Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MINIATUUR

Meneer Goodwin door Hugh Dallas In „De bengelende druiventros” in Bridgeport was meneer Goodwin een geziene gast. Elke middag om 4 uur stapte hij er binnen voor een kopje thee en een komkommersandwich en ’s avonds kwam hij er een kaartje leggen en zijn pintje donker gerstebier drinken. Hij was het toonbeeld vaneen rustigen heer op leeftijd, die iedereen voor zich innam door zijn vriendelijke manieren en zijn zachte stem. Toen hij in het kleine villatje aan de Waterworkroad was komen wonen, hadden de ingeborenen van Bridgeport smalend gezegd: „Daar heb je weer zo’n meneer uit de stad, die hier de peentjes komt opscheppen!” Maar dat was erg meegevallen. Meneer Goodwin woonde er moederziel alleen en de werkster, die het huis schoon hield, was gewoonlijk om twaalf uur al weer vertrokken. Hij werkte wat in zijn tuintje, las de krant, maakte een wandeling, bracht zijn bezoeken aan „De bengelende druiventros” en daarmee scheen zijn leven geheel gevuld. Kennissen kwamen hem nooit opzoeken en dat was geen wonder, want meneer Goodwin was niemand anders dan Linke Johnny Bricks, den handigsten juwelendief uit geheel Londen, die een jaar geleden, na zijn straftijd in Dartmoor te hebben uitgezeten, plotseling verdwenen was. Johnny was altijd vervuld geweest van het verlangen, om, als hij zijn schaapjes op het droge had, ergens rustig als een ordentelijk burger te leven. Het vak van juwelendief bracht altijd onrust mee en het risico, op staatskosten uit logeren te gaan en hoe eerder hij daarmee breken kon, hoe liever het hem was. Na de kraak bij Harris en Harris, de grote juweliersfirma in Bondstreet, had hij met de sluwheid, waaraan hij zijn bijnaam te danken had. de nodige voorzorgsmaatregelen getroffen. De opbrengst van de inbraak had hij op een bank gezet op de

naam van meneer Goodwin en als hij niet zo dom geweest was, om een ring en nog een paar kleinigheden in zijn zak te houden, was hij al een paar jaar eerder den gelukkigen bewoner geweest van het villatje aan de Waterworkroad Voor die domheid had hij een paar jaartjes moeten opknappen, maar hij begreep wel, dat de politie hem na zijn straftijd in de gaten zou houden, om te ontdekken, waar de buit van de inbraak was gebleven. Het had hem weinig moeite gekost om de „russen”, die hem schaduwden, om de tuin te lelden, en toen was hij tot de uitwerking van zijn plan overgegaan. Hij nam er rustig de tijd voor, om de natuur gelegenheid te gunnen, zijn uiterlijk te veranderen. Met een snor en een kinbaardje leek hij in geen enkel opzicht meer op Linke Johnny, toen hij zijn intrede deed in Bridgeport. Hij had met het verleden in ieder opzicht gebroken. Zijn bankrekening stelde hem in staat om een behaaglijk leven te leiden en niets ter wereld zou hem kunnen verleiden, zich aan het risico vaneen ontdekking bloot te stellen. In „De bengelende druiventros” had hij zich spoedig vrienden gemaakt. Naar zijn verleden en zijn afkomst was niemand nieuwsgierig, toen bleek, dat hij zich als een gentleman gedroeg en ook niet naar het doen en laten van anderen nieuwsgierig was. Hij was een man naar het hart van de Bridgeporters en zelfs kolonel Dudley, die op het oude buiten van de Livingstone’s woonde, vond hem de moeite waard om een enkel woord met hem te wisselen. Dat was een gebeurtenis, want de kolonel, die na de dood van zijn schatrijke vrouw, geparenteerd aan de Lipton’s van de thee, erg teruggetrokken leefde, dronk gewoonlijk zijn oude port zonder iets anders te zeggen dan „goeden avond”. Het verwonderde niemand, dat de kolonel en meneer Goodwin op de duur goede vrienden werden, en toen deze vriendschap zelfs zo ver ging, dat de kolonel hem te dineren vroeg, gaf het allen een soort voldoening. Voor Johnny was het een bewijs, dat het avontuurlijke misdadigersleven nu geheel en al achter hem lag en toen hij na het diner met den kolonel inde rookamer zat, had hij het gevoel, dat de juwelendief Johnny Bricks nooit had bestaan. Toen de sigaren waren opgerookt nam de kolonel meneer Goodwin mee naar de bibliotheek om hem zijn juwelencollectie te tonen. Toen hij de kostbare verzameling zag, bijeengebracht met het geld van wijlen mevrouw Dudley, werd hij een beetje duizelig en hij kon niet nalaten, om meneer Dudley te vragen of hij wel alle veiligheidsmaatregelen genomen had, om beveiligd te zijn tegen ongenood bezoek. Zo diep

