Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

43ste JAARGANG No. 28 ZATERDAG 11 JULI 1936 OPLAAG 41650

IX IV» TJ. Wc/V

W ABONNEMENT: Dl) vooruitbetaling per jaar | I.SO Voor buitenland verhoogd met porto H Losse nummers n 0.03 H 1

REDACTEUR: G. VAN DER HEMOMXLAAN 2A AMSTERDAM.Z

ADVERTENTIES: B Gewone advertenties per regel f 0.30 Afdelingsadvertenües „ _ m o,20 I Aanvragen voor personeel... m „ m 0.20

Invoering ener 40-urige werkweek en haar gevolgen De oproep van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen inzake de eis nopens de 40-urige werkweek, opgenomen in ons blad van 27 Juni j.1., gaf één onzer lezeressen, echtgenote vaneen lid van onze Bond te Amsterdam, aanleiding tot het schrijven vaneen brief. Zij adresseerde die aan het bestuur onzer vakcentrale, die hem op zijn beurt naar ons bureau renvoyeerde. En dat was juist gehandeld, naar wij menen. De briefschrijfster, die enige bezwaren tegen invoering vaneen 40-urige werkweek opwerpt, zegt aan het slot van haar brief: „Gaarne ontving ik hierover eens een schrijven terug”. En zij dankt bij voorbaat voor de verkregen inlichtingen. Wij besloten de gevraagde inlichtingen in ons eigen blad te geven en menen daaraan goed te doen, omdat we aannemen dat de schrijfster niet de enige is die nog wel wat inlichtingen behoeft. ,’t Is, menen wij, haar dat zij ineen brief uiting gaf aan haar gevoelens, De echtgenote van ons lid is uiteraard geen tegenstandster van invoering ener 40- urige werkweek. Zij voelt, blijkens hetgeen zij in haar brief opmerkt, heel goed dat deze eis zomaar niet uit de lucht is komen vallen. Haar voornaamste bezwaar geldt het loon, dat, naar zij vreest, nog weer opnieuw en niet onbelangrijk, zou moeten dalen. Maar er is begripsverwarring bij haar. Zij noemt enige Amsterdamse metaalbedrijven, die geheel of gedeeltelijk tot inkrimping van werktijd o ver gingen. Zij verliest uit het oog dat de maatregelen door de betrokken directies genomen, zonder meer uitvloeisels waren van werkgebrek. Grotere of kleinere aantallen werklieden werden ontslagen en daarnaast, of daar en boven, werd ook nog de werktijd verkort. En deze verkorting van werktijd betekent natuurlijk vermindering van het weekinkomen, want in onze industrie wordt algemeen op uurloon gewerkt. Dit alles nu heeft niets te maken met het streven, dat door ons N.V.V. en dus ook door onze Bond, wordt beoogd. Wij wensen over de gehele linie een inkrimping van de arbeidstijd tot 40 uren per week als blijvende maatregel tot beteugeling vaneen werkloosheid, die een permanent karakter gaat krijgen. Daarom ook is invoering van de 40-urige werkweek een eis die een onderdeel vormt van ons Plan van de Arbeid. De briefschrijfster, die er op wijst, dat haar man nu reeds 4 uren korter dan 48 uur per week werkt, hetgeen een verlies van 4 uren loon betekent, vreest dat wij zonder meer eisen dat er nog 4 uren af zullen gaan, met dus opnieuw 4 uren loonderving. Dat kan er niet meer af, zegt zij. En bovendien gelooft zij niet, dat er volslagen werklieden door aan ’t werk zouden komen. Afgezien nu van de vraag of zij gelooft of

