Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BlBim Kutoidi

Regenwateruitloop De regenwateruitloop zoals deze hier is afgebeeld, zal men meer op het platteland en bij landhuizen aantreffen dan in grote steden. Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat men in de grote steden met de gemeentelijke watervoorziening niet zozeer de be-* hoefte aan water gevoelt als op het platteland, waar men speciaal aangewezen is op hemelwater. Dit hemelwater, dat van de daken wordt opgevangen ineen zeer diepe regenbak, moet men indieh het voor gebruik benodigd wordt, door middel vaneen pomp uit de regenbak of put weer oppompen. Ook wordt hiervoor wel gebruik gemaakt vaneen schepemmer, welke door middel vaneen soort lier bediend wordt. Voor elke hoeveelheid water welke men nodig heeft, moet men dus van pomp of schepemmer gebruik maken. Daar dit, omdat men ieder moment van de dag water nodig heeft, vrij lastig is, heeft men om hieraan tegemoet te komen een uitloop geconstrueerd (zie figuren 1 en 5 op tekening). leze uitloop is zeer gemakkelijk in iedere pijp aan te brengen. De tegemoetkoming aan het steeds oppompen bestaat hierin, dat men bij de regenbak een zeer groot vat plaatst (zie fig. 5) Wanneer het nu regent dan draait men het lipje Kin figuur 1 aangegeven, om en haalt de klep naar beneden, zodat deze ineen schuine stand van 30” komt te staan. Hierdoor ontstaat dan inde buis een afsluiting, waardoor het water langs de schuine klep in het bij geplaatste vat terechtkomt. Is dit vat geheel volgelopen, dan draalt men de klep weer in zijn vroegere stand terug en het lipje K wordt vastgezet. Door deze behandeling krijgt men weer een rechte pijp, waardoor het water langs normale weg inde regenbak terecht komt. Gevolg hiervan is, dat men steeds een flinke hoeveelheid hemelwater boven de grond in voorraad heeft en dientengevolge het gestadig oppompen of scheppen kan voorkomen. – Om eender gelijke regenwaterultloop te vervaardigen moet deze allereerst op tekening gemaakt worden, waarbij men als volgt te werk gaat. Men begint met het zijaanzicht te tekenen (zie figuur 1). Hiervoor moet men de diameter weten. Weet men die, dan kan men deze op papier zetten, waarin men voorlopig één lijn trekt en wel de hartlijn. Daarna moet men de klep in open stand tekenen. Deze verkrijgt men door de staande buis of cylinder te snijden met de cylinder (zie figuur 1) onder 30 Hierdoor ontstaan de punten A-B en E-D. Trekt men nu de diagonalen A-B en E-D. dan zullen deze elkaar inde hartlijnen van de staande en hellende cylinder snijden (zie figuur 1). Zoals hier op tekening aangegeven is. gebruikt men maarde helft van de schuine cylinder, omdat men voor de klep niet meer dan de halve cylinder nodig heeft. Deze is dan ook voor dat doel aan de voorzijde rond bij gewerkt en moet in zijn geheel + 2| maal de lengte hebben als de doorsnee van de buis. De dikke stippellijn geeft aan hoe de Klep inde binnenzijde van de buis er uit ziet. Nu moet het gat waarin de klep moet draaien inde staande cylinder bepaald worden; dit gat moet + 1-i maal de doorsnee van de buis hoog zijn, terwijl de breedte zo gemaakt moet worden, dat de kiep aan beide zijden li cm. dekt als deze in gesloten stand is, hetgeen in figuur 1 duidelijk is te zien. (In dit geval is de buis 8 cm. breed en het gat 7i cm. genomen; dan dekt de klep li cm.). Heeft men deze breedte op tekening gezet, dan moet men de stippellijn doortrekken tot deze de diagonale lijn

A-B snijdt, waardoor men punt C verkrijgt. Vanuit punt C trekt men een gedeelte vaneen cirkel met een straal van 2i cm. van de rechte lijn naar de diagonale lijn A-B en het gat inde staande cylinder is gereed. Nu moet men in figuur 1 de beschrijvende lijnen trekken, want deze hebben wij nodig voor de uitslag. Onder figuur 1 trekt men een cirkel, wat tevens een begin is voor het bovenaanzicht (zie figuur 2). Met de straal verdeelt men de cirkel in 12 gelijke delen; deze punten liggen twee aan twee onder elkaar, zoals 1, 2+12, 3 + 11, 4+lo, 5+9, 6+B en 7 (dit geeft figuur 2 duidelijk te zien) en worden naar figuur 1 geprojecteerd. Hetzelfde doet men inde klep; daar heeft men een cirkel om zijn as laten draaien en op het tekenvlak neergeslagen. De verdeling is hier hetzelfde als aangegeven in figuur 2, echter met dien verstande dat men hier maar een halve cirkel nodig heeft en men door punt C nog een hulplijn trekt, waardoor men in totaal 9 punten verkrijgt. Nu alle beschrijvende lijnen in het zijaanzicht staan, kan men het bovenaanzicht verder afmaken (figuur 2). De cirkel staat er reeds; de twee horizontale lijnen van de klep weet men. Deze horizontale lijnen worden getrokken met een zinkdikte verschil op dezelfde breedte van de cirkel en de horizontale hulplijnen trekt men door de punten van 1 tot 12, hetgeen in figuur 2 te zien is. Vervolgens moet men de ronding van de klep in figuur 1 naar figuur 2 projecteren. Dit verkrijgt men door de beschrijvende lijnen, welke de ronding van de klep raken in figuur 1, naar de beschrijvende lijnen in figuur 2 te projecteren. Waar deze elkaar snijden is een punt, waardoor men de omtrekslijn van de klep in figuur 2 kan trekken. In figuur 1 is nog aangegeven, de klep in gesloten stand, door middel vaneen dikke bloklijn ( ), Na deze bewerking heeft men dus figuren 1 en 2 of wel het zij – en bovenaanzicht op tekening staan en kan

