Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,„Het is druk op straat”, zei Jan met kennis van zaken. „Ja, de mensen weten, dat er vanavond iets bizonders aan de hand is, Jan.” „Oefening van de brandspuit, vader?” „Nee, jongen, daar is het te donker voor. Vraag nu maar niet verder.” Jan dacht aan alle mogelijke dingen, waaruit de verrassing zou kunnen bestaan, maar hij kon niets vinden. Het was echt geheimzinnig, net als de wandeling langs de vaart. Toen ze de Tweede Sluis voorbij waren, werd het werkelijk druk op de weg. Alle mensen waren nu naar het Zandpad gekomen en even voorbij de sluis stonden ze in groepjes te kijken naar een groot gebouw, dat donker tegen de lucht afstak. Enkele ramen van het gebouw waren verlicht en waar de ramen donker waren, zag men soms kleine lichtjes flikkeren en weer verdwijnen. Jan keek met gespannen aandacht en toen hij de hoge fabrieksschoorsteen ontdekte zei hij: „Een fabriek.” „Ja, Jan, een strokarton-fabriek. De Aurora!” Jan knikte zaakkundig. Die naam had hij meer gehoord. Hij zag, dat alle mensen in spanning naar de fabriek keken. Soms keken ze naar een van de donkere ramen, waarachter lichtjes bewogen, maar meer nog naar boven, naar de kant van het dak. „Waar kijken ze zo naar, vader?” „Zie je die palen op het voorplein van de fabriek, met die ballons eraan?” „Luchtballons?” „Nee, Jan, grote glazen ballons. Zie je wel, ze slingeren heel zachtjes heen en weer, door de wind.”

Jan tuurde ingespannen en ontdekte de ballons, die hoog boven de aarde leken te zweven. Maar hij vond er niets bizonders aan en wilde juist zijn vader aan de mouw trekken, toen er beweging kwam inde mensen. De pratende groepjes losten zich op inde grote groep, die vlak voor de fabriek stond, en in spanning naar boven stond te kijken.

„Let nu op!” zei vader. Achter een groot raam gelijkvloers zag Jan mannen met lantarens. Het licht scheen op metaal, dat wel zilver en goud leek. Jan zag, dat ze druk bezig waren, maar wat ze precies deden kon hij niet onderscheiden. Plotseling schoot er een zachte kreet uit de menigte. Inde glazen ballons begon het paarsig te weerlichten, heel zacht eerst en toen heftiger, met forse stoten. En plotseling, met een raar gesis, of er stoom werd afgeblazen, schoten de glazen ballen vol vaneen blauw-paarsig licht, waarin je de fabriek en de mensen net zo duidelijk kon zien of het dag was. Soms zag je in zo’n ballon vonken vallen en werd het licht vaalrood, maar dan kwam het sissend weer in volle gloed doorbreken. De mensen op de weg begonnen te schreeuwen en te juichen en de heren van de fabriek kwamen naar buiten om te zien, hoe mooi het nieuwe licht over de aarde scheen. „Vuurwerk!” zei Jan. „Nee, jongen, dat is een nieuw soort licht. Electrisch licht noemen ze het. En het is vandaag voor de eerste keer, dat we zoiets in Driedorp kunnen zien!” Jan vond het prachtig en het ogenblik, dat de lampen aangingen, maakte zo’n diepe indruk op hem, dat hij nu, als hij thuis het knopje van het electrisch licht omdraait, er nog altijd aan denken moet. En zijn kleinzoon Jan, die niet beter weet, of electrisch licht hoort bij de wereld net zo goed als zon en lucht, vraagt ’s avonds voordat hij naar bed gaat dikwijls: „Opa, vertelt u nog eens van de lampen...”

JACHT OP DE ROMAN door HENK DUBBELMAN Al vele jaren had Anton Bonders met ’t denkbeeld gespeeld, een roman te schrijven, die een lunchroom tot achtergrond had. Wanneer een van de bedienende meisjes inde lunchroom, welke hij vaak bezocht, wat bleek zag of met een vermoeide stem praatte, wanneer hij de vermoeidheid afleidde uit het sloffend gaan, dacht hij er onmiddellijk hele geschiedenissen bij. Maar zijn denkbeeld kwam nooit tot verwerkelijking, omdat hij de mogelijkheid niet zag, om in het leven vaneen lunchroom, zakelijk zowel als menselijk, voldoende diep door te dringen. Maar' toen er een romanprijsvraag werd uitgeschreven met een prijs van duizend gulden, werd zijn activiteit dusdanig geprikkeld, dat hij naar een middel zocht om voldoende bouwstoffen voor zijn lunchroom-roman te verzamelen. Heel voorzichtig begon hij te peilen, of de kassière, die uit haar glazen kooi zowel het publiek als de diensters kon observeren, hem misschien van dienst kon zijn. Het was een aardig, vlot meisje, vriendelijk, maar voldoende op een afstand om niet te worden aangezien voor wat ze positief niet was. Als dagelijks bezoeker, als stamklant, kon hij zich permitteren een praatje met haar te maken, zonder dat van hinderlijke toenadering kon worden gesproken. En hij voelde, dat het ogenblik niet ver meer was, waarop hij haar kon uitnodigen voor een ontmoeting buiten de zaak. Maar plotseling bleek ze ziek en een nieuwe juffrouw nam haar plaats in. Voorzichtige informaties brachten Anton Bonders op de hoogte van het feit, dat ze minstens een maand afwezig zou zijn. De nieuwe, tijdelijke, kassière, gaf zich veel moeite, om het de bezoekers dooreen glimlach en

