Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Representatieve vakbedrijfsverenigingen voor uitvoering van de sociale verzekeringswetten

(J.C.M.) Wat betekent bovenstaande nieuwe figuur inde sociale verzekeringswetgevlng, voorkomende inde „Kinderbijslagwet” en weldra ook inde te wijzigen Ziektewet? Vakverenigingen noemt men gewoonlijk representatief, wanneer zij op het terrein dat zij bestrijken, zo niet de allen omvattende, dan toch de enige of de meest toonaangevende organisaties zijn. Tot zover geldt dit in zekere zin ook voor een representatieve vakbedrijfsvereniging. Maar dan komen twee opmerkelijke ver- SC 1 en' . Het eerste is dat het lidmaatschap vaneen representatief verklaarde vakbedrijfsvereniging voor de werkgevers inde betrokken bedrijfstak (of een gedeelte daarvan) verplichtend wordt, met deze uitzondering, dat zij zich ook nog bij de Raad van Arbeid kunnen aansluiten. Het tweede verschil bestaat hierin, dat een representatieve vakbedrijfsvereniging alle werkgevers, waarvoor bij haar plaats is, moet aannemen. Zij mag dus niet weigeren of afstoten wegens risico, geloofsovertuiging enz. Op de representatieve vakbedrijfsvereniging wordt zodoende duidelijk het stempel gedrukt van algemeen belang en neutrale zakelijkheid, wat natuurlijk aan haar ideële waarde geen afbreuk doet.

Het behoeft dan ook geen betoog, dat de grotere en hechtere samenwerking die zodoende tot stand komt, in maatschappelijk opzicht ver uitsteekt buiten het eigenlijke kader der sociale verzekering. Eveneens is duidelijk dat de wijze van uitvoering der sociale verzekeringswetten er door het instellen van (gedeeltelijk) verplicht lidmaatschap sterk op zal verbeteren en mede dit resultaat zal de werkgevers spoedig met deze .dwang” verzoenen. Vereenvoudiging en bezuiniging (door toename van het verzekerde loon en uitschakeling van kostbare propaganda) zullen er het gevolg van zijn 6 besnaarde geiden zullen aehee. of gedeelte £ aangeWend * g e d * nen‘worden om meziektegevallen te voorzfen ïe koLn Servan omgeslagen over velen onvaUend gerfnT 3,’ ges agen over velen’ opvallend gering. Voornemens in die richting (ook aan werkge verszij de) bestaande, konden tot nog toe menigmaal met uitgevoerd worden vanwege de onderlinge premie-concurrentie der bedrijsveremgmgen. Maarde representatieve vakbedrijfsvereniging wordt eerst recht onmisbaar wanneer straks nog meerdere sociale verzekeringswetten aan bedrijfsverenigingen mochten worden toever-

trouwd (ongevallen- en werkloosheidsverzekering b.v.). Er bestaan nu reeds vele bezwaren, doch een dergelijk complex zou eenvoudig niet te hanteren zijn, wanneer de behandeling der zaken van dezelfde soort arbeiders over (buiten de Raad van Arbeid nog) tien en meer instellingen moest blijven lopen. Wij juichen het daarom toe, dat in het verward gegroeide uitvoeringsapparaat van thans duchtig wordt gesnoeid. Voor wat onze bedrijfstakken betreft, zien wij, rekening houdende met de bestaande indeling in groot- en kleinbedrijf, de beste oplossing in het erkennen van twee representatieve vakbe drij fs verenigingen. De metaalbewerkersbonden hebben dan ook bevorderd, dat de „Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie” en „Metaalambachten” onlangs erkenning aanvroegen voor uitvoering van de „Kinderbijslagwet” en tevens verzochten om representatief verklaring, ieder voor haar gebied. Decentrale organisaties van werkgevers- en werknemersbonden krijgen deze aanvragen van het departement om advies en uiteindelijk beslist* de minister van Sociale Zaken erover. Wanneer ons vertrouwen ineen steunend advies en ineen gunstige officiële beschikking niet beschaamd wordt, zal ons bedrijf een paar machtig uitgegroeide instellingen rijker worden. Met de instelling van representatieve vakbedrijfsverenigingen wordt het sociale verzekeringsbouwwerk op een plan gezet, dat hoger komt te liggen dan wij thans vermogen in te zien.

Soldaat in W-dorp De meid van den pastoor

Na een lange periode van ijsvernielen ineen geïnundeerd gebied, zijn we teruggekeerd tot onze oude liefde: de stelling. Onze stelling ligt gedeeltelijk even hutten en gedeeltelijk ineen dorp. Wanneer het ooit menens mocht worden, zal zeker bij ons, waar elk huis dan ineen bolwerk verandert, hevig worden gevochten. Maar nu kunnen we dat dorp met andere ogen bekijken. Nu kunnen we het waarderen, omdat je er op een gure dag altijd even uit de wind kunt gaan staan, omdat je er je vaste adressen hebt, waar je, al naar gelang de financiën der bewoners, voor niets of voor een paar luttele centen een ketel met koffie of thee en een teiltje met kopjes kunt ophalen en ook, omdat daar de pastorie staat Laten we eerlijk zijn; met die pastorie zijn we niet zo zeer blij om redenen van geestelijke dan wel van stoffelijke aard. Er komt nog iets anders bij ook: de liefde. Zeker, de stelling kan nu een oude liefde worden genoemd, maar ook de meid van den pastoor. De plaats, waar wij bij een stellingbezoek immer ons zwikkie „afhangen”, is juist voor de pastorie gelegen. Het is een forse pastorie met een keurig onderhouden voortuin. En in die tuin nu, zagen we toen de mobilisatie nog geen maand oud was, een dik, potig vrouwmens, met blozende wangen en armen. Vol belangstelling staarde ze naar het soldatenvolk, dat daar in die dagen nog als iets zeldzaams gold. Ze glimlachte

