Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het spreidingsprobleem^ De oplossing van het ruimteprobleem en het probleem der werkkrachten is één der merkwaardigste vraagstukken, waarvoor verschillende bedrijven in ons land zich gesteld Zien. Bij Philips te Eindhoven b.v., houden een aantal kundige mannen, „spreiders”, zich ermee bezig voor het zich uitbreidende bedrijf de geschikte ruimte te vinden en bij voorkeur Waar ook werkkrachten hiervoor te krijgen zijn. Op deze wijze zijn reeds verschillende spreidingsobjecten tot stand gekomen, zoals té Stttard, waar ineen oud klooster een radiobuizenfabriek is gevestigd met momenteel een personeel van 250 mensen, grotendeels meisjes. Verder is een fabriek ingericht te Roermond voor het monteren van rijwieldynamo’s en in Roosendaal zal een nederzetting van de gloeilampenfabriek gevestigd worden. Ook Zwolle krijgt Philips binnen haar poorten. „Philishave” zal ineen gebouwtje, dat vóór de oorlog door jeugdige werklozen is opgericht, zijn intrek nemen. Het spreidingsfront heeft zich verder Uitgebreid tot Utrecht en Gelderland, waar in Doetinchem een 100-tal mensen werk zal vinden ineen grote loods op het oudé terrein van de „Nemaho”, terwijl inde stad Utrecht een lasstavenfabriek zal worden ondergebracht In het gebouw van de M.E.A.F. Het gebrek aan ruimte te Eindhoven heeft ondanks de vele nadelen dit Voordeel, dat door de spreiding over de verschillende provinciën, Philips een belangrijke bijdrage levert inde Nederlandse industrie. Wat dé spreiding bij Heemaf, te Hengelo (O.) betreft, dient vooral de

wikkelwerkplaats te Zwartemeer (gem. Emmen) vermeld te worden. Na eerst een tijdelijk onderdak gevonden te hebben, werd met de bouwwerkzaamheden van het definitieve gebouw omstreeks Mei ’46 begonnen, terwijl de officiële ingebruikneming reeds op 10 Augustus kon plaats vinden. Tevens werd in Augustus ’46 inde gemeente Etten-Leur (N.8.) een werkplaats aangekocht, welke eveneens Inmiddels in gebruik werd genomen. Het ruimtegebrek bij de Verenigde Blikfabrieken en wel voornamelijk in de fabriek te Krommenie was oorzaak, dat een nieuwe productiegelegenheid gezocht moest worden. Deze werd gevonden in Doesburg, waar een leegstaande fabriek geschikt gemaakt werd tot trekkerij. Voorlopig zal de productie hier gericht zijn op het stampen van onderdelen voor de emailleerindustrie. Naderhand zal echter ook de fabricage van gascomforen en gasfornuizen naar hier worden overgebracht. Stalen Meubelen. De industrie van stalen meubelen Is in ons land nauwelijks 20 jaren oud, dateert n.l. van 1927, toen de N.V. Gispens Fabriek voor Metaalbewerking te Culemborg de productie van stalen huismeubelen hier te lande introduceerde. Sindsdien heeft dit onderdeel der meubelindustrie zich snel uitgebreid, vooral na de laatste oorlog, zodat zij momenteel rond 75 bedrijven omvat. Gemiddeld tellen ze 30 a 40 man personeel (variërend van in kleine bedrijven 15 tot in grote bedrijven 200 man) en waarin in totaal een verzekeringsplichtig jaarloon van 2 millioen gulden wordt uitbetaald. Eender redenen voor de uitbreiding der stalen-meubelenindustrie is. geweest de omstandigheid, dat stalen meubelen meer en meer worden gevraagd. Op kantoren en in fabrieken, in huiskamers en wachtkamers, in treinen en autobussen, overal ziet