een aanvang gemaakt worden met de uitslag, waarvoor men de meeste maten uit figuur 1 meet. Men begint met de staande cylinder van figuur 1 te strekken. Dit kan men op twee manieren doen en wel door berekening 3.14 x doorsnee, of met een smal strookje papier langs de cirkel in figuur 2 te gaan en dan gelijk de punten van I—l2 daarop af te tekenen. Het laatste is het beste ook, daar men dan tevens de beschrijvende lijnen heeft. Deze strook papier legt men op het tekenpapier en tekent de punten van 1 tot 12 daarop af, doch 2 maal onder en boven (zie figuur 3), waarbij men ook rekening dient te houden met een soldeerkant. Langs deze punten kan men lijnen trekken en op één van deze lijnen tekent men de lengte van de cylinder af. Deze lengte kan men in figuur 1 vinden, waarna men ook deze twee omtrekslijnen kan trekken, waardoor de cylinder dan gestrekt is (figuur 3). Vervolgens moet men het gat bepalen. Om dit te verkrijgen moet men In figuur 1 de lijn F—G trekken, omdat het gat geen enkele rechterzijde heeft, waaruit men meten kan. De lijn F-G trekt men ook in figuur 3, waarbij men ook buiten de beschrijvende lijnen nog twee lijnen moet trekken en wel de lijnen die door het snijpunt C in figuur 1 gaan. Staan al deze lijnen op de tekening, dan gaat men het gat in figuur 3 uitzetten. Men neemt de passer en meet het gedeelte van de beschrijvende lijn 7 in figuur 1 boven de lijn F-G en zet dit uit op de beschrijvende lijn 7 in figuur 3. Vervolgens neemt men de maat van de beschrijvende lijn 6/8 in figuur 1 en zet deze maat uit op de beschrijvende lijnen 6 en 8 in figuur 3. Hetzelfde moet men herhalen met de beschrijvende lijn 5/9, als ook van de beschrijvende lijn, die door het snijpunt c gaat. Trekt men nu langs deze punten in figuur 3 een gebogen lijn, dan ontstaat reeds de helft van het gat. Dezelfde behandeling herhaalt men voor het andere gedeelte, doch met dit verschil, dat

men nu onder de lijn F-G moet meten. Heeft men ook deze punten in figuur 3 afgetekend, dan trekt men ook daar een gebogen lijn langs, waarna het gehele gat gereed Is om te worden uitgeknipt. Nu rest ons nog één deel uitte slaan en wel de kiep (figuur 4). Ook van dat gedeelte moet men om een uitslag te maken eerst de omtrek strekken, hetgeen weer gebeuren kan door middel van het boven omschreven strookje papier, waarvoor men in figuur 1 de maten kan vinden (I—9). Staan deze lijnen op papier, dan is het vereiste de lijn J-H te trekken, daar zich ook aan de klep geen rechte zijde bevindt. Daarna kan men de maten der lijnen onder en boven de lijn J-H in figuur 1 uitzetten onder en boven de lijn J-H in figuur 4, Trekt men door deze punten een gebogen lijn, dan ontstaat de uitslag van de klep. Men ziet hieruit dus dat de bewerking om de uitslag te verkrijgen van figuur 4 dezelfde is als van figuur 3. Bij het uitslaan is men niet gehouden aan een maat, doch men kan deze zelf naar verkiezing wijder of nauwer maken, echter met dien verstande dat men ook het gat en de klep naar verhouding groter of kleiner maakt. Tenslotte zij nog vermeld, dat alhoewel deze regenwateruitloop voornamelijk op het platteland zeer bruikbaar is, men deze ook in grotere steden in toepassing kan brengen en wel onder andere voor de volgende doeleinden. Bewoners van benedenhuizen kunnen regenwater benutten om de tuin er mede te besproeien. Voor waswater is regenwater ook zeer geschikt, daar het „zacht” water is en bij gevolg vetter dan duinwater, dat men dan ook „hard water” noemt, aangezien duinwater nog minerale bijbestanddelen bevat. Ook voor het schrobben van straten, dit vooral uit economisch oogpunt. Voorts in werkplaatsen; de smid kan het in zijn koelbak benutten, de yerzlnkerij en vertinnerij om de voorwerpen af te spoelen na in het zoutzuurbad te zijn geweest, enz. Uit het bovenstaande blijkt, dat omgeschreven regenwateruitloop zeer zeker aanbevelenswaardig is.

Sluiten