een praatje naar de zin te maken, en het viel Anton op, dat ze bijna de gelegenheid zocht, om met de gaanden en komenden een woordje te wisselen. Ofschoon hij het bijna ontrouw vond tegenover de zieke, zat er voor hem weinig anders op, dan te proberen met haar vervangster de relaties aan te knopen, welke zouden kunnen leiden tot gesprekken, waarin zij hem, ongeweten en ongewild, het materiaal kon verschaffen, dat hij voor zijn roman nodig had. Binnen een paar dagen wist hij, dat ze Jettie heette, geheel voor zichzelf zorgde en voldoende van zichzelf overtuigd was, om geen dupe te worden van haar vlotte omgang met de mannelijke bezoekers van de lunchroom. Ze bleek ontwikkelder dan hij verwacht had, had belangstelling voor politiek en kunst, en tot zijn grote verbazing merkte hij soms, als hij dicht in haar nabijheid zijn buitenlandse bladen doornam, dat zij de koppen boven de berichten las en begreep. Voor zichzelf had hij al uitgemaakt, dat zij decentrale figuur in zijn

roman zou worden, een jonge vrouw van goede familie, die haar brood moet verdienen, maar van haar persoonlijkheid niets prijs geeft... En zo zaten ze dan, een dag of veertien, nadat hij haar voor het eerst had gezien, als goede vrienden ineen café te praten. Zij vroeg hem naar zijn werkkring, naar zijn plannen, en Anton Bonders praatte maar argeloos voort, totdat hij zich plotseling bezon, dat hij op die manier nooit aan gegevens voor zijn boek kon komen. Hij begon haar dus te vragen, of haar werk haar beviel, of ze eerder dergelijke arbeid had gedaan, wat ze van de diensters en de klanten dacht, totdat ze ineens uitviel: „Denkt u, dat ik het prettig vind, om over al die dingen te praten? Het is al erg genoeg, dat ik er de hele dag in moet zitten! ” „Ja”, zei hij met een air van zwaarwichtigheid, „dat lijkt me nu ook juist het tragische van al die meisjes, die daar een vriendelijk gezicht moeten zetten, maar wie het werk met ellen de keel uithangt.” „O”, zei ze, „zoekt u de romantiek inde lunchroom?” „Nee, het werkelijke leven!” beweerde hij met een heftig gebaar. „Daar komt u, wat het vrouwelijk personeel betreft, als man toch nooit achter!” Anton Bonders glimlachte neerbuigend. „Het vrouwelijk personeel zou een man, die zich voor het werkelijke leven achter de gevel van schijn interesseert, toch wel het een en ander kunnen vertellen”, zei hij met nadruk. die aan duidelijkheid niets te wensen overliet. „Met een kopje koffie als beloning?” vroeg ze met een kilte in haar stem, die Anton Bonders deed huiveren. „Neem me niet kwalijk”, pleitte hij met trillende stem. „Maar er hangt voor mij zoveel vanaf. U kunt me gerust vertrouwen. Als ik er een roman over schrijf, zal niemand u of een van de anderen herkennen. Ik zal een andere stad kiezen,

een interieur fantaseren.. Haar jonge, overmoedige lach onderbrak hem. „Wou u een lunchroom-roman schrijven?” „Ja, vindt u dat zo gek?” „Helemaal niet. Maar dat u nu mij aanklampt om gegevens, dat is... dat is.. Opnieuw barstte ze In lachen uit. Anton Bonders voelde zich niet erg op zijn gemak, maar hij moest nu eenmaal door de zure appel heenbijten en ging voort: „U bent Intelligent genoeg, om te begrijpen, wat ik weten moet.. Ze legde over het tafeltje heen haar hand op zijn mouw, en zei; „Dat is het juist, beste vriend. Ik ben intelligent genoeg om te weten, welke gegevens een romanschrijver nodig heeft, die de roman vaneen lunchroom wil schrijven... Daarom zit ik daar als tijdelijk kassière.,. Als ik genoeg gegevens heb voor mijn roman, verdwijn ik weer... Begrijpt u?”... Anton Bonders begreep. In het vervolg dronk hij zijn kopje koffie ineen café, waar de kenners geen romantische gedachten in hem konden opwekken...

„Vuurwerk!” zei Jan.”

„Opnieuw barstte ze in lachen uit.”

„Kon hij zich permitteren een praatje met haar te maken..

Sluiten