Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'TlTeiudS ÜEIKIEIN-INDUSTRIE

(C. W. v. W.) De aandachtige lezer van deze artikeltjes zal wel bemerkt hebben, dat in het vorige een fout is geslopen. Wij spraken daar nl. over bepaalde „normen", met de toepassing waarvan het inde practijk niet altijd even vlot gaat en zo staat er dan „en (dit) maakt een nauwkeurig volgen van de ontwikkeling en het opsommen van moeilijkheden noodzakelijk”. Nu, aan die opsomming hebben wij niet de minste behoefte en wij hadden dan ook geschreven opvangen. Neemt u het vorige artikeltje er nog maar eens bij. dan wordt ook wat nu volgt wat duidelijker. Wat is nl. geschied om de moeilijkheden, die naar voren kwamen bij het inde practijk toepassen van de regelingen, op te vangen? Er is voor elk onderdeel van de kleine metaalnijverheid, waarvoor een „regeling” geldend is, een zgn. bedrijfscommissie ingesteld, paritair, d.w.z. met elk evenveel plaatsen, samengesteld uit werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers. De voornaamste taak van deze commissies is de aanvragen om dispensatie van de regeling te beoordelen en een advies samen te stellen, dat dan door de vakraad aan het College van Rijksbemiddelaars wordt doorgezonden. Proefondervindelijk is bewezen, dat deze commissies zeer belangrijk en nuttig werk doen en het stemt tot voldoening, dat dit ook zo door het College wordt opgevat, hetgeen in het algemeen inde beslissingen tot uitdrukking komt. Het loopt natuurlijk niet altijd even vlot en soms komen bij de commissies boze brieven binnen van werkgevers, die menen „afgepoeierd” te zijn. Maar dat zijn dan meestal de gevallen, waarin een werkgever, die een procesverbaal heeft gehad, probeert via de commissie zijn „zwarte” ionen „wit” te maken. Maar inde practijk is toch gebleken, dat er heel wat gevallen zijn, waarin voor een extra-beloning kan worden geadviseerd in verband met „bijzondere” omstandigheden, als: toezichthoudende arbeid, extra-vuil werk of andere bezwarende factoren en dat deze adviezen succes opleveren. Het werk van de commissie nam aanzienlijk toe, toen de mogelijkheid werd geschapen om door middel van

de „franchise-bepaling” speciaal geschoolde arbeiders hoger te belonen en het voorts mogelijk bleek om daar, waar de mensen uit het ambacht samenwerken met „in tarief werkende arbeiders”, een tijdelijke tariefdervingstoeslag te verkrijgen. Vele malen moet ook worden geadviseerd over aanvragen van werkgevers, die een tariefstelsel willen invoeren en daarvoor de toestemming van het College nodig hebben. Aan het samenstellen van de rapporten, die daarvoor worden ingediend, werken de bestuurders van de Bedrijfsunle in het land mede. Verder Is de vakraad bevoegd zelfstandig lagere lonen, dan de regeling aangeeft, vast te stellen in gevallen waarin dit noodzakelijk kan zijn. bijv. als het betreft niet-invalide, maar toch onvolwaardige arbeidskrachten. In die gevallen wordt aan een bestuurder van de Bedrijfsunie verzocht een onderzoek in te stellen en samen met de werkgever een voorstel te doen. In alle tot nu toe voorgekomen gevallen heeft dit tot een bevredigende oplossing geleid. Maarde commissies doen meer. Waar geschreven recht is, ontstaat „jurisprudentie”, d.w.z. dat inde practijk zich allerlei vragen voordoen als: „wat nu precies met die bepaling bedoeld is”, „waarom is dit zó vastgesteld”, „kan die bepaling ook zó worden uitgelegd”, enz. De omstandigheden veranderen steeds en werpen nieuwe vragen op. Daarom was het bijv. noodzakelijk speciale maatregelen vast te stellen voor de gedemobiliseerden en voor de omscholers en herscholers. Op al deze en andere vragen, die komen van werkgevers en werknemers, tracht de bedrijfscommissie een antwoord te. vinden en de vakraad te adviseren en het behoeft wel geen betoog, dat deze werkwijze èn voor de juiste toepassing van de regeling, maar ook voor het vormen van nieuwe gedachten omtrent eventueel noodzakelijke wijzigingen, zeer vruchtbaar is. „Nieuwe gedachten”, dat kan in het volgende artikeltje een goed begin zijn als we iets gaan vertellen over de werkclassificatie!