men thans stalen meubelen. Wij noemden ook fabrieken; een onderzoek heeft n.l. uitgewezen, dat in vele gevallen bij het zittend verrichten der werkzaamheden de arbeidsprestatie aanzienlijk hoger is dan wanneer het werk staande gebeurt. De toenemende vraag naar stalen meubelen was, mede voor vele metaalbewerkende bedrijven aanleiding, zich met de productie ervan te gaan bezig houden, vooral met die van buis- en kleinmeubelen en van ledikanten, daar hiervoor betrekkelijk weinig Investeringen nodig zijn, in tegenstelling met de productie van plaatstalen meubelen. Vóór de oorlog werden reeds, zij het op kleine schaal, stalen meubelen uitgevoerd, n.l. voor een bedrag van ruim / 100.000 per jaar, waartegenover een invoer ter waarde van rond ƒ250.000 stond. Ook na de oorlog is er reeds uitgevoerd en de export groeit gestadig. Men is doende om exportcombinaties op te richten, welke het gehele bedrijf zullen omvatten. Er is in het buitenland-vraag genoeg naar onze stalen meubelen, doch wil men zich behoorlijk op export kunnen inrichten, dan is een binnenlandse basis voor deze industrie onontbeerlijk, d.w.z. men moet een bepaalde binnenlandse afzet hebben. Het gebrek aan grondstoffen is momenteel echter een belemmering om de productie in voldoende mate uitte breiden. (Economische Voorlichting.) Het Nederlandse bedrijfsleven. Het is een verheugend feit, dat men zich na de bevrijding met grote energie op de heroriëntering op internationaal gebied heeft geworpen en dat ondanks de talrijke moeilijkheden, waarmede men te kampen heeft, belangrijke resultaten zijn verkregen. Op tal van gebieden kan men' zulks merken. De industrieën van consumptiegoederen o.a. meubelen en toebehoren profiteren eveneens van de vraag buiten onze grenzen; de West en Oost zijn afzetgebieden, maar ook naar Zuid-Amerika gaat export. Het is overigens begrijpelijk, dat vooral op de industrieën der productiemiddelen thans, in verband met de plaats gevonden vernietigingen en verdere uitbouw een beroep wordt gedaan. De metaalnijverheid ondervindt daarvan de invloed: bepaalde sectoren hebben niet te klagen over gebrek aan orders. Stork in Hengelo is reeds thans voor de eerstvolgende jaren grotendeels met bestellingen bezet; opdrachten zowel voor Indië als voor andere landen. Ook Dikkers & Co. moet thans levertijden van meer dan een jaar vragen. In andere sectoren bestaat dezelfde ervaring: Philips bijv. werkt, zoals wij kort geleden nogmaals konden melden, met voortdurend vooruitgaande productiecij – fers. Toch moet men voor ogen houden, dat ook de concurrentie niet stil zit en dat men haar in steeds sterkere mate ondervindt. Zowel van Engelse als Italiaanse zijde ondervinden bepaalde sectoren van de metaalnijverheid de concurrentie, soms zelfs tegen prijzen, welke met de hier te lande bestaande kostprijzen geen verband meer houden. (Trouw). Beynesfabriek naar Beverwijk. Het ligt inde bedoeling van de directie van de Koninklijke Fabriek voor Spoorwegrijtuigen J. J. Beynes te Haarlem, het bedrijf over te brengen naar een terrein inde gemeente Beverwijk. De verhuizing zal overigens nog wel enige jaren moeten worden uitgesteld, omdat het nu nog niet mogelijk is een zo groot bouwplan uit te voeren. Het bedrijf is het oudste spoorbedrijf in ons land; opgerieht in 1838, werden de eerste rijtuigen in 1858 afgeleverd. Deze bestonden uit een ijzeren onderstel met een houten bak. Omstreeks 1918 ging men over tot stalen rijtuigen, die oorspronkelijk werden geklonken, maar vanaf 1931 electrisch gelast werden. Momenteel verzekeren belangrijke opdrachten van de Spoorwegen de werkzaamheden in het bedrijf voor vele jaren. (Parool.)

