inde maand Juli 1935 werd afgedragen over de maand Juni 1935 door de volgende afdelingen: Amerongen ƒ 52.04, Appingedam ƒ 359.65, Assen ƒ 73.51, Bussum ƒ 13.73, Dieren ƒ 230, Doesburg ƒ 62.88, Dordrecht ƒ 800, Driebergen ƒ 75.77, Eindhoven ƒ1135.17, Geertruidenberg ƒ 44.05, Gorinchem ƒ 749.28, Gouda ƒ 100, Den Haag ƒ 2500, Heerenveen ƒ 165.50, Hoorn ƒ 84.64, Lekkerkerk ƒ 125, Meppel ƒ 48.90, Muiden ƒ 103.68, Nieuwleusen ƒ3O, Oude Pekela ƒ 50, Pernis ƒ 51.22, Tilburg ƒ 209.96, Vaassen ƒ 179.30, Veendam ƒ 92.67, Voorburg ƒ 55.04, Winterswijk ƒ65.90, IJmuiden ƒ 500, Zaandam ƒ43.60, Zaandijk ƒl9O, Zeist ƒ 348.53, Zutphen ƒ 209.01 en verspreide leden ƒ 499.70. Alle andere afdelingen behielden hun afdracht voor uitkeringen. De bondspenningmeester, H. J. VAN DEN BOEN.

Sluiten