Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Afvoeren van de verbrandingsproducten van gas

Bij volkomen verbranding van gas komen inde verbrandingsproducten behalve de bij elke verbranding optredende producten, waterdamp en koolzuur, nog sporen voor van koolmonoxyde en van zwavelverbindingen, welke laatste producten echter voor het afvoervraagstuk als zodanig buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Waterdamp en koolzuur, die in bepaalde hoeveelheden niet schadelijk zijn, worden het echter wel voor de gezondheid in grotere hoeveelheden. Zo kunnen grote hoeveelheden waterdamp inde lucht bij bepaalde temperaturen het normaal functionneren van het lichaam verstoren en aanleiding geven tot onmacht. In het algemeen mag worden aangenomen, dat een vochtigheidsgehalte van 40 % a 50 % als het aangenaamste ondervonden wordt, terwijl overigens vochtigheidsgehalten van 30 % tot 70 % geen bezwaren schijnen op te leveren. Koolzuur is zeer gevaarlijk en doet zelfs reeds bij een gehalte van 1 % inde lucht een onbehaaglijk gevoel ontstaan. Het normale koolzuur-gehalte van de lucht is in bewoonde streken ca. 0.04 %. Hoeveelheden van 8 a 10 % kunnen echter gedurende korte tijden nog worden verdragen. Bij hoeveelheden van 20 % a 30 % treedt zeer snel bewusteloosheid op en later de dood. Er moet derhalve aan het koolzuurgehalte een bepaalde grens worden gesteld. Voor ziekenkamers wordt deze grens gesteld op 0.07 %, voor woonkamers op 0.1 %, terwijl voor tijdelijk gebruikte ruimten als keukens, badkamers en dergelijke tot 0.4 c/c kan wordèn gegaan. Door doelmatige ventilatie moet nu steeds worden gezorgd, dat deze grenzen niet worden overschreden. Daar nu bij de verbranding koolzuur ontstaat, zal dit dus op het percentage van directe invloed zijn, zodat de vraag dus voor de hand ligt hoever zich deze invloed uitstrekt. Nemen we daartoe als voorbeeld eens een keuken met de afmetingen 3x2.70x2.90 m. of ca. 24 m3. inhoud, terwijl in deze keuken een twfeevlams gascomfoor wordt gebruikt gedurende 1 uur, eerst een tijd vol brandende en daarna klein gesteld, dan zal totaal in dat uur ca. 350 liter gas worden verbrand. In ronde cijfers mag worden aangenomen, dat daardoor 0.18 m3. koolzuur ontstaat. Bij elke ruimte mag echter worden aangenomen, dat door de natuurlijke ventilatie, dat is de luchtverversing door de doorlaatbaarheid van de wanden, raam- en deurspleten, enz., de lucht éénmaal per uur wordt ververst. Hierdoor wordt de koolzuurvermeerdering dus teruggebracht tot de helft of ca. 0.09 m3. Op grond van de vorengenoemde grens van 0.4 % zal de koolzuur-hoeveelheid voor de keuken van ca. 24 m3. mogen bedragen 24 x 0.4 : 100 = o,lm', zodat de verbrandingsproducten dus in dit geval niet behoeven te worden afgevoerd.

Daar bovendien ineen keuken als regel een z.g. wasemkanaal aanwezig is, mag dus in het algemeen wel worden aangenomen, dat verbrandingsproducten niet behoeven te worden afgevoerd. Branden er urenlang ovens en wordt er urenlang gekookt, dan verandert de zaak natuurlijk. Meerdere comforen of fornuizen zullen hieraan als regel niets veranderen, daar dan toch de keukens weer noodzakelijkerwijze van grotere afmetingen moeten zijn en de verhoudingen dan vrijwel hetzelfde blijven. Zoals vanzelf spreekt, is een behoorlijke ventilatie echter steeds aan te bevelen. Men mene niet, dat deze ventilatie dooreen wasemkanaal voldoende geschiedt. Zal een dergelijk kanaal behoorlijk kunnen werken, dan zal er op een andere plaats voor toevoer van verse lucht moeten worden zorggedragen, die dan inde plaats kan treden van de af te voeren lucht. Nemen we nu als tweede voorbeeld een badkamer met de afmetingen 2x3x2.80 m. of ca. 17 m3. inhoud (heel veel badkamers zijn nog kleiner en daarvoor wordt soms het onmogelijkste hokje gekozen), dan zou daarin een koolzuurhoeveelheid van 17x 0.4:100 = ca. 0.07 m3. kunnen worden toegestaan. Hangt er in deze badkamer nu een gasgeyser, dan mag voor een bad een gasverbruik worden aangenomen van ca. 1.8 ma, waardoor dan ca. 0.9 m3. koolzuur zouden worden ontwikkeld. De natuurlijke ventilatie speelt hier een veel kleinere rol, daar het geheel geen uur duurt, doch zich in ca. 20 minuten afspeelt, zodat de natuurlijke ventilatie ook maar i is en dus in het gunstigste geval nog met ca. 0.6 m3. koolzuur gerekend zou moeten worden. Deze hoeveelheid is dus ca. 9 maal zo groot als de toelaatbare, zodat hier dus de dringende noodzakelijkheid vaneen af voer der verbrandingsproducten blijkt. Bij de oplossing van dit vraagstuk komt echter nog een andere zaak naar voren, die zeer belangrijk is. Bij de verbranding van 1.8 m3. gas in ca. 20 minuten, zijn in deze tijd ca. 9 m3. lucht nodig en ontstaan ca. 10 m3. verbrandingsproducten. Bij geen of onvoldoende afvoer is dus in deze korte tijd ca. 50 % van de aanwezige lucht voor de verbranding verbruikt en zijn daarvoor dan de verbrandingsproducten, die geen zuurstof meer bevatten, inde plaats getreden. Dit gebeurt natuurlijk reeds direct na het begin van de verbranding, zodat dus de lucht steeds zuurstofarmer wordt, waardoor de volkomen verbranding belemmerd wordt en onvolkomen verbranding optreedt, gepaard gaande met de zeer gevaarlijke koolmonoxydevorming. Reeds hierom is het bij een geyser, geheel afgezien van de koolzuurvorming, een gebiedende noodzakelijkheid voor een goede afvoer der verbrandingsproducten te zorgen. Een zaak, die daarbij weer van het grootste belang is, is dat steeds ge-