niet gelooft, moet de schrijfster zich even realiseren, welke gevaren er in schuilen om een permanent leger van werklozen te bestendigen. Het is ongetwijfeld een levensbelang, ook voor de nog werkenden, dat gedaan wordt wat mogelijk is om een groter of kleiner deel van de werklozen in het bedrijf te brengen. Zovele duizenden werkgrage handen buiten het bedrijf vormen óók een permanent gevaar voor verdere loondruk. Wat de werkenden betreft, hebben wij met twee groepen te maken; een deel werkt 48 uren per week, een nog altijd zeer groot ander deel is zelfs aan de 48-urige werkweek nog niet toe. De eis inzake de 40-urige werkweek houdt tevens een drastische werktijdverkorting voor allen, die nu nog langer dan 48 uur per week werken, in. Welk resultaat verwacht men nu van invoering ener 40-urige werkweek? Blijkens een rapport van de Hoge Raad van Arbeid zouden bij invoering 37.000 werklieden aan de bedrijven worden toegevoegd. En daarbij moeten dan stellig nog enige duizenden gevoegd worden voor wat de bedrijven betreft, waar thans nog langer dan 48 uur per week gewerkt wordt. Laat ons een rond getal noemen en zeggen, dat de werktijdvermindering, zoals wij die voorstaan, minstens 40.000 man van de straat haalt. En voor wat de kosten betreft, berekend wordt, dat zonder looncompensatie de verkorting van de werktijd tot 40 uren per week, een loondaling van 16 procent zou betekenen. De schrijfster kan gerust zijn: alle voorstanders van de 40-urige werkweek weten heel goed, dat van de sterk verlaagde lonen geen 16 pet. af kan. Hier moet een offer gebracht worden door den werkgever, door de gemeenschap en voor zover nog nodig, ook een deel door de arbeiders. De gemeenschap kan een offer brengen, doordat bij tewerkstelling van 40.000 man zeer sterk op de werklozenuitkeringen bezuinigd kan worden. Hoe groot het deel moet zijn dat door de arbeiders moet worden geofferd, hangt voornamelijk af van de bedrijfstoestand èn van de invloed der organisatie. Wij moeten de eis nopens de 40-urige werkweek zien als een onderdeel van een complex van maatregelen om het economisch leven van ons land uit zijn verstarring op te heffen. Ons Plan van de Arbeid noemt vele wegen en middelen, die daartoe kunnen leiden. De hoogte van het loon, de financiële uitkomt van een week arbeid, is uiteindelijk volkomen afhankelijk van het eerst nodige; werk! Invoering van de 40-urige werkweek is één van de middelen die dienen moeten om het maatschappelijk raderwerk weer stevig in gang te brengen. Als ’t kan, zónder enig offer van de werkenden, als ’tmóét, dan met een zo gering mogelijk offer van hun kant. Versterking van onze vakbeweging, niet het minst van onze eigen Bond, is de allereerste voorwaarde voor ons welslagen. Daaraan moet worden gewerkt door onze leden èn hun vrouwen!

Lafaards of leugenaars ■) (J.W.) Nr. 14 van „Strijd”, het orgaan van het zich noemende „Comité van strijdwillende leden”, heeft het over ons congres. Het moet worden een „strijdcongres”. Nr. 15 van dit „orgaan”: „Daarom, ons congres een strijdcongres!!!” In de Nrs. 16, 17 en 18 wordt over het congres niet gerept. Men heeft het daar te druk om allerlei insinuaties te plaatsen en politieke en vakverenigingstactiek en -taak hopeloos en onontwarbaar door elkaar te hutselen. In Nr. 19 worden aan de hand van het •tweejaarlijks verslag enige conclusies gesteld, die doen veronderstellen dat de man — of zou het een vrouw zijn die ze neerschreef? — mijlen ver van elke realiteit op het terrein van de vakstrijd af staat. Daarboven staat: „Vóór een strijdcongres”. Het is dus strijd, strijd en nog eens Strijd. Nu zou men zo denken, de leden, die behoren tot dat comité, hebben dan toch zeker wel maatregelen genomen om te trachten dat het congres een „strijdcongres” wordt, strijdcongres dan zoals zij dat opvatten. Zij hadden dat kunnen doen door het indienen van voorstellen, moties, e.d. of door hun connecties die zij z.g.n. in de ledenraad zouden hebben, hun afkeuring te laten uitspreken. Niets van dat alles evenwel, geen enkel voorstel dat aangemerkt zou kunnen worden als een voorstel dat zou kunnen uitwerken dat het congres zou worden een „strijdcongres” zoals zij dat bedoelen. Ook geen motie van afkeuring aan het adres van het H.B., niets wat er op lijkt. Integendeel, het beleid van het H.B. is met algemene stemmen, dus ook met de stemmen van de connecties bovenbedoeld meê, aanvaard. Wel een stel flinke kerels dus. (Zij beweren n.1. niet minder dan 650 lezers te hebben.) Hebben niet eens het lef om in eigen afdeling, in eigen vergadering, met behoorlijk omlijnde voorstellen te komen, waaruit dan hun beter inzicht kan blijken. Of zij zijn er niet toe in staat, hebben niet zoveel scholing opgedaan dat zij in staat zijn hun willen te omschrijven. Het is trouwens ook gemakkelijker te schelden, verdachtmakingen te plaatsen en te insinueren, dan behoorlijk werk te leveren. Het kan ook zijn dat alles wat zij omtrent hun omvang beweren, niets anders is dan bluf, a la Mussert en dat zij voor de rest niet met hun armoede te koop willen lopen. Hoe dan ook, van tweeën één: Het zijn óf lafaards, óf leugenaars, óf beiden en God beware ons er voor nog eens met deze individuen werkelijk in strijd te moeten. Het zou er op uitdraaien dat zij strijdbrekers in de volle zin van het woord werden. ') Wegens plaatsgebrek moest dit stukje enige weken blijven liggen. 2) ’t Is inderdaad niets dan bluf. De schrijvers van al dat moois hebben niet de geringste reële aanhang onder onze leden. Redenen waarom wij goed doen er niet al te veel [ aandacht aan te schenken. Red, I