VAKOPLEIDING Wij ontvingen dd. 13 Januari j.l. van mr. Fabius, adjunct-secretaris van de Stichting Bedrijfsgroepen Metaal- en Electrotechnische Industrie atkorting „Bemetel” een stuk, waarin hij aantoont dat deze Stichting ook na de bevrijding met groeiend resultaat de vakopleiding bevordert. Aangezien het stuk niet van polemiserende aard is, maar een welkome aanvulling geeft op dein de nummers van dit orgaan geplaatste artikelen onder de titel „Problemen van deze tijd”, willen wij, belangrijk als het onderwerp is, er gaarne het volgende aan ontlenen: „De metaalindustrie is één der bedrijfstakken ik denk hierbij b.v. ook aan de grafische industrie —, waar de vakopleiding in het bedrijf een grote vlucht heeft genomen. Onze Stichting, welke, zoals u ongetwijfeld bekend is, belast is met de behartiging van het leerlingwezen ingevolge Titel II der Nijverheidsonderwijswet, heeft in samenwerking-®iet de werkgevers terstond na de bevrijding van Nederland overal inden lande, ondanks het ontstellend tekort aan grondstoffen, machines enz., de vakopleiding, welke in het bijzonder gedurende het laatste jaar van de oorlog een geduchte knauw had gekregen, wederom nieuw leven ingeblazen. Bovendien heeft de Stichting zich niet slechts beperkt tot de opleiding van minderjarige arbeiders, maar heeft zij, in overleg met het ministerie van Sociale Zaken, eveneens de her- en omscholing van oudere arbeiders ter hand genomen. Op allerlei manieren tracht de Stichting dan ook door voorlichting aan haar actie bekendheid te geven. Ik moge hierbij wijzen op een eenvoudige expositie, welke reeds in verschillende plaatsen des lands ineen vitrine ineen drukke winkelstraat werd opgezet, op de z.g. ouder- en leerlingavonden, welke geregeld worden gehouden, op de artikelen inde vakbladen (De Industrie, Metaalbewerking, Polytechnisch Tijdschrift, Vraag en Aanbod, Economist) en op die inde plaatselijke pers naar aanleiding van gehouden examens of bovenbedoelde ouder- en leerlingavonden. Te uwer oriëntering laat ik hieronder enige cijfers volgen: Aantal ondernemingen, welke onder onze auspiciën in haar bedrijf opleiden: 290. Aantal in 1946 geadministreerde minderjarige leerlingen: 3300. Aantal in 1946 geadministreerde meerderjarige leerlingen; 600. Aantal bedrijven, waarin in het jaar 1946 examens plaats vonden: 84. Aantal leerlingen, dat bij deze examens het diploma behaalde: 496. Ik erken ten volle, dat met de tot dusverre verkregen quantitatieve resultaten nog geenszins de ideale toestand is bereikt, doch gelet op de deerniswekkende toestand, waarin vele Nederlandse bedrijven zich na de oorlog bevonden, op de moedeloosheid van vele werkgevers door de vele, wellicht noodzakelijke maar belemmerende bepalingen, op de naoorlogse mentaliteit van de jeugd, op de bij vele jongeren aanwezige, maar onbegrijpelijke voorkeur voor de lessenaar boven de draaibank en op de materiële onzekerheid der toekomst vaneen op crediet levend Nederland, ben ik van oordeel, dat de metaalindustrie in deze blijk geeft van haar verantwoordelijke taak in het alge( meen wel bewust te zijn.” Ter Informatie van de lezers willen wij er nog op wijzen, dat „Bemetel” een instelling is van de georganiseerde werkgevers en dat de o.m. door haar geleide vakopleiding zich tot dusverre in het algemeen ndg onttrekt aan de directe invloed van de vakbeweging. De mening wint echter veld. dat de vakopleiding een onderwerp van voortdurende zorg behoort te zijn van de overheid en daarnaast óf daarboven van de werkgevers en werknemers beiden. En terecht! REDACTIE.

„Britain can make it”, is de leuze die tegenwoordig in Engeland wordt aangeheven, waarmede zoveel gezegd teil zijn als: „we kunnen alles zelf maken en we zullen proberen om dat te doen ook.” Sinds vorige week ben. ik tot de Conclusie gekomen, dat deze leuze Voor een groot deel ook op onze Bond van toepassing is, welke wijsheid ik in Rotterdam heb opgedaan. Daar hadden n.l. de besturen van een aantal wijkcommissies de handen ineengeslagen en ter afwisseling in de reeks cursusvergaderingen die daar worden gehouden, nu eens een ontspanningsavond georganiseerd. Aan belangstelling geen gebrek. Dijna 500 vrouwen en mannen vulden de zaal geheel. Nu is het bij elkaar halen van het Publiek als regel het gemakkelijkste deel van zo’n avond, vooral als er geen entrée wordt geheven en bovendien thee met koek wordt aangeboden! Moeilijker is de verzorging van het Programma. Het is natuurlijk een koud kunstje om een bom dutten neer te tellen en een gezelschap te huren, maar aangezien wij tot de smalle gemeente behoren, is het nou juist de kunst om met een minimum van kosten toch wat goeds te brengen. Deze opgave zou de jeugdgroep van de afdeling vervullen en ze hebben ket niet alleen klaar gespeeld) maar £e hebben het knap gedaan ook! En kom mij nou nooit meer vertelden, dat het met de jeugd van na de oorlog eigenlijk maar een sof-zaakje is, zoals vele hele- en halve paedagogen ons in hun verschrikkelijk wetenschappelijke tijdschriften nog altijd muien doen geloven. Want daar gaven onze meisjes en jongens een programma weg, dat, na-

tuurlijk met enige haperingen, die altijd aan een première kleven, toch zódanig was, dat de hele familie er de grootste schik in had. Zij speelden toneel dat de stukken eraf vlogen en ze dansten en zongen dat het een lust was voor oog en oor, waarbij de pro-

paganda voor „Smeedt één Blok” niet werd vergeten. En het aardigste is: Allemaal eigen werk, tot de requisieten toe. " Eén van de bestuurders .vroeg mij om ook andere afdelingen hierop eens opmerkzaam te maken, vooral de afdelingen rondom Rotterdam, die, zolang zijzelf nog niet over dergelijke artisten beschikken, deze Rotterdamse comedianten zouden kunnen uitnodigen. Ik zou je lekker danken. Als ze dan zelf zo link niet zijn, zoeken ze het ook zelf maar uit. Maar jullie weten nu ten minste hoe laat of het isf

Sluiten