INGEZONDEN*

lets over de 2°/o vacantie-toeslag

Als je zo om je heen kijkt en zo hier en daar eens komt. merk je, dat de vacanties volop aan de gang zijn en vele mensen alweer genieten van de enkele dagen of weken die ze per jaar vrij hebben en dan nog wel met behoud van loon. Ja, er is al heel wat gedaan voor de arbeiders inde fabrieken en werkplaatsen de laatste jaren: zes dagen vacantie en zes snipperdagen; maar ja, dat is niet vanzelf gekomen, maar dat hoeft ook niet. want als je met een werkstuk begint, dan komt dat ook niet vanzelf klaar, maar je gaat ook niet eerder naar je baas dan dat het helemaal klaar is. Wel- gebeurt dit in „Dé Metaalbewerker”; zo las men in ’t laatst van April jl. iets over de bevrijdingsdag. Een paar dagen tevoren voor de bevrijdingsdag, komt men met een bericht, dat er vrijaf mag worden gegeven (maar het hoeft niet); dit sluit het immers in! ‘) Kijk, dat zijn van die half-afgewerkte werkstukken, zulke mogen de fabriek niet uit, die moeten eerst afgewerkt worden, want hier komen een heleboel narigheden uit voort. Laat niets horen of iets goeds, dat is ons parool.

Zo ook nu weer, nu de vacantie voor de metaalbewerkers enz. weer voor de deur staat en men heeft gerekend op de 2 % vacantietoeslag, komt men met een doodleuk berichtje in „De Metaalbewerker”. dat men de 2 % wel mag, maar niet hóeft uitte betalen, daar de Rijksbemiddelaars dit niet willen bekrachtigen. ’) Zou er nu ook nog een berichtje in komen, dat men zijn vlees en brood etc. wel mag betalen, maar niet hoeft te betalen, dan was de zaak oké. Maar zo ligt het niet. Kijk. dit is weer zo'n half-afgewerkt werkstuk, wij zeggen nogmaals dit mag de ftibriek niet uit. Zo lees ik juist nog in „De Stem van de Arbeid”, van de maand Juli, in het stuk „Een week uit het leven van de baas”; Vrijdagmorgen bespreking met de Stichting van de Arbeid om de 2 % vacantietoeslag en de viering van de Nationale Feestdag er door te krijgen. Kijk, dat zijn heel andere berichten, hier is geen sprake van ja of neen en wij twijfelen ook niet aan de goede wil van de baas om te trachten dit gedaan te

Amsterdam 7000 leden Zo nu en dan. als we met vrienden in het land in aanraking komen en met hen over datgene praten, waar ons hoofd en hart nu eenmaal vol van zijn en we dan eens zo langs onze neus zo iets vragen van; hoe gaat het met jullie afdeling?, dan is het als regel een kort antwoord van: „Het gaatwel of ’t gaat goed”. Maar altijd komt de wedervraag: „Hoe gaat het in Amsterdam? Het is daar zeker moeilijk en zwaar werken?” Inderdaad moet in Amsterdam letterlijk om elke ziel „gevochten” worden. Het Amsterdamse kader is daar echter niet bang voor. De verwarring der geesten, die elders in het land bijna overal voor helderder inzicht heeft plaats gemaakt, is er in Mokum nog steeds. De E.V.C. heeft in tal van bedrijven nog grote invloed. Amsterdam heeft met de verkiezingen voor 25 % communistisch gestemd en het betekent dus, dat men bij een wandedeling door Amsterdam gemiddeld één van de vier mensen, die men tegenkomt. als aanhanger der C.P.N. kan groeten. Noodzakelijk is dit niet, doch als voorbeeld te aanvaarden. Deze verhoudingen vinden wij ook inde bedrijven, vermoedelijk in sterkere mate. daar de beter gesitueerden en de middenstand in 't algemeen wel geen aanhangers van de C.P.N. zullen zijn. De aanhang der E.V.C. gaat echter regelmatig terug, hoewel wij niet over nauwkeurige cijfers beschikken. Men spreekt daar wel over democratie, maar openbaarheid der ledencijfers is daaronder blijkbaar niet begrepen. De „gewone” leden krijgen die cijfers ten minste niet. Tegen deze destructieve stroom moéten onze leden in. En ze doen dit met taaie volharding en met succes. Ziehier enige cijfers van de laatste twee jaar; 1 Jan. 1947 4655 1 Jan. 1948 5444 1 Jan. 1949 6496 1 Juli 1947 5098 1 Juli 1948 6009 1 Aug. '49 ruim 7000 Door volhardend werken zijn we regelmatig gegroeid en thans de 7000 leden gepasseerd. En daarmede zijn we weer de grootste bond van metaalbewerkers te Amsterdam. Nu nog enkele ledencijfers bij twee grote bedrijven: 1-1-'47 1-1-48 l-7-’49 Ned. Dok- en Scheepsbouw Mij 659 851 1062 „Werkspoor” 633 740 858 Ten slotte enkele cijfers over het ledenverloop; Overschr. n. andere bonden v h. N.V.V., over- Jaar Toegetreden Uit E.V.C. Afgevoerd Naar E.V.C. lijden enz. 1947 ... 2107 9 % 1318 3 % 36.5 % 1948 2222 8% 1170 2 % 41,5% Uit één en ander blijkt ook het groeiende vertrouwen van de metaalbewerkers in onze Bond. Echter zijn er nog te veel, die het vaandel ontrouw werden. Hieraan zal alle aandacht besteed moeten blijven. Doch daarnaast aan verdere groei. In November viert de afdeling haar 60-jarig jubileum. Van de leden wordt nu één ding gevraagd, nl. mede te helpen, dat onze afdeling op 1 November met 500 nieuwe leden versterkt is. AMSTERDAMMERS, AANGEPAKT!