zorgd moet worden voor voldoende toevoer van verse lucht, daar anders de verbrandingsproducten, zelfs bij de beste afvoerleiding, toch niet behoor lijk kunnen worden afgevoerd. Deze luchttoevoer kan worden verkregen door het aanbrengen vaneen rooster of gaten inde deur of het af zagen vaneen strook direct boven de drempel, als het openzetten van een raam niet mogelijk is.

Dat aan een en ander geen voldoende aandacht is geschonken, heeft reeds veel ongevallen in badkamers ten gevolge gehad, waarvan er meerdere met dodelijke afloop. Hetgeen geldt voor badkamers,' geldt ook voor kamers, waarin gaskachels worden gebruikt. Een gaskachel zonder af voer is een onding en moet zeer schadelijk voor de gezondheid worden geacht. °H.

Berekening van de modulus bij een tandwiel

Wat is de modulus bij een kam- of tandwiel? Deze duidt het getal aan hoeveel malen n (3,14) op de steek is begrepen. De steek is de maat van hart op hart tand, op de steekcirkel gemeten. Gewoonlijk is de afstand van de steekcirkel tot de top van de tand = 0,3 S en tot de voet 0,4 S, waarbij met S de steek is bedoeld. (De velgdikte wordt op 0,5 S aangenomen). De modulus moet een geheel aantal malen op de middellijn van de steekcirkel zijn begrepen, daar de omtrek D x n is en men natuurlijk geen gebroken aantal tanden mag hebben. Zou men n (aantal) tanden hebben, dan moet n x modulus x n D D x Ti, waaruit volgt dat n= . modulus Om de modulus te vinden, moet men eerst de steek berekenen, wat als volgt geschiedt. Er wordt aangenomen, dat de berekende kracht P

(op de steekcirkel berekend) aan de top van de tand aangrijpt. Bij onafgewerkte tanden kan deze P zeer onregelmatig over de top zijn verdeeld, reden waarom in dit geval op een breedte van slechts 2 x S mag worden gerekend, ook als b groter is gemaakt, omdat dan niet de tand over de voet zou afbreken, doch slechts een hoek zou sneuvelen. Bij afgewerkte tanden mag men de volle breedte aanhouden (b zie figuur). De belasting vaneen tand = aan die vaneen bevestigde balk, die aan het einde is belast, dus = Pxl; en 1 2 de sterkte over de voet =— bh xk 6 b

waarbij kb de toelaatbare spanning tegen buigen, die bij gegoten ijzer meestal op 300 per cm.2 wordt aangenomen, maar tevens veel van de stotende werking afhankelijk is. b is geen vast verhoudingsgetal, want is afhankelijk van de constructie van de tand flank, die zelfs bij eén gelijke constructie, b.v. „evolvente” (ontwikkelde vaneen cirkel) nog zeer verschillend kan zijn, en wel kan uiteenlopen van : b = 0,5 S tot 0,65 S en in buitengewone gevallen zelfs nog meer, b.v. wanneer de steek zeer groot is ten opzichte van de steekcirkel, of ook zeer klein. Bovenstaande formule is te herleiden tot: 1 P X 0,7 S=— x (nxS) X (0,5 S tot 6 2 2 0,65 S) xS x k . b n wil hier zeggen; hoeveel malen de steek voor de tandbreedte mag worden aangenomen. Nu komt nog de vraag welk getal moet men bij de berekening voor h aannemen, daar deze kan verschillen van 0,5 S tot 0,65 S of meer. Schat men vooruit, dat de steek groot zal worden t.o.v. de steekcirkel, dan moet men het verhoudingsgetal klein nemen. Later moet men controleren of het aangenomen getal met de tekening overeenstemt. Uit de berekening krijgt men voor de steek een zekere waarde in m/m en om nu de modulus te vinden, moet deze waarde doorn worden gedeeld. Deze deling geeft meestal een onbruikbaar getal, zodat de gevonden steek iets zal moeten worden gewijzigd, wat meestal niet veel behoeft te zijn, als men niet aan een bepaalde middellijn is gebonden. In ieder geval moet de modulus deelbaar óp de middellijn van het tandwiel. In het voorgaande is aangenomen, dat de kracht P bekend was, maar mocht dit soms niet zo zijn, dan moet zij worden gevonden uit het aantal over te brengen paardekrachten (pk) en het aantal omwentelingen van de as (n), en wel als volgt: 71620 x N P = r x n waarbij r de straal van het tandwiel is, d.w.z. van de steekcirkel. N = aantal pk. v.d. W.

Sluiten