was meneer Goodwin onder de indruk van de schitterende verzameling, dat hij met zijn beide handen op de dikke glasplaat steunde om de glans in te drinken als de dorstige aarde een regenbui. Maar toen hij naar huis ging, na den kolonel hartelijk bedankt te hebben, was hij vastbesloten zich niet inde verleiding te laten brengen om zich deze stenen toe te eigenen. Zijn rustwas hem meer waard dan deze schatten, welke binnen het bereik lagen van lederen vakbekwamen juwelendief. Inde nacht volgende %p zijn bezoek, werden de juwelen van kolonel Dudley gestolen. Meneer Goodwin was geheel onkundig

van het gebeurde en hoorde er pas van, toen hij inde middag „De bengelende druiventros” binnenstapte. Hij had moeite om zijn emotie te bedwingen, maar tot zijn vreugde bemerkte hij, dat niemand hem verdacht en men wist te vertellen, dat de kolonel tegen Scotland Yard gezegd had, dat meneer Goodwin, die de verzameling het laatst gezien had, buiten verdenking viel. Hij voelde zich dan ook volmaakt veilig, temeer, omdat hij aan de diefstal volmaakt onschuldig was. Daardoor kwam het, dat hij er nauwelijks erg in gehad had, dat twee vreemdelingen het café binnengekomen waren en hij was zich in het geheel niet bewust, dat zij hem voortdurend observeerden. Hij was in zulk een goede luim, dat hij besloot, een rondje te offreren en dat luidkeels aankondigde. Daarop hadden de belde vreemdelingen gewacht. Plotseling stonden zij vóór hem én meneer Goodwin werd bleek, toen hij hen herkende. „Je spel is uitgespeeld, Johnny Bricks,” zei de detective Manning. „Je stem heeft je verraden. Je bent in arrest!” „Wat heeft dat te betekenen?” vroeg hij hooghartig. „Dat betekent, dat jij je vingerafdrukken hebt achtergelaten op de glasplaat van kolonel Dudley’s juwelenschrijn! Vooruit, geen praatjes verder!” Johnny Bricks liet zich meevoeren. Hij wist, dat er voor hem geen redding mogelijk was, hoewel hij onschuldig was. Zijn reputatie en zijn vingerafdrukken waren voldoende om hem voor een aantal jaren naar Dartmoor te doen verhuizen.

Kopspijkers Sterren zien Met het blote oog kan een mens nog geen 10.000 sterren ontdekken, terwijl er ontelbare millioenen zijn. Met een eenvoudige kijker brengt men het tot 33.000. leder van deze sterren is benoemd, genummerd en omschreven in

de grote sterrencatalogus van Boss. Vijf en dertig jaar geleden is Lewis Boss, een Amerikaan, met het catalogiseren der sterren begonnen en zijn zoon Benjamin heeft het voortgezet. In 1300 bladzijden zijn 33.342 sterren verzameld, met plaatsbepaling en karakteristiek er bij. Dit zijnde zogenaamde vaste sterren, die slechts een zeer klein deel der gehele sterrenwereld uitmaken.