tegen ons, niet coquet, maar zoals een moeder tegen haar jongste spruit. Hannes, je hebt weer sjans, man, zei er een tot een sectiegénoot uit het Twentse, die reeds voor algemeen plaagobject dienst deed in verband met zijn belangstelling voor het daghitje van onzen kwartiergever. Omdat Hannes niet hapte, groette onze Rotterdamse korporaal met een overdreven lief „Dag Zus”. „Zus” was volstrekt geen verschijning om „op ’t eerste gezicht” verliefd op te worden; ze telde trouwens stellig een jaar of vijftien meer dan de gemiddelde soldaat. Vandaar dat ze zoiets niet „nam”. Ze trok een nijdig gezicht en gebelgd over die ongewone amicaliteit draaide ze zich bruusk om en verdween in haar keukendeur. Meneer pastoor stond achter een raam om het geval te schokbuiken; de sectie schaterde luidruchtig. „Maar al was „Zus” nou geenszins van zulke „flirt” gediend, toch was ze een goede ziel. Een paar dagen later was haar keuken een bekend toevluchtsoord voor dorstige soldaten. „Zus” was zo zacht als satijn, zolang wij ons als grote kleine kinderen met koffie en koek lieten vertroetelen, maar o wee als er een zei: „Houd je óók van mij een klein beetje, zus?” of „Ik vind het niet aardig, dat je de ongetrouwden altijd meer koek geeft!” Dan veranderde ze prompt in een stuk prikkeldraad. Soms kwam meneer pastoor ook inde keuken en glunderde dan, wanneer we „Zus”, die telkens weer mededeelde, dat zij als Sophie gedoopt was, echt kwajongensachtig het hof maakten of haar vrijages verweten met den een of anderen „leuken” soldaat. Zelfs de pastoor kreeg dan een veeg uit de pan, omdat-ie het maar goed vond, dat die apen zo gemeen roddelden. Nu is het echter uit met „Zus”. Voor goed uit. Dat komt door de laatste sneeuwbui. Toen we na die wekenlange afwezigheid eindelijk weer eens bij de pastorie verschenen, lag er een dik pak verse sneeuw. Echt sneeuw om stevige ballen van te kneden. Dat deden we dan ook. Inde rust werd er een formeel sneeuwballengevecht georganiseerd. Op dat moment schommelde „Sophie”, argeloos, de pastorietuin in. Meteen was het raak. Pats! Twee, drie sneeuwknoedeltjes ploften tegen haar mollig lijf. Ze slaakte een gil en vluchtte, of liever wilde vluchten. Het gelukte haar niet, want een tweetal soldaten versperde haar de terugweg. Een ander rende op „Zus” toe, graaide beide handen vol blanke sneeuw en ging onze als

maar gillende „Zus” „wassen”. Ze rolde zich ineen als een egel, maar sloeg'toch ook met haar stevige armen in ’t rond, trof een belager op zijn neus en kon toen eindelijk retireren. „Tuig”, schreeuwe ze nog. We lachten en vergaten het geval al heel spoedig, omdat het toch ook zo onschuldig was. Maar Sophie zag het blijkbaar anders. Ze voelde zich stellig aangerand. Zo moet ze het tenminste wel aan meneer pastoor hebben verhaald, want anders had die toch nooit een lange klaagbrief geschreven aan onzen kapitein. Van die brief hoorden wij van den soldaat-verlofpassenschrijver. „Het ging te ver” en „Ze weten geen afstand te bewaren”, had er in gestaan. Misschien klinkt het vreemd in burgeroren, maarde sneeuwballenploeg ging ’m knijpen. Kattekwaad uithalen is niet zo’n ernstig vergrijp, maar ja, wanneer je het doet in uniform En ten slotte was het werkelijk waar, dat er een vreemde vrouw was beetgepakt. Er verstreken ettelijke dagen, zonder dat er iemand op ’t matje moest komen. We vergaten de affaire weer, ook al doordat de sneeuwlaag al weer was weggesmolten en het klimaat onverwacht heerlijk voorjaarsachtig was geworden. En toen verscheen de volgende order, een order, die stellig met een glimlach op papier was gezet: Met ingang van heden is het verboden, de dienstmaagd van den pastoor X, in ons stellinggebied, met sneeuw te gooien c.q. te wrijven, de C. C.

(Vaneen onzer gemobiliseerde verslaggevers)

.Meteen was het raak.”