OFFICIËLE MEDEDELINGEN Over de week van 13 tot en met 18 Juli 1936 wordt het contributiezegél op de 29e week in het bondsboekje geplakt. 6 September uw dag! (C.v.d.L.). 6 September demonstreren wij tegen de huidige regeringspolitiek; tegen het fascisme; vóór het PLAN VAN DE ARBEID. De N.S.B, doet haar best, om het vertrouwen van de massa in onze beweging te ondermijnen. De methode daartoe kennen wij. Op gestencilde velletjes worden de bonzen uitgescholden, de werkloze arbeiders beklaagd, wordt hun een hogere steun toegezegd, wordt beweerd dat de N.S.B. het wel anders en beter zal doen dan de Marxistische demo-liberalen, omdat de N.S.B. de solidariteit wil van de gehele natie en onbaatzuchtigheid van allen. Die onbaatzuchtigheid van de heren Nazi’s kennen wij. Nazi-minister dr. Frick stelde als Rijksdag-afgevaardigde voor h&t was inde tijd dat de Nazi’s in Duitsland het heft nog niet in handen hadden de ministerssalarissen terug te brengen tot 12.000 mark per jaar. De bonzen-ministers verdienden te veel. Het voorstel werd verworpen. Toen Frick op zijn beurt in Thüringen minister werd, deden anderen hetzelfde voorstel als Frick indertijd gedaan had. Wie stemden er toen tegen? De Nazi’s. En zelfs toen later het salaris van de ministers in Thüringen op 12.000 mark gebracht werd, wist de Nazi-bons Frick door te zetten, dat hij 16.000 mark behield. Ziedaar de onbaatzuchtige knapen ten voeten uit. En hoort ze nu ook over het Plan raaskallen! „De opheffing uit de poel van de werkloosheid is niet mogelijk met geraffineerds Plannetjes.” Ja, ja, dat zaakje zal de N.S.B. wel opknappen. Hoe? Het antwoord vindt gij inde door de N.S.B. uitgegeven brochure „De Nationaal Socialistische Beweging in Nederland in verband met ons Christelijk volkskarakter en onze Germaanse volksaard”, geschreven door E. J. Roskam Hzn. In deze brochure kunt ge lezen op bladzijde 22: „Men mag ons gerust verwijten, dat wij in het positieve zo zwevend zijn. Ik zou het nog sterker dan onze tegenstanders durven zeggen. Wij vechten voor de Corporatieve Maatschappij en Staat, maar wij weten niet eens precies hoe het ding er uit zal zien. Wij zijn voor een totale omwerking van ons Staatsbestel, maar een duidelijk schema daarvoor kunnen wij niet geven.” Op 6 September a.s. zullen wij in 11 provinciale massa-betogingen deze aartsbedriegers aan de kaak stellen. Zorgt, dat gij er bij bent! Geeft u op als deelnemer aan de spaarfondsen! Maakt, dat daar, waar de P.P.C. nog geen spaarfonds in het leven riep, er snel één komt! Dit is nodig, opdat ook, gij werkloze maat gelegenheid zult hebben mee te betogen VÓÓR HET PLAN en « TEGEN HET FASCISME!

Sluiten