Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

43ste JAARGANG No. 38 ZATERDAG 19 SEPTEMBER 1936 OPLAAG 41700

IDE MÊIMUjWHM m 1 ff EX ,",1 WEEKBLAD VAN DE m—m TTTf |ALGENENE_ NEDERLANDSE WETAALBEWERKERSBONPj 1 ABONNEMENT: ■ REDACTIEUR !g. VAN DERHOU VEh bij vooruitbetaling per jaar .. f 1.50 |w MFMONVLAAN 24 7 pi Gewone advertenties per regel 1 0.30 Voor buitenland verhoogd met porto H O—1 ’ a\)\TA- H Afdelingsadvertenties . „0.20 I Losse nummers „0.03 _ | CLI CrUUll. £. Q| /Q J Aanvragen voor personeel... . ~ . 0.20

Verdringen de jonge arbeiders de ouderen?

Zou men de spraakmakende gemeente op haar woord geloven, dan is er de laatste tijd een zeer sterke toename van het aantal tewerkgestelde jeugdige arbeiders in vergelijking met dat van de volwassenen te constateren, De toestand zou te dien opzichte veel ongunstiger zijn dan b.v. in 1929, vóór de aanvang van de crisis dus, het geval was. Het betreft hier een aangelegenheid van zeer verstrekkend belang, hetgeen ons er toe gebracht heeft eens nauwkeurig na te gaan of de algemeen geuite bewering juist of onjuist is. De enige, maar dan ook onfeilbare studiebron, die ons daarbij ten dienste staat, zijnde „Mededelingen” van het Normalisatie-bureau voor Arbeidszaken inde Metaalnijverheid, welke ons tweemaal per jaar nauwkeurig omtrent de aantallen tewerkgestelden en hun leeftijden inlichten. De cijfers stellen ons in. staat een vergelijking te maken tussen de toestand van 1 Januari 1930 en 1 Juli 1936. Teneinde nu ons vergelijkings-materiaal zo overzichtelijk te maken als maar mogelijk is, formeerden wij een drietal groeperingen. Inde eerste plaats vergelijken wijde aantallen z.g. 8.-arbeiders met de aantallen totaal tewerkgestelden op 1 Januari 1930 en 1 Juli 1936. Onder de 8.-arbeiders worden verstaan: geschoolden van 29 jaar en jonger, geoefenden van 27 jaar en jonger en ongeschoolden van 25 jaar en jonger. Alle andere arbeiders, dus zij die ouder zijn dan 29, respectievelijk 27, respectievelijk 25 jaar, worden tot groep A. gerekend. Wij gaan nu vergelijken. Op 1 Januari 1930: totaal aantal arbeiders 45714 daarvan tot de 8.-groep behorende 20759 In procenten: 45.4 procent. Op 1 Juli 1936: totaal aantal arbeiders 24099 daarvan tot groep B. behorend 9823 In procenten: 40.8 procent. Conclusie: de verhouding van 8.-arbeiders tot totaal aantal arbeiders daalde van 1 Januari 1930 tot 1 Juli 1936 met 4,6 procent en deze uitkomst stelt derhalve de spraakmakende gemeente in het ongelijk. Intussen bewijzen deze cijfers nog niet alles; de mogelijkheid zou kunnen blijven, dat op lagere leeftijden dan de hierboven genoemden de uitkomst een andere was. Maar daarom vonden wij het dan ook verstandiger om voor twee ankers te gaan liggen. Daartoe namen wij uit de 8.-groepen de minderjarigen, 20 jaar en jonger, tot en met 14 jaar toe en kregen de volgende uitkomst: Op 1 Januari 1930; totaal aantal arbeiders 45714 waarvan 14—20-jarigen 9716 In procenten; 21.3 procent. Op 1 Juli 1936: totaal aantal arbeiders 24099 waarvan 14—20-jarigen 4931 In procenten: 20.5 procent. Conclusie: de verhouding van het aantal minderjarigen tot het totaal aantal arbeiders daalde van 1 Januari 1930 tot 1 Juli 1936 met 0.8 procent.