krijgen en zullen dan ook nog wel eens horen, dat dit werkstuk afgewerkt is en de fabriek wel uit kan. Maar ja, of dit nog voor de vacantie 1949 in orde is. betwijfelen wij. Er zijn natuurlijk altijd fabrieken, die het wel uitbetalen, misschien omdat ze enorme winsten gemaakt hebben, maaier zijn ook kleinere fabrieken, die iets minder verdienen en dan nog terdege door Lieftihck worden nagezien, zodat hun dan natuurlijk de lust ontgaat om uit eigen middelen de 2 % te betalen, want, zo luidt het parool, het mag niet op de verkoopsprijs berekend worden. Is hier dan niet een andere weg voor te vinden? Kan het blaadje dan niet omgekeerd worden? Kan het niet van de door de fabrikanten op te brengen belasting betaald worden? Zou de fabrikant dan niet direct zijn toestemming geven om aan de arbeiders de 2 % te betalen? Wij betwijfelen het niet. Ook kwam, door deze weg te nemen, de helft van de 2 % wel weer bij Lieftinck terecht, zij het dan langs een omweg, want verschillende artikelen zijn wel enigszins belast. Geloof maar niet. dat de arbeiders van de 2 % nog iets over kunnen houden, als zij een week mét vacantie gaan, dan moet er nog wel iets van het weekloon bij. Mocht binnenkort het bericht komen, dat op deze manier de 2 % moet worden uitbetaald, dan zullen de arbeider en de fabrikant dit toejuichen en kan er weeleen werkstuk kant en klaar de fabriek verlaten.’) Voorz. afd. Baarderadeel J. FEENSTRA, ONDERSCHRIFT Wij hebben ons afgevraagd of dit „werkstuk” nu wel „klaar" genoeg was voor publicatie. Hoewel we tot een. ontkennend antwoord kwamen, besloten wij het toch maar op te nemen en dit ondanks het parool van de inzender: „Laat niets horen of iets goeds”. Hieronder in noten ons antwoord. -') De inzender vergist zich. In ons blad heeft daarover geen bericht gestaan. Het ivas dus noch een heel-, noch een half-afgewerkt product. Ongewild hielden we ons dus aan zijn parool. ') Zó zout hébben we nog zelden ge-

geten! Over de vacantiebijslag hebben wij twee artikeltjes geplaatst. Het eerste in het nummer van 11 Juni en het tweede in het nummer van 9 Juli. Gezien de datum van zijn stuk heeft Feenstra het eerste artikeltje op het oog. Maar daarin staat zo ongeveer het tegenovergestelde van wat de inzender beweert, nl. dit: Het, College van Rijksbemiddelaars heeft een algemene vergunning gegeven om, bijv. ter gelegenheid van de vacantie, een extra-uitkering te geven van 2 % van het jaarloon. De werkgevers mogen deze uitgave echter niet doorberekenen inde prijzen, met andere woorden, ze moeten deze bekostigên uit het bedrijfsresultaat. Inde grootindustrie is desniettemin overeengekomen, dat deze uitkering als vacantiebij slag zal worden uitbetaald, terwijl het overleg inde kleinindustrie nog gaande is. Dat is dus heel wat anders dan Feenstra ons inde mond legt. Later, in het nummer van 9 Juli, heeft C. W. v. W. hieraan nog toegevoegd, dat de werkgeversorganisaties inde kleinindustrie hun leden in gunstige zin ten aanzien van de vacantiebij slag zouden adviseren. Volgens Feenstra moeten we zulke mededelingen echter inde pen houden. De leden moeten het bij wijze van spreken eerst in hun zak hebben. Maar zouden we dan juist niet en te recht het vérwijt te horen krijgen, dat we onvoldoende voorlichting geven en te weinig stimuleren? ') Ja, de fabrikanten zouden wel juichen, maarde overige belastingbetalers zouden het toch wellicht een ietwat raar „werkstuk” vinden. Want de overheid zou op haar beurt teel weer door nog hogere belastingen de schade moeten verhalen. Neen, dit is onze weg niet. Naar onze mening moet de vacantiebij slag tot de normale productiekosten worden gerekend, evenals bijv. de uitbetaling van de feestdagen. Wij aanvaarden daarvoor ook de consequentie vaneen ’ eventuele geringe prijsstijging, al menen we, dat deze onder de tegenwoordige omstandigheden niet nodig en zeker niet geloenst is.

3

Sluiten