Het teven van Zamenhof (IV) Gymnasium- en studentenjaren Toen de ouders van Zamenhof, naar Warschau verhuisden, kwam hij daar op het gymnasium. Met grote ijver leerde hij Latijn en Grieks. Reeds zag hij zichzelf door de wereld trekken, in vlammende redevoeringen opwekkende tot het gebruiken vaneen klassieke taal voor gemeenschappelijk gebruik. Sprak niet inde tijd van Alexander den Groten de hele culturele wereld Grieks? Gebruikten niet eeuwenlang de geleerden en priesters van Europa het Latijn als voertaal? Schreven niet Calvijn en Erasmus in het Latijn voor 20 volken? Zamenhof begreep echter al spoedig, dat hier de oplossing niet lag. Latijn is moeilijk, vol van antieke vormen, terwijl moderne woorden en uitdrukkingen ontbreken. Zeker zou deze taal niet geschikt zijn voor de arbeiders, voor de arme mensen, die de hele dag zwoegen. Zo dacht de jonge man, die zijn gehele leven van het werkende volk bleef houden en er later de voorkeur aan zou geven, in hun wijken te wonen. Zijn hart zou altijd blijven uitgaan naar de minstbedeelden, die altijd de voornaamste offers brachten, die altijd het eerst betaalden met hun bloed en hun rust. Maar onder de grootste druk is het verlangen naar het licht het sterkst. De bezitlozen droomden ervan handen broederlijk te drukken, over zeeën en grenzen heen. „Arbeiders aller landen verenigt U!” zal spoedig over Europa klinken. Maar aan die vereniging staan hoge, dikke muren inde weg, vooral taalmuren. Sloopt die muren, dacht de jonge Zamenhof. Bij het rijpen van zijn inzicht begon hij te zoeken naar een hulptaal, wier voornaamste eigenschappen logica en eenvoud moesten zijn. Het stond spoedig bij hem vast, dat een taal levende woorden moet hebben, wil zij zelf leven. Hier diende dus geput te worden uit de gemeenschappelijke bron van de Europese talen. Een woordenlijst, bestaande uit Latijnse, Germaanse en Slavische elementen zou het meest internationaal zijn. Het probleem, dat hem het meest bezwaarde, was de kwestie van het dikke woordenboek. Hoe kon hij ontkomen aan de tienduizenden verschillende woorden, die de bestaande talen bevatten? Zamenhof vertelt daarover zelf het volgende: „Op een keer, toen ik inde zesde of zevende klas van het gymnasium zat, werd toevallig mijn aandacht getrokken door het opschrift: „svejcarskaja” (plaats van den portier, portierswoning) en vervolgens door het woord; „konditorskaja (suikerbakkerswinkel). Dit -skaja begon me te interesseren en toonde me aan, dat de achtervoegsels de mogelijkheid bieden, om uit één woord vele andere te vormen, die men niet apart behoeft te leren. Deze gedachte nam me geheel in bezit en ik voeldé plotseling grond onder de voeten. Op de geweldig uitgebreide woordenlijst viel een straal licht en zij begon voor mijn ogen te verkleinen.” Van toen af bestudeerde hij het systeem van voor- en achtervoegsels in verschillende talen. Hij kwam tot de ervaring, dat bij volledig en regelmatig gebruik er van, een rijke woordenschat zou opbloéien uiteen kleine hoeveelheid stamwoorden. Inde 5e klas van het gymnasium begon Zamenhof Engels te leren. Hier kwam hij tot het inzicht, dat de rijkdom vaneen taal als het Engels met zijn moeilijke uitspraak en onnauwkeurige spelling, niet geschaad behoeft te worden door de eenvoud van zijn grammatica. In zijn gymnasiumjaren doorleefde Zamenhof een moeilijke tijd. Hij, die het geloof van zijn vrome moeder niet kon delen, leed aan een leegte in het hart. Hij zag geen doel in het leven. Waarvoor werkte hij? Waarvoor bestond hij? Wat zijn mensen? Waarom niet dadelijk sterven? Dergelijke vragen kwelden hem. Een innerlijke crisis redde hem. Hij begon zich zijn roeping bewust te worden en vormde zich een eigen geloof overleven en dood, boven en buiten alle dogma’s. Zijn levensmoed en energie keerden terug en vuriger dan ooit begon hij weer te bouwen aan zijn ideaal. In 1878, op 19-jarige leeftijd dus, zat Zamenhof inde hoogste klas van het gymnasium. Toen had hij het eerste ontwerp van zijn taal klaar, dat echter nog niet geheel overeenstemde met het tegenwoordige Esperanto. C. K.

„Zo diep was meneer Goodwin onder de indruk van de schitterende verzameling...”

„Met een snor en een kinbaardje leek hij in geen enkel opzicht meer op Linke Johnny.”

Sluiten