Ook wat deze groepering betreft blijkt de spraakmakende gemeente het aan ’t verkeerde eind te hebben. Alle goeie dingen bestaan uit drie, zegt men en daarom voorzagen wij ons voor alle zekerheid nog vaneen derde voorbeeld, door na te gaan of soms de tewerkstelling van heel jonge arbeiders bijzondere afmetingen had aangenomen. Wij kozen voor onze derde groepering uit de 8.-groepen de 14-, 15- en 16-jarigen, de heel jonge luidjes derhalve, die zo van school in ’t bedrijf komen. De uitkomst was aldus: Op 1 Januari 1930: totaal aantal arbeiders 45714 waarvan 14-, 15- en 16-jarigen ... 3594 In procenten: 7.9 procent. Op 1 Juli 1936; totaal aantal arbeiders 24099 waarvan 14-, 15- en 16-jarigen 1803 In procenten: 7.5 procent. Conclusie: de spraakmakende gemeente heeft andermaal ongelijk. Het aantal 14-, 15- en 16-jarigen was op 1 Juli 1936 0.4 procent lager dan op 1 Januari 1930. Wij bedoelen met het voorgaande niet méér te zeggen, dan uit de cijfers blijkt. En deze cijfers hebben uitsluitend betrekking op bij de Metaalbond aangesloten ondernemingen, welker aantal in 1930, 103 en in 1936, 89 bedroeg. Of de spraakmakende gemeente voor wat andere bedrijven of groepen betreft gelijk dan wel ongelijk heeft, weten wij niet en wij kunnen het ook niet controleren. In elk geval blijkt uit de feiten, dat in onze groot-industrie de tewerkstelling van jonge arbeidskrachten zeker niet tot ongerustheid aanleiding geeft. De verhouding, kunnen wij zeggen, is normaal. Onze werkkampen te Eemnes Op 4 September j.l. hebben wij ons eerste werkkamp te Eemnes op enigszins feestelijke wijze gesloten. Dat was op Vrijdag, omdat de eigenlijke laatste dag, de Zaterdag, tevens dag van afreizen was. ’t Is er gezellig aan toegegaan, deze laatste avond, zoals onze lezers inmiddels reeds uiteen bericht in ons blad van 12 September j.l. hebben kunnen vernemen. Wij kunnen in ’t algemeen gesproken, met genoegen op dit eerste werkkamp terugzien en wij weten heel zeker, dat de leden die er vertoefd hebben, het zeer naar hun genoegen hebben gehad. Er is, alles bijeengenomen, flink werk verricht, waardoor het aanzien van ons terrein al veel verbeterd is. De vijver, in aanleg, een heel omvangrijk werk, waar alreeds tekening in begint te komen, vereist veel menselijke inspanning, omdat de uitgegraven aarde een heel stuk verplaatst moet worden naar de plek waar het amphitheater in aanleg is. Deze beide werken worden dus in combinatie uitgevoerd. De jongelui hebben voorts reeds een heel stuk weg aangelegd, het dennenbos onderhanden genomen en nog een stuk voorlopige afrastering aangebracht. En verder hebben zij voor het huis een stukje tuin aangelegd. Bij dit alles mag

niet uit het oog worden verloren, dat elke dag drie jongelui aan het gewone werk voor de z.g. keukendienst worden onttrokken. Inmiddels is op 7 September het tweede kamp aangevangen, ’t Was die eerste dag nog slechter weer dan tij de aan vang van het eerste kamp en bovendien zijnde Groningers en Friezen in „Holland” verdwaald, zodat zij eerst laat inde middag als uitgehongerde wolven te Eemnes kwamen aanzetten. Vaneen officiële opening van het kamp is zodoende niets gekomen, maar wij zullen wat het officiële betreft onze schade later wel inhalen. Ook in het tweede kamp heerst een uitstekende geest, zodat onze verwachtingen wel niet beschaamd zullen worden. Maar dit tweede kamp zal voor dit jaar levens wel het laatste zijn, omdat tegen pen kamp, in ’t hartje van de winter te houden, toch wel ernstige bedenkingen bestaan. Korte dagen, uitermate lange avonden, slechte weersgesteldheid met als gevolg kans op ziekte en ongemak, het lokt allemaal niet al te zeer aan. En bovendien komen er dan nog de feestdagen bij. Neen, ’t is wel zeker, dat dit tweede kamp het laatste van 1936 is. En dan wordt het toch nog aanvang November als het zal worden gesloten. Dan zal de rust daar op die stille plek te Eemnes terugkeren en zal niet langer de stilte door het gezang en gejoel van onze levenslustige makkers worden verbroken. Eerst als Maart 1937 aangebroken is, zullen wij dan de arbeid weer kunnen doen hervatten. Het plan en de jeugd (Br. K.) Op 6 Augustus j.l. telde ons land omstreeks 375.000 bij de arbeidsbeurzen ingeschreven werklozen. Het aantal jeugdige werklozen in Nederland wordt geschat op 160.000 personen Het juiste aantal kent men niet. Wat deze werkloosheid betekent voor het sociale en culturele leven onzer dagen, welk groot gevaar hierin schuilt, bleek ons nog kortelings. Wij bladerden in het Verslag van de staat van het onderwijs in het Koninkrijk der Nederlanden over 1935, dat onlangs verschenen is en troffen in het hoofdstuk Lager Nijverheidsonderwijs voor jongens onderstaande passage aan: „De ongunstige invloed van sommige mileu’s, waar, zo er al niet gebrek geleden wordt, dan toch schaarste is aan vele dingen waar langdurige werkloosheid van vader en andere huisgenoten een sfeer van dofheid, moedeloosheid, onverschilligheid, of zelfs verzet gekweekt heeft, is niet te miskennen. Sommige leerlingen worden reeds jong vertrouwd gemaakt met het denkbeeld, dat hun wellicht straks werkloosheid wacht, waardoor bij hen de energie wordt geblust”. Een dergelijk citaat uit onverdachte bron doet duidelijk zien hoe groot de gevaren zijn, die de arbeidersjeugd bedreigen en hoe nodig het is, dat er uitvoering wordt gegeven aan de maatregelen in het Plan van de Arbeid voorgesteld. In het Plan is namelijk ook aan de jeugd en de jeugdwerkloosheid aandacht geschonken. Op blz. 55 lezen wij onder het hoofd: „Gevolgen voor de jongeren” o.m. het volgende: „De jeugdwerkloosheid krijgt bij uitvoering van het crisisplan een totaal ander aspect. Door het samenstel van maatregelen wordt zij reeds voor belangrijk meer dan de helft teruggedrongen.”

OFFICIËLE MEDEDELINGEN Over de week van 21 tot en met 26 September wordt het contributiezegel op de 39e week in het bondsboekje geplakt. Dat het gevaar van de toestand trouwens in steeds breder lagen van de maatschappij wordt ingezien, bleek ons uit het verslag, dat De Maasbode gegeven heeft vaneen onderhoud, dat eender redacteuren onlangs gehad heeft met den voorzitter der R.K. Werkgeversvereniging, den heer ir. F. H. E. Guljé. Volledigheidshalve moeten wij er bij vertellen, dat het gesprek ging over de sociale zijde van de propagandacampagne voor Nederlands fabrikaat. Niettemin zijnde uitlatingen van den heer Guljé belangrijk genoeg om in dit verband hier afgedrukt te worden. Ingenieur Guljé zei 0.m.: „Dat zoveel huisvaders en gezinnen moeten rondkomen vaneen karig steunbedrag, zichzelf buiten de samenleving weten gesloten en weinig of geen hoop op de toekomst kunnen vestigen, is reeds iets ontzettends. Maar werkelijk benauwend wordt het probleem, als we aan de toekomst gaan denken. Onze bevolking neemt jaarlijks toe met ongeveer 100.000 zielen. Jaarlijks komen er tienduizenden jongens van school, die, waar dan ook, een plaatsje inde maatschappij verwachten, een bescheiden plaats, vanwaar ze zich dan door eigen ijver kunnen opwerken, zoals hun vader en grootvader dat vóór hen gedaan hebben.” Deze tienduizenden jongens zijn in precieser vorm uitgedrukt ruim 40.000 jongens en meisjes, waarvan slechts een klein deel het geluk heeft arbeid te vinden. De heer Guljé zei verder nog: „In Nederland zijn thans 160.000 werkloze jongens tussen 14 en 24 jaar. Er valt niet aan te twijfelen of dit een sociale wantoestand is. Er dreigt zich een klasse van uitgestotenen te vormen: desperado’s, die een constant gevaar vormen voor de openbare rust en orde. Maar dat is nog niet het ergste. Het ergste is, dat onze volkskracht gevaar loopt, ondermijnd te worden.” Inderdaad dat is het ergste. En daarom is het te hopen, dat men ook buiten onze beweging gaat begrijpen, dat de maatregelen door het Plan voorgesteld zo spoedig mogelijk verwezenlijkt dienen te worden. Want het Plan wil door uitvoering van een groot aantal publieke werken en andere maatregelen duizenden arbeiders, ook jongeren, onmiddellijk aan werk helpen. Daarnaast wil het door verkorting van de arbeidstijd ook vele duizenden arbeidskrachten in het productieproces inschakelen en ten slotte wil het Plan verlenging van de leerplicht. Alleen al door deze laatste maatregel kunnen 30.000 jongeren van de arbeidsmarkt verdwijnen. In totaal worden door het Plan van de Arbeid dus ongeveer de helft der jeugdige werklozen aan arbeid geholpen, want de werkloosheidsbestrijding en de werktijdverkorting zullen ook een 50.000 jongeren van de straat houden. Dat wij nu niet meer kunnen spreken van „belangrijk meer dan de helft”, zoals in het Plan staat, is naar alle waarschijnlijkheid toe te schrijven aan het feit, dat sinds de verschijning van het Plan de werkloosheid onder de jongeren alweer toegenomen is. In ieder geval zien wij dat de maatregelen in het Plan voorgesteld nog een belangrijk gedeelte van de jongeren aan arbeid kunnen helpen en dat het dus waard is dat ook de jongeren zich nu met volle kracht op de propaganda voor het Plan werpen.